Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

Persoonlijk

Uyên vluchtte uit Vietnam: ‘Jarenlang had ik nachtmerries’

mkf-hr-m36-uyen-luu-gevlucht-vietnam-15.jpg

Uyên Lu vluchtte als zestienjarige uit Vietnam. Haar ontsnapping was levensgevaarlijk en traumatisch. Nu helpt ze als therapeut andere vluchtelingen.

“Het was dat jaar vroeg winter, toen ik in november 1980 met mijn zus aankwam in Nederland. Daar stonden we dan, in onze sandalen en dunne bloesjes terwijl het vroor. Er lag een laag ijs op de grond, glad en krakend. Ik wist niet wat dat was. De volgende dag had het gesneeuwd. De hele wereld was bedekt met een dikke, witte laag sneeuw. Het leek wel een deken. Prachtig, zoiets had ik nog nooit gezien. Maar hoewel het dikke pak sneeuw mooi was, vond ik het ook eng omdat ik nergens meer de straat kon zien. Hoe moest dat dan, als we weer moesten vluchten? Die gedachte bleef maar door mijn hoofd spoken. Ik zat echt nog in een vlucht-modus en kon die moeilijk loslaten.”

Slachtpartij

“Ik werd geboren in Hoi An, een mooie historische kustplaats. Mijn vader zat in het leger en mijn moeder deed handwerk om extra geld te verdienen. Thuis voelde ik me geliefd. Bijna op elke oude foto zie je dat mijn vader of moeder mijn hand vasthoudt. Toen ik zes maanden was, de Vietnam-oorlog was in alle hevigheid bezig, verhuisden we naar een legerplaats vlak bij Saigon. Een van mijn eerste herinneringen is dat ik als vierjarige kleuter het Tet-offensief van dichtbij meemaakte. Dit was een felle, onverwachte aanval van de Vietcong (Het Nationaal Front voor de Bevrijding van Zuid-Vietnam, red.) op ons leger. Plots klonk er een oorverdovend kabaal. We werden beschoten met kanonnen en moesten halsoverkop vluchten naar een schuilkelder. Buiten was het een slachtpartij. Toen we na een paar dagen weer naar buiten mochten, was alles verwoest. Ik zag afgebrande huizen en verschroeide bomen.”

Mijn lievelingsgedichtenbundels

“Op 30 april 1975 was de Vietnam-oorlog voorbij. Zuid-Vietnam had de strijd verloren en werd ingelijfd door het communistische noorden. Ik was toen elf jaar en hoopte heel naïef dat ons leven misschien beter zou worden door het communisme. Gelijkheid en solidariteit klonken mij goed in de oren, dus sloot ik me aan mij de communistische jeugdbeweging. Met een rode sjaal om mijn nek veegde ik de straten schoon en zong uit volle borst communistische liederen. Maar algauw merkte ik dat ik door de jeugdleiders werd gebruikt om informatie los te krijgen over mijn mannelijke familieleden, die als ex-militairen als staatsvijand werden beschouwd.”

“Ik moest goedmaken wat mijn ouders in de oorlog verkeerd hadden gedaan, werd mij gezegd. En dat niemand te vertrouwen was; zelfs goede vrienden of de buren konden je verraden als ‘anticommunistische volksvijand’. Mijn lievelingsgedichtenbundels moest ik op een grote stapel verbranden omdat ze niet bij de partijleer pasten. Als je huis door de staatspartij werd onderzocht en ze vonden zo’n ‘kapitalistisch’ boek, kon je naar een heropvoedingskamp worden gestuurd. De sociale controle was enorm, net als de indoctrinatie. Ik was altijd een spontaan kind en een flapuit geweest, maar hierdoor veranderde ik. Ik durfde bijna niets meer te zeggen en was altijd op mijn hoede. Door één verkeerd woord van mij kon mijn vader in de gevangenis belanden, dat besefte ik maar al te goed.”

Gevaar

“De situatie werd nog gevaarlijker toen Vietnam in oorlog raakte met China en Cambodja. Jongeren werden geronseld als kindsoldaat en mijn ouders waren bang dat dit ook met mij en mijn zussen zou gebeuren. ’s Avonds, in het donker op zolder, werden er fluisterend plannen beraamd om te vluchten. De gedachte om ergens naartoe te gaan zonder mijn ouders, zorgde ervoor dat ik het als zestienjarige Spaans benauwd kreeg. Maar een plek in een boot kopen was duur, mijn ouders hadden alleen het geld voor mij en mijn zeventienjarige zus. Ze wisten dat wij als kinderen van staatsvijand in Vietnam geen goede toekomst hadden. We werden als tweederangsburger behandeld. Dat de vlucht zou gevaarlijk worden, wisten we allemaal, maar mijn vader zei: ‘Ik stuur jullie de dood in, in de hoop dat er een mooi leven uit komt.’”

“Op een middag werden mijn zus en ik door onze gids opgehaald en naar een schuilplaats gebracht. ‘s Nachts gingen we op pad. Urenlang liepen we in het pikkedonker door de modderige rijstvelden. Ik kon niets zien en volgde de voetstappen die ik voor me hoorde. Het ging letterlijk met vallen en opstaan. Onderweg raakte ik mijn zus kwijt. Zachtjes riep ik haar naam, maar ik hoorde niets. Bij het water aangekomen werd ik met een kano naar de boot gebracht. Ik was doodsbang. Vluchten naar een onbekende bestemming was al eng, maar al helemaal in mijn eentje. Ik kon wel janken. Steeds meer mensen stapten in de boot en pas bij de laatste kano zat mijn zus. Wat was ik blij haar te zien. Huilend sloot ik haar in mijn armen. Goddank was ik niet meer alleen.”

Uitgeput

“Met honderdzestig mensen zaten we op een kleine houten vissersboot. De eerste uren waren we nog in Vietnamese wateren en konden we worden opgepakt. Of erger nog: aan flarden worden geschoten. Ik hield mijn adem in en durfde me amper te verroeren. Eenmaal in internationale wateren was het gevaar nog niet geweken, omdat we aangevallen konden worden door piraten. De omstandigheden op de boot waren gruwelijk. We hadden niets te eten of te drinken.”

“Ons was beloofd dat we dat aan boord zouden krijgen, maar dat was een leugen. Mijn zus en ik leefden op de vitaminesnoepjes die we van onze vader hadden gekregen. Er was te weinig ruimte om te liggen of te zitten, dus we zaten dagenlang gehurkt. Om ons heen huilden kinderen van de honger. Het rook er naar braaksel, omdat iedereen zeeziek werd. Door het gebrek aan slaap, voedsel en water raakten we verzwakt en uitgeput. Ik was een wrak. Urenlang staarde ik uit over de zee. Soms huilde ik, omdat ik mijn achtergebleven familie en vrienden al miste.”

De boottocht

“Drie nachten en vier dagen zaten we hutjemutje in de boot die, omdat de motoren waren uitgevallen, stuurloos op open zee ronddobberde. Op de vierde dag werden we opgemerkt door een Nederlands vrachtschip. Via een ladder klommen we aan boord. We werden in Singapore aan wal gezet. Een aantal landen zoals Australië, Canada, Nederland en Amerika wilden ons wel opnemen. Mijn zus en ik kozen voor Nederland, het land van het vrachtschip en dus van onze redders.” 

Lees ook:

Omyra (31) en Nadjla (29) vrezen voor hun familie in Afghanistan: ‘De machteloosheid vreet aan ons’

Geplaagd door twijfels

“Na onze aankomst in Nederland verbleven mijn zus en ik in een opvangcentrum in Heerde. We gingen naar een internationale schakelklas om de Nederlandse taal te leren. De andere leerlingen op school bekeken ons alsof we aapjes waren: met ons buitenlandse uiterlijk en tweedehands kleren zagen we er heel anders uit. Ik moest erg wennen aan de Hollandse directheid. Kinderen die hun ouders tegenspreken: dat is in Vietnam ongehoord. En ik weet nog dat ik op een verjaardag was en dat er appeltaart stond. De bedoeling was dat je zelf een stuk pakte, maar dat durfde ik helemaal niet. In de Vietnamese cultuur moet je iets aangereikt krijgen, dan pas neem je het aan. En ik moest erg wennen aan het eten met mes en vork.”

De eerste jaren in Nederland

“De eerste jaren in Nederland vond ik moeilijk. Ik had wel mijn zus, maar ik mist mijn ouders en broertjes en zusjes die ik had achtergelaten. Na twee jaar kwam ik bij een pleeggezin terecht. Het waren warme mensen en de gezinsstructuur van thuis eten en gezellig samen praten en tv-kijken deed me goed. Daardoor voelde ik me onderdeel van de Nederlandse maatschappij. Ik haalde mijn havodiploma en ging pedagogiek studeren. Ondertussen werd ik geplaagd door twijfels of ik Vietnam wel had moeten verlaten. Mijn vader zat namelijk in de gevangenis; hij was door het communistische regime opgepakt omdat hij zijn kinderen had helpen vluchten.”

“Mijn moeder stond er alleen voor met vier kinderen, en ik kon haar niet helpen. Daar voelde ik me schuldig over. Een studiereis naar Leningrad zorgde daarin voor een omslagpunt. Van het communistische regime in Vietnam kreeg ik altijd te horen dat Rusland het grote ideaal was. Over dertig jaar moest Vietnam er ook zo uitzien. Maar wat ik in Leningrad zag, deed me huiveren. Diepe armoede, veel politie met geweren op straat en mensen die uren voor de winkel in de rij stonden voor wat eten. Als dát het beoogde paradijs was, was ik dolblij dat ik het was ontvlucht.”

Niemand vertrekt vrijwillig

“In de jaren daarna bouwde ik steeds verder mijn leven op. Ik trouwde met Thuan, een Vietnamese jongen die ik tijdens het tafeltennissen in de vluchtelingenopvang had ontmoet. Bij hem vond ik herkenning. We hadden aan een half woord genoeg. Ook hij was gevlucht en miste zijn familie. We kregen twee kinderen en waren druk met onze banen. Ik werkte bij een grote verzekeraar en maakte promotie, toch bleef ik onzeker over mijn Nederlandse taalbeheersing omdat ik bijvoorbeeld bepaalde uitdrukkingen niet kende. Steeds was ik bang om te worden ontslagen. Om mezelf te helpen met mijn faalangst en andere trauma’s ben ik toen de studie psychosociale therapie gaan volgen. De boottocht zelf en de nachtelijke tocht waarbij ik mijn zus kwijtraakte zijn voor mij traumatiserend geweest. Jaren later had ik nog steeds nachtmerries. Dan droomde ik dat ik letterlijk in het duister tastte en mijn zus niet kon vinden, of dat we weer op de boot zaten. Zelfonderzoek en mijn studie hielpen mij helen, net als het schrijven van mijn boek Verborgen veerkracht, waarin ik uitleg waarom ik gevlucht ben. Hoe vaker je je verhaal vertelt, hoe meer de pijn slijt, is mijn ervaring.”

Andere vluchtelingen helpen

“Na mijn afstuderen negen jaar geleden begon ik mijn eigen coachingpraktijk. Hiermee krijg ik de kans om oorlogsslachtoffers en vluchtelingen te helpen bij het verwerken van hun trauma’s. Hun angst, boosheid en verdriet begrijp ik als geen ander. De beelden die je nu ziet van wanhopige bootvluchtelingen raken me enorm. Net als de foto van de verdronken Syrische peuter Aylan die viraal ging. Ik voel hun wanhoop. Sommige mensen zien vluchtelingen en denken dat het gelukszoekers zijn. Maar niemand laat vrijwillig zijn land, bezittingen en familie achter om met gevaar voor eigen leven naar een plek te gaan waar je niets of niemand kent. En hoe wanhopig moet je zijn om je kinderen in zo’n gevaar te plaatsen, in de hoop op een beter leven? Precies zoals mijn ouders hebben gedaan. Ik snap heel goed wat die mensen meemaken, en dat geeft hun rust en vertrouwen. In mijn ogen vinden ze begrip en empathie.”

Opgroeien in vrijheid

“Nog jaren na mijn vlucht droomde ik over Vietnam. Maar het echte missen is nu verdwenen. Hooguit verlang ik naar de zoetzure vissoep – elke regio heeft zijn eigen variant, maar die van mijn oma was het lekkerste. En soms mis ik de mensen en de taal. Daar loop ik over straat en val ik qua uiterlijk niet op. Ik ben een van hen. Hier is dat anders. Ik voel me vanbinnen Nederlands, net als in mijn denken en handelen. Maar buiten op straat word ik nog altijd gezien als een buitenlander. In het begin van de coronatijd werd me dat weer duidelijk. ‘Wuhan-Chinees!’ werd mij op straat toegeroepen. Dat vond ik heel pijnlijk.”

“Zulke mensen weten niet half hoe hard ik heb geknokt om mijn leven hier op te bouwen en wat ik aan onze samenleving bijdraag. Maar ik voel dat mijn leed van vroeger ruimschoots is gecompenseerd. Ik heb een fijn huis, een goed huwelijk, lieve vrienden met wie ik alles deel en ik ben blij dat mijn kinderen hier in vrijheid opgroeien. Dat is echt een cadeautje. Mijn ouders en al mijn broers en zussen leven nog en wonen veilig in Australië en Amerika. Ik heb zo veel mooie mensen mogen ontmoeten en anderen kunnen helpen. Mijn leven maakt me heel blij. Want ook ik kan het verschil maken. Ik mag er zijn.”

Tekst | Eva van Dorst-Smit, Anne Broekman
Fotografie | Mariel Kolmschot

Ook interessant