Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

Persoonlijk

Shohreh ontvluchtte Iran: ‘Ik moest toekijken hoe mensen werden opgehangen of gestenigd’

mkf-hr-mxx-shohreh-festhali-6.jpg

Toen die vrijheid Shohreh Festhali in Nederland, door de coronamaatregelen, deels werd ontnomen, bracht dat nare herinneringen naar boven. In één klap was ze weer terug in haar tienerjaren in Iran, waar ze van de ene op andere dag niets meer mocht.

“Ik ben geboren in Iran, in 1970. Ik had een zorgeloze kindertijd in het Perzië van sjah Mohammad Reza Pahlavi. Tót 1979, toen de Islamitische Republiek Iran werd uitgeroepen. Jong als ik was, kreeg ik al snel mee wat dat betekende. Op de basisschool kregen we vanaf dat moment les in de strenge islamitische wetten van onze religieus-fundamentalistische staat. Ook was het zeer belangrijk om de Arabische taal goed te beheersen. Sommige leraren zag ik van de ene op andere dag niet meer op school verschijnen. Ayatollahs, strenggelovige sjiitische geestelijken, namen hun plaats in voor de klas.”

“Overal werd gecontroleerd op naleving van de islamitische regels, op school én daarbuiten. Vooral voor vrouwen en meisjes veranderde er veel. Hoe jong we ook waren, we mochten niks meer. Geen make-up, geen normale kleding. Mijn kleding mocht niks van mijn lichaam onthullen, dus droeg ik een vormeloos lang gewaad. Rennen betekende stokslagen, want rennen zou mijn nog nauwelijks aanwezige borsten kunnen laten bewegen. Ook lachen in het openbaar mocht niet meer of in de ogen van een man kijken tijdens een gesprek. Sowieso was elk contact met het andere geslacht uit den boze. Een vrouw, hoe jong ook, mocht niet eens met een man of jongen práten, behalve binnen haar eigen familie.”

Tienerjaren in Iran

“Er hing continu straf boven mijn hoofd. Buiten waren razzia’s en openbare executies aan de orde van de dag om hen die ongehoorzaam waren te vervolgen. Ik moest geregeld toekijken hoe mensen werden opgehangen of gestenigd. Ook werd er op een dag een vriendinnetje van school meegenomen naar het politiebureau. Ze was verliefd geworden op een jongen en dat was wederzijds. Via briefjes hadden ze stiekem contact gehad, maar iemand moet hen hebben verlinkt. Voor straf kreeg ze tweehonderd zweepslagen. Telkens als zij door de helse pijn haar bewustzijn verloor, stopten ze. Zo duurde haar straf wéken, omdat ze alles bij volle bewustzijn moest ondergaan. Deze voorvallen zorgden ervoor dat wij meisjes heel voorzichtig waren. Dus geen muziek luisteren, niet lachen. En dan was er ook nog die vreselijke avondklok sinds de machtsovername. Ik weet nog als de dag van gisteren dat mijn buurjongetje Omid van negen werd doodgeschoten. Hij was na acht uur slaapwandelend de straat op gelopen en zonder pardon geëxecuteerd.”

Maanden op de vlucht

“Het klinkt bijna onmogelijk, maar intussen ging het gewone leven door. Ik trouwde jong, zoals dat hoorde, en studeerde Wiskunde aan de universiteit. Mijn inmiddels ex-man had een boekhandel. Salman Rushdies boek De duivelsverzen was net verschenen en dat had de woede van Khomeini gewekt. Hij had het boek meteen verboden en aan de schrijver de fatwa verklaard, wat betekende dat Rushdie door elke islamiet mocht worden gedood. Niettemin besloot mijn man om het boek toch heimelijk te verkopen. Hij riskeerde daardoor ook zelf te worden geëxecuteerd als dit aan het licht zou komen. Ik had het daar moeilijk mee. Die stress hing altijd in de lucht en niet ten onrechte, want uiteindelijk werd hij verlinkt en moesten we van ene op andere nacht vluchten. Ik was toen pas 22. Het werd een barre en gevaarlijke tocht die maanden duurde. Ik kan er niet veel over vertellen, want er zijn nog steeds mensen afhankelijk van deze vluchtroute en ik wil hen niet in gevaar brengen met mijn verhaal. Uiteindelijk arriveerden we per trein in Maastricht. Uitgeput, maar veilig. Die veiligheid had ik al jaren niet meer ervaren.”

“Na aankomst sprak ik op straat meteen twee politieagenten aan, want dat leek me de meest logische stap. ‘Excuse me, we are refugees,’ zei ik. Een van hen, een vrouwelijke agente, antwoordde verrast dat ik dan wel een blije vluchteling was. Kennelijk was het te zien dat alle angst van mijn schouders af was gevallen. Ik straalde van blijdschap. We werden naar het politiebureau geleid, waar de agente ons een patatje toeschoof. Na al die stress en onzekerheid smaakte dat zó lekker. Dat frietje kwam precies op het juiste moment.”

Gevoel van vrijheid

“Nederland bleek het land van mijn dromen. In het asielzoekerscentrum was iedereen ontzettend vriendelijk en gastvrij. Ik mocht anderen gewoon recht aankijken en het viel me op dat de mensen er zo veel glimlachten. Mannen en vrouwen mochten gewoon met elkaar praten. Iedereen was gelijkwaardig en behulpzaam. Ik kon dragen wat ik wilde. Geen hoofddoek meer. Mijn haren liet ik eindelijk zichtbaar loshangen. Elke dag deed ik een klusje in de tuin of keuken om zo twee gulden te verdienen, die ik in de kringloopwinkel op het centrum kon uitgeven. Zelf uitzoeken wat ik wilde dragen, een handtas of truitje, het voelde hemels. Ik nam mij dankbaar voor ooit een boek te schrijven: The lovely Dutch.”

“Altijd had ik al gevoeld dat ik in Iran iets wezenlijks was kwijtgeraakt. Had ik een gevoel van heimwee naar iets wat ik me bijna niet meer kon herinneren. In Nederland vond ik het weer: vrijheid. Met die vrijheid kwam ook mijn kinderwens.”

Lees ook:

Omyra (31) en Nadjla (29) vrezen voor hun familie in Afghanistan: ‘De machteloosheid vreet aan ons’

“In Iran had ik die wens nooit gevoeld. Ik vond het geen leven, zeker niet voor meisjes. Maar hier in Nederland kreeg ik twee dochters: Elsa en Mona Lisa. Aan hen heb ik een jeugd kunnen bieden in alle vrijheid. Zij hebben met volle teugen genoten van hun kindertijd en ik genoot indirect met hen mee. Schoolreisjes, zingen in de klas, verjaardagsfeestjes… Ik liet hen zelfs als pubers lekker vrijuit dansen in de disco tot hoe laat zijzelf wilden. Geen restricties. ‘Bel mij maar op als ik je moet komen halen,’ zei ik dan.”

Ultieme vrijheid

“Die ultieme vrijheid heb ik altijd een kostbaar iets gevonden. Dat heb ik mijn meiden ook geleerd. ‘Wees dankbaar voor alles wat hier mag en kan, dat is niet vanzelfsprekend.’ Daarom reageerde ik zo geschrokken toen vorig jaar in ons vrije Nederland opeens strenge coronamaatregelen werden ingevoerd. ‘We zijn in oorlog tegen een onzichtbare vijand’, las ik in de krant. Pijnlijke beelden op televisie van dode lichamen in de straten van Italië. Militairen die surveilleerden om mensen binnen te houden…”

“In diezelfde periode werden er in de kantine van mijn werk waren pijlen op de vloer geplakt, die aangaven hoe iedereen moest lopen. Een rood-wit markeerlint sneed de rest van de ruimte af; dat was verboden terrein geworden. Plexiglas platen hingen tussen de tafels om direct contact tussen medewerkers te voorkomen. En bij de koffiecorner hing op ooghoogte een A4’tje: ‘Niet toegestaan om samen bij de koffieautomaat te staan.’ Ik zag het allemaal met ongeloof in mijn ogen aan. ‘Doorlopen via deze richting’. ‘Houd afstand!’. ‘Niet samen in de lift’… Door al deze regels was ik in een klap terug in mijn geboorteland Iran en kwamen mijn jeugdtrauma’s in alle hevigheid naar boven.”

Moeite met de maatregelen

“Ik ben niet de enige vluchteling die grote moeite heeft gehad met alle maatregelen. Ik ken een Iraanse man die het mondkapje niet verdroeg. Bij wijze van straf moest hij in Iran ooit twee maanden in een kist liggen. Twee keer per dag mocht hij er even uit, maar altijd met een doek om zijn mond. Nu koos hij ervoor om liever niet naar buiten te gaan dan ooit nog iets voor zijn gezicht te moeten dragen. Ik kan hierin meevoelen. In Iran heb ik ooit in het pikkedonker buiten in de tuin stiekem mijn hoofddoek afgedaan. Vijf minuten slechts. Maar dat ik even in de buitenlucht kon zijn, zonder dat iemand zei dat ik mijn gezicht moest bedekken, had iets magisch.”

“De tweede week van de lockdown kwam mijn volwassen dochter bij mij langs. Aan de deur zei ze: ‘Mam, ik moet afstand van je houden, ik wil je geen corona geven.’ En dat terwijl ik juist voor onze liefde leef; dat is voor mij het meest dierbare wat er is. De angst die hiertussen een wig kan drijven, zoals in mijn jeugd, heb ik voor altijd willen wegduwen. ‘Jij bent niet verantwoordelijk voor mijn gezondheid,’ zei ik haar toen. ‘Onze liefde en warmte mag niemand van ons afnemen. Kom binnen, schat.’”

‘De kramp van de beperkingen is er een beetje af’

Gelukkig is de kramp van de beperkingen er een beetje af. De boog die we om elkaar heen maken voelt al minder angstig. Dat vrije Nederland, dat mij elke dag weer een gelukkig gevoel gaf, komt langzaam weer terug. Het kan zijn dat het nooit helemaal meer hetzelfde wordt. Maar de behoefte van ieder mens om gelukkig en vrij te zijn is heel sterk, die komt altijd naar boven. Ik kan persoonlijk niet wachten. Ik snap dat ik waarschijnlijk anders dan een gemiddelde Nederlander aankijk tegen die vrijheid. Maar we hunkeren er allemaal naar. Ik zie mijzelf graag weer heerlijk met mijn meiden op een terras zitten. Gelukkig heb ik door de lockdown wel de tijd gevonden om aan mijn autobiografische roman, Gesluierde jaren, te werken. Een boek waardoor iedereen die het leest nóg meer waarde zal hechten aan een vrij leven.”

Tekst | Eva van Dorst-Smit, Anne Broekman
Fotografie | Mariel Kolmschot

Ook interessant