Persoonlijk

Selma overleefde een concentratiekamp: ‘Ik kroop door het oog van de naald’

selma-overleefde-een-concentratiekamp-ik-kroop-door-het-oog-van-de-naald.jpg

De Joodse Selma van de Perre (97) zat in de Tweede Wereldoorlog in het verzet. Selma werd opgepakt en overleefde het concentratiekamp Ravensbrück. Over haar ervaringen schreef ze het boek ‘Mijn naam is Selma’.

“Nog altijd als ik niet kan slapen, denk ik aan mijn familie. Dan denk ik aan hun laatste momenten voor ze werden vergast. Wat hebben ze moeten doormaken? Ik kan het ze niet meer vragen en daarom blijft het door mijn hoofd spoken.”

Sterke wil en doorzettingsvermogen

“Ik groeide op in een liberaal, Joods gezin met twee oudere broers en een jonger zusje. Mijn moeder was een lieve, zachtaardige vrouw die ons na school opwachtte met melk en koekjes. Mijn zusje Clara leek erg op haar. Ik leek vooral op mijn vader.”

“Zowel qua uiterlijk als karakter: hij had een sterke wil en veel doorzettingsvermogen, net als ik. Mijn vader was artiest en werkte als presentator, zanger en acteur. Hij dronk veel, dat was soms lastig. Maar hij was een lieve vader en ik hield ongelooflijk veel van hem.”

Wisselvallig inkomen

“Ik was een gelukkig meisje met veel vriendinnen en speelde graag buiten. Het inkomen van mijn vader was erg wisselvallig: soms had hij veel succes en woonden we in een prachtig huis, en soms had hij geen werk en hadden we amper een cent te makken.”

“Ik heb altijd gedacht dat dit mij later heeft geholpen in de oorlog: ik nam alles zoals het kwam en paste me heel gemakkelijk aan. Maar een onzeker leven als artiest heeft mij nooit getrokken. Ik droomde van een baan bij de Bijenkorf.”

Antisemitische regels

“Ik had veel katholieke en protestantse vriendinnen en ík was toevallig Joods. Nooit was dat een issue geweest, tot de Duitsers kwamen. Toen de Duitsers in mei 1940 Nederland binnenvielen, schrok ik enorm. Ik wist dat er in Duitsland nare dingen met Joden gebeurde, maar mijn familie was zó Hollands. Ik voelde me niet heel Joods en we waren thuis niet religieus.”

“Maar langzaam kwamen er steeds meer antisemitische regels. Zo mochten Joden niet meer met het openbaar vervoer of naar het zwembad of de bioscoop. In mei 1942 werd het verplicht om een Jodenster te dragen. Ik haatte dat ding, omdat het bevestigde dat ik ‘anders’ was. Vaak hield ik mijn tas voor de ster, zodat niemand ’m zag.”

concentratiekamp overleefd

Selma met haar ouders en David (13, liggend) en Louis (15) in 1926. Selma is hier vier of vijf jaar.

Werkkamp

“Mijn vader kreeg in oktober 1942 een oproep dat hij zich moest melden om naar een werkkamp te gaan. Met de kennis van nu is het ongelooflijk, maar wij geloofden echt dat hij ergens ging werken. Bovendien werd er gezegd dat als een man zich zou melden, de vrouw en kinderen vrijstelling zouden krijgen.”

“En dus ging mijn vader. Het afscheid was niet eens heel emotioneel. Ik gaf hem een kus en zei ‘dag’, alsof hij op reis zou gaan. Had ik toen geweten wat ik nu weet, dan had ik hem natuurlijk nooit laten gaan. Maar de nazi’s hebben het zo slim aangepakt. Met leugens werden we kalm gehouden, terwijl we naar de slachtbank werden geleid.”

Razzia

“Op de dag dat mijn vader naar Westerbork vertrok, vond er een razzia plaats in ons appartementengebouw. Ik hoorde de zware laarzen van de Duitsers op de trappen dreunen, terwijl Joodse buren uit hun huis werden gehaald. Gek genoeg werden wij met rust gelaten, maar dit voorval gaf me een onbestemd gevoel.”

“Een paar weken ervoor vertelde een Joodse vriendin mij dat zij ‘wegging’, oftewel: ging onderduiken. Dat bracht me op het idee om ook een onderduikadres voor mezelf, mijn moeder en mijn zusje te zoeken. Mijn broers zaten toen al relatief veilig in Engeland. Normaal gesproken nam mijn vader alle beslissingen, maar nu deed ik dat. Ik was twintig jaar en voelde dat ik op dat moment van kind naar vrouw ging. In één klap werd ik volwassen.”

Veiligheid

“Via een bevriende verzekeringsagent, die contacten had met het verzet, vond ik een onderduikadres voor mijn moeder en zusje in Eindhoven. Voor mij was daar geen plek, dus ik bleef alleen achter in Amsterdam. Uiteindelijk kwam ik in Leiden terecht, bij Antje en Mien in huis.”

“Beide vrouwen werkten in het ziekenhuis en zaten in het verzet. Mijn mazzel was dat ik er niet Joods uitzag: ik had grijsgroene ogen, een lichte huid en bruin haar. Ik blondeerde mijn haren en kreeg een vals persoonsbewijs met een andere naam. Ik was blij met die valse naam, want die gaf me veiligheid.”

concentratiekamp overleefd

Het voorlopig identiteitsbewijs van Selma, van de ”Repatriëringsafdeling de Nederlanden”. Met daarop de aantekening kleur ogen: marron Clair.

“Angst went”

“Bij Antje en Mien leerde ik Leidse artsen kennen die in het verzet zaten. Zo ben ik er ook ingerold. Ik hoorde van deze artsen dat er een tekort was aan jonge mensen in het verzet: vooral jonge meiden werden minder snel door de bezetters gewantrouwd. ‘Kan ik misschien helpen?’ bood ik aan. Ik vond dat het verzet zo veel deed om anderen te helpen, daar wilde ik een steentje aan bijdragen.”

“En ik vond het fijn om iets tegen de nazi’s te doen, want daardoor voelde ik me minder machteloos. Tegelijkertijd besefte ik amper waar ik aan begon. Ik deed vooral koerierswerk voor het verzet. Door heel Nederland reisde ik per trein en fiets met illegale nieuwsbrieven, geld, voedselbonnen en valse persoonsbewijzen. Natuurlijk was ik weleens bang. Maar het gekke is: angst went. Je kunt niet continu bang zijn.”

“Ongelooflijk dat ik dat heb gedurfd”

“Voor mij voelde het verzetswerk op den duur gewoon als een baan, net zoals je naar kantoor gaat. Toch had ik in die tijd vaak last van buikpijn, puur van de stress. Eén keer ben ik echt heel angstig geweest. Ik stapte in Leiden uit de trein met een koffer vol papieren, waaronder het illegale verzetsblad De Vonk.”

“Er was een grote controle op het station en van een Duitse soldaat moest ik de koffer openmaken. De papieren zaten verpakt en gelukkig hoefde ik die niet te openen. Ik mocht doorlopen. Mijn hart klopte in mijn keel. Als ik daar nu op terugkijk, denk ik: ongelooflijk dat ik dat heb gedurfd.”

Ondergedoken in de gevangenis

“Op 18 juli ging ik langs bij Bob, mijn contactpersoon in het verzet. Maar juist op dat moment werd hij opgepakt en omdat ik bij hem in huis was, werd ik ook gearresteerd door de Duitse agenten. Ik werd meegenomen en verhoord. Ik hield vol dat ik een onschuldige vriendin was die toevallig langskwam. Ik speelde mijn rol en keek onbezorgd en glimlachend rond, ook toen ik door de SS werd ondervraagd.”

“Ondertussen was ik als de dood dat ze mijn papieren extra grondig zouden checken en erachter zouden komen dat ik een Jodin was, in plaats van de Arische Marga van der Kuit, wat mijn schuilnaam was. Gelukkig werd ik geloofd wat betreft mijn identiteit. Wel kreeg ik het vonnis dat ik de rest van de oorlog als politiek gevangene vast kwam te zitten. Dat was voor mij een opluchting: ik zat nu als het ware in de gevangenis ondergedoken. Bizar, maar dat redde mijn leven.”

concentratiekamp overleefd

Selma bij haar onderduikadres aan de Oude Singel in Leiden, mei 1943.

Vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück

“Eerst belandde ik in kamp Vught. Niemand wist daar mijn echte naam, ook mijn vriendinnen daar niet. Na ongeveer twee maanden werd ik overgeplaatst naar vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück in Duitsland. Twee dagen lang zat ik met andere vrouwen in een wagon. Ik schrok toen we eindelijk aankwamen.”

“We werden opgewacht door nazi’s met grote honden en zwepen. ‘Schnell!’ schreeuwden ze. Het was een enorm kamp. Grauw; de vloer was bedekt met as en alles was zwart. De andere gevangenen waren uitgehongerd, zag ik. Een groot verschil met Vught, waar we nog redelijk werden behandeld.”

Water met gras

“Wat me vooral van Ravensbrück is bijgebleven, is de wagen die elke dag langsreed en waarop de lijken werden gestapeld. Dat beeld zie ik soms nog steeds in mijn dromen. Ik werd ingedeeld in de Siemens-barak, voor vrouwen die voor fabrikant Siemens werkten. Elke ochtend stonden we om vijf uur op en kregen we slappe koffie met een heel dun sneetje droog brood. Daarna werkten we zonder pauze twaalf uur achter elkaar. ’s Avonds kregen we soep: water met wat sprietjes gras.”

“Ik was graatmager en had continu diarree. Maar ik wilde niet naar de ziekenboeg worden gestuurd, want daar kwam niemand levend uit. Toch ben ik uiteindelijk doodziek van de difterie naar een arts gegaan, die mij weer op de been kreeg met aardappelpuree met wortelen. Ik ben toen door het oog van de naald gekropen. Maar ik hield vol. Ik wilde de nazi’s niet het genoegen geven dat ik zou sterven. Mij krijgen ze niet, daarvan was ik overtuigd.”

“Op dat moment besefte ik dat ik echt was bevrijd”

“Soms dacht ik aan mijn familie. Via mijn contacten wist ik dat mijn moeder en zusje waren opgepakt op hun onderduikadres. Over mijn vader wist ik niets en ik hoopte maar dat mijn broers nog veilig waren. Ondertussen hoorden we steeds meer geruchten over een aanstaande bevrijding. Op een ochtend moesten ineens alle Nederlandse en Belgische vrouwen op appèl staan en het kamp uitlopen.”

“Ik dacht dat we zouden worden doodgeschoten of vergast. Maar buiten het hek stond een Zweedse vertegenwoordiger van het Rode Kruis. Hij bood ons chocolade en sigaretten aan. Toen ik er eentje wilde opsteken, snauwde er vanuit een raam een bewaakster naar mij: ‘Nicht rauchen, Marga!’ Ik schrok, maar de Zweed zei: ‘Niet naar haar luisteren, zij heeft niets meer over je te zeggen.’ Op dat moment besefte ik dat ik echt was bevrijd.”

Lees ook: Leonieke: ‘Na 17 jaar kon mijn dochter voor het eerst praten’

Een nieuw leven

“Terug in Nederland kon ik mijn draai niet meer vinden. Ik had geen huis of familie om naar terug te keren. Mijn broers leefden nog, maar zaten in Engeland. Via de Sociale Dienst las ik een lijst van vermoorde Joden. En daarop stonden de namen van mijn moeder en zusje die waren vergast in Sobibor. Ik was kapot van verdriet, eindeloos heb ik gehuild.”

“Later kwam ook het nieuws dat mijn vader dood was. Hij bleek in Auschwitz meteen na aankomst te zijn vermoord. Ik vertrok naar mijn broers in Engeland om daar een nieuw leven op te bouwen. Dat was niet makkelijk. Zeker de eerste vijf jaar heb ik me erg eenzaam gevoeld.”

Nederlandse verzetsherdenkingskruis

“Over mijn oorlogservaringen kon ik niet praten; niemand vroeg ernaar en destijds wist men in Engeland niets over concentratiekampen. Ik trouwde, kreeg een zoon en werkte als docent en journalist. In 1983 kreeg ik het Nederlandse verzetsherdenkingskruis, een onderscheiding voor mensen die in het verzet zaten.”

“Dat kwam in de krant en toen ging het balletje rollen. Ik werd gevraagd om toespraken te houden over mijn tijd bij het verzet en in Ravensbrück. De eerste keer dat ik dat deed, kneep mijn keel dicht van de emoties. Maar de presentaties hebben me enorm geholpen om erover te praten. Eerst mocht dat niet, nu móést ik wel.”

Boek

“Een neef zei tegen mij: ‘Schrijf je verhaal nou op, jij bent de enige overlevende in de familie.’ Ik maakte wat aantekeningen en vanaf 2003 werkte ik op de computer aan mijn manuscript. Soms kon ik er niet aan werken omdat ik er te emotioneel van werd. Dan liet ik het schrijven maanden liggen. Maar ik wilde zo graag dit boek schrijven. Zo veel mensen hebben goede dingen in het verzet gedaan, dat moet bekend worden.”

“En ik vind het belangrijk dat de wereld weet wat er in Ravensbrück gebeurde. Joodse kampen als Auschwitz en Bergen-Belsen zijn veel bekender, maar ook in Ravensbrück zijn ontzaglijk veel mensen gestorven. Ik ben nu zevenennegentig en ben ontzettend blij dat mijn boek wordt gepubliceerd voor ik sterf. Dit is mijn nalatenschap. Hopelijk hebben we iets geleerd van de geschiedenis. In mijn toespraken hamer ik altijd op verdraagzaamheid. Maak geen ruzie, want daar komt oorlog van. Zo moeilijk moet dat toch niet zijn?”

Tekst Anne Broekman

Fotografie Chris van Houts

Artikelen van Margriet ontvangen in je mailbox? Schrijf je in op margriet.nl/nieuwsbrief

Dit artikel verscheen eerder in Margriet 2020-02. Je kunt deze editie nabestellen via Magazine.nl.

Ook interessant