Persoonlijk

Mia (87), To (90) en Jo (90) zijn al sinds de oorlog vriendinnen

vriendschap.jpg

De Limburgse zussen Mia en To Kleuskens, nu 87 en 90, kregen in de zomer van 1944 een logeetje uit het westen: Jo Kloosterman (nu 90). De bijzondere band tussen de drie meisjes bleef ook na de bevrijding bestaan.

De bevrijding

Jo: “De bevrijding zagen we aankomen, maar ik durfde het niet te geloven toen het écht waar was. Overal op straat was het feest en werden Nederlandse liedjes gezongen. Ik was blij dat de avondklok, waardoor ik elke avond om zes uur thuis moest zijn, werd opgeheven. Eindelijk kon ik weer vriendinnen opzoeken, want de bussen reden weer. Toen pas besefte ik hoezeer ik me opgesloten had gevoeld. Vlaardingen was een kleine stad waar ik iedereen kende. Ik zag oude bekenden terugkomen die eerder waren gevlucht. Er was verdriet om de mannen en zonen die niet uit de oorlog terugkeerden. De sfeer was droevig, maar ook optimistisch. Het puin werd geruimd en zodra er weer materialen en genoeg werklieden waren, werd er volop gebouwd in de stad. Voor mij als veertienjarige was het vooral wennen om weer in het school-ritme te komen. Door de oorlog had ik veel lessen gemist, dus ik moest net als zovelen een jaar extra naar schooL”

Hoogspanning in de lucht

“Vlak voordat de Duitsers binnenvielen, hing er hoogspanning in de lucht. Ik woonde in Vlaardingen en het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940 bracht de oorlog dichtbij. Als het luchtalarm ging, moest ik van mijn vader onder de bank gaan liggen. Dan mocht ik niet praten, alleen maar bidden. Ik kom uit een gewoon arbeidersgezin, maar voor de oorlog kwamen we niets tekort. Mijn ouders waren lieve, tevreden mensen. In de oorlog raakte mijn vader werkloos. Langzaam kwam er steeds meer honger in de stad. Er was nog wat goud in de familie en dat werd op het platteland geruild tegen wat eten. We deden alles wat we konden om de eindjes aan elkaar te knopen. Toen pas ontdekte ik hoe goed ik het voorheen had. Dat ik vroeger elke avond een toetje kreeg, leek me toen ineens onvoorstelbaar. Later, tijdens de Hongerwinter, heb ik zelfs tulpen gegeten.”

Vriendschap tijdens oorlog
“Thuis bij Jo in Oegstgeest in 1994. To links, Mia in het midden, Jo rechts.”

‘Met zijn drietjes in een twijfelaar’

“Omdat mijn vader dus zijn baan was verloren ging hij naar Limburg, waar wel werk was. Hij raakte bevriend met meneer Kleuskens, de vader van To en Mia. Ik werd uitgenodigd om daar te komen aansterken. Toen ik aankwam in Limburg, kreeg ik eerst wat te eten, want ik had vreselijke honger. Met Mia en To klikte het meteen. Het was alsof we met elkaar waren opgegroeid, zo vertrouwd voelde het. We hadden dezelfde humor en sliepen met z’n drietjes in een twijfelaar. Met al die kinderen in huis was het veel drukker dan ik gewend was; wij waren met ‘slechts’ vier kinderen thuis. Ik was stadser en directer: als ik iets wilde weten, vroeg ik het gewoon. Voor die tijd was ik best mondig, To en Mia waren wat bedeesder. Ik weet nog dat we soms met een kennis van hun ouders mee mochten naar Rotterdam. Dan dronken wij koffie en gaf hij brieven af. Later bleek dat hij in het verzet zat en dat wij zijn dekmantel waren, alsof hij met zijn dochters op stap was.”

Limburgse bonnen

“Door de oorlog zijn wij drieën bevriend geraakt en gelukkig hebben we het allemaal overleefd. Nog steeds ben ik soms bang voor oorlog en ik gooi nooit eten weg. Dat vind ik zo zonde. Ik ben de ouders van To en Mia nog altijd dankbaar voor hun hulp destijds. De voedselbonnen die we van hen kregen, deelden we met anderen. De hele straat heeft gegeten dankzij hun giften. We konden daardoor suiker, worst en groente halen, ook voor onze buurvrouw die alleen zat met vier kleine kinderen. Zonder de Limburgse bonnen hadden we die koude winter zonder eten waarschijnlijk niet overleefd. Ik ben blij dat de twee zussen nog altijd mijn vriendinnen zijn.”

Héle witte broden

To: “Nooit zal ik de bevrijding vergeten. De Engelsen hadden héle witte broden mee en deelden die uit aan de bevolking. Zulk wit brood hadden we nog nooit gezien en het smaakte verrukkelijk. We waren tijdens de bombardementen tijdelijk ondergebracht in een school. Toen we na de oorlog weer in ons eigen huis kwamen, lagen daar in de kelder wel een stuk of dertig mijnen die waren achtergelaten door de Duitsers. Onze vader haalde deze allemaal uit de kelder en liet ze in bommengaten in de buurt vallen. Deze waren gevuld met regenwater. Later maakten de Engelsen deze mijnen onklaar. Onze basisschool was in de oorlog gebombardeerd, die werd weer opgebouwd. In de tussentijd werd er lesgegeven in een huiskamer bij mensen thuis. Zo goed en zo kwaad als het ging, probeerden we het gewone leven weer op te pakken.”

Fijne jeugd

“Ondanks de oorlogsjaren kijk ik terug op een fijne jeugd in Limburg. Mijn zusje Mia en ik kwamen uit een warm gezin. Onze ouders hadden elf kinderen. Het was druk en gezellig thuis. Onze vader had een distributiecentrum tijdens de oorlog, hij verdeelde de voedselbonnen en hield bij wat de boeren op het land hadden. Onze moeder verzorgde het huishouden en de kinderen. Om zes uur stond ze op om het fornuis aan te maken met turf en kranten. Het was een zorgeloos leven, tot de oorlog begon.”

“Onze vader was in de tuin aan het werk toen hij in gesprek raakte met Jo’s vader. Hij had geen werk meer en werd in Limburg tewerkgesteld om De Peel te ontginnen. Hij vroeg om klusjes, zodat hij wat extra kon verdienen. Daarna kwam hij geregeld bij ons in de tuin werken en dan mocht hij altijd mee-eten. Algauw vertelde meneer Kloosterman dat hij vier kinderen in Vlaardingen had. En deze kinderen hadden honger, omdat er in het westen van het land minder te eten was. Het idee ontstond om de kinderen in Limburg op te vangen. Zo kwam het dat Jo in de zomer van 1944 haar schoolvakantie bij ons doorbracht.”

Hongersnood in het westen

“Jo vond het fijn dat ze bij ons goed te eten kreeg. Eten hadden we genoeg, omdat we in de tuin zelf groente en aardappelen verbouwden. Maar in het westen was er hongersnood, zeker in de winter die daarop volgde. Onze voedselbonnen hadden wij zelf niet nodig, dus die stuurde onze moeder naar Jo’s ouders in Vlaardingen. Na de oorlog schreef Jo’s moeder een brief aan mijn ouders. ‘Jullie hebben ons leven gered’ stond daarin. Ze was zó dankbaar voor die voedselbonnen. Elke dag kwam zij in de kerk en had ze de kisten gezien van mensen die waren omgekomen door de honger. Van de bonnen haalde ze bruine bonen die ze in water liet wellen. Ieder kind kreeg ’s morgens vijf bruine bonen die vol vezels en vitaminen zitten. Dat hield ze op de been.”

“De oorlog heeft voor een speciale band tussen ons gezorgd. Er is altijd dankbaarheid gebleven vanuit Jo en haar familie. Het klikte tussen ons en dat bleef zo. Natuurlijk was het druk toen we allemaal kleine kinderen hadden, maar verwaterd is het nooit. Vanuit een rotsituatie is een mooie vriendschap ontstaan en dat is heel bijzonder.”

Vriendschap sinds oorlog
“Het hele gezin Kleuskens, thuis in de woonkamer in America. Op de bovenste rij, tweede van rechts Mia. To op de onderste rij in het midden, niet zo lang na de bevalling van haar eerste kind.”

Duitse soldaten door de straat

Mia: “In november 1944 kwamen de Engelsen ons dorp binnen. Rijen achter elkaar reden hun rupsvoertuigen door America. Er klonk me toch ineens een gejoel door de straten. Mensen lachten, zwaaiden met vlaggetjes en namen gretig de chocolade aan die door de Britse soldaten werd uitgedeeld. Onze opa was ruim in de tachtig, maar stond uitzinnig aan de kant van de weg te zwaaien en te springen. Het was een groot feest. Ik weet ook nog hoe de oorlog begon. Dat er ineens allemaal Duitse soldaten door de straat liepen met paard en wagen. Onze moeder sloot de deuren, we mochten niet naar buiten. Ik was als achtjarige te jong om er een verwachting van te hebben. We wisten helemaal niet wat een oorlog betekende en hoe lang het kon gaan duren.

Dat Jo een paar weken bij ons in huis kwam, vond ik spannend en leuk. Wij waren wat dorpser, Jo kwam uit de grote stad en was wereldser. Dat vonden To en ik wel interessant. Jo sliep bij ons op de kamer. Dan kletsten we honderduit en kwam pap boos naar boven: ‘Stil zijn! Wij willen ook slapen!’ Natuurlijk giechelden we daarna nog verder. Het was een gezellige zomer.”

Samen schuilen

“Ons dorp America werd op twaalf oktober 1944 zwaar gebombardeerd. Met ons hele gezin moesten we schuilen, samen met de familie Beurskens. Dat gezin had acht kinderen en zij waren uit hun huis verdreven door de Duitsers. Pap ging op een zaterdagavond een brief posten en kwam dat gezin tegen. Ze stonden aan de spoorweg te huilen van wanhoop omdat ze niet wisten waar ze naartoe konden. ‘Het is hier toch al zo druk bij ons thuis, dus kom er maar bij,’ zei onze vader. Hij kwam binnen met al die mensen en riep tegen mam die pannenkoeken stond te bakken dat ze nog wat extra moest bakken.”

“Er is nu veel aandacht voor de bevrijding van 75 jaar geleden. Gisteren dacht ik nog: wat is er toen toch veel ellende geweest. Op het huis van onze buren viel een bom, zes gezinsleden waren op slag dood. Mijn moeder en ik kwamen uit de schuilkelder. Zij liep naar de greppel en tilde een puinstuk op omdat ze er iemand onder zag liggen. ‘Hij heeft een broek aan,’ zei ze. Toen wist ik dat het Fransje was, onze buurjongen. Wonderbaarlijk genoeg leefde hij nog. Als ik mijn ogen sluit, zie ik dat beeld haarscherp voor me.”

Een foto van ons samen

Met Jo zijn mijn zus en ik ook na de oorlog goed bevriend gebleven. Ik weet nog dat Jo een keer naar ons kwam liften. Liften was in die tijd ongehoord voor meisjes, maar zij deed dat gewoon. Wij mochten dat niet van onze ouders, maar toen we ongeveer zestien jaar oud waren, gingen wij ook liftend naar haar. Dat vonden we zo spannend. We trouwden alle drie en kregen kinderen. Met kerst krijgen we nog altijd een kaart van Jo en we bellen weleens. Op het vijftigjarig huwelijksfeest van To en haar man kwam Jo als verrassing binnen. En toen To’s man overleed, belde ze om haar te condoleren. ‘Wat zou het toch mooi zijn om elkaar nog één keer in levende lijve te zien,’ zei ze. Begin vorig jaar hebben we Jo gezien. We vielen elkaar in de armen en werden er allemaal emotioneel van. Dat we elkaar ooit nog zouden zien, hadden we niet verwacht. Op onze leeftijd is het niet vanzelfsprekend dat we alle drie nog relatief goed ter been zijn en mentaal nog gezond zijn. Steeds hielden we elkaars hand vast. En even waren we weer die meisjes van toen. Lekker babbelen en oude koeien uit de sloot halen. Het was ook bijzonder om weer samen te zijn voor deze fotoshoot. Nu hebben we een mooie foto van ons samen, daar ben ik heel blij mee.”

Tekst | Anne Broekman
Fotografie | Mariel Kolmschot

M10 Cover

Dit artikel is eerder verschenen in Margriet 10– 2020 Dit nummer terug lezen? Ga dan naar Magazine.nl.

Ook interessant