Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

Persoonlijk

Schrijver Robert Vuijsje: ‘De tijd van fijne naïviteit is voorbij’

schrijver-robert-vuijsje-de-tijd-van-fijne-naiviteit-is-voorbij.jpg

Het heeft iets wijsneuzerigs en ijdels om je te mengen in het publieke debat over racisme, maar schrijver Robert Vuijsje doet het toch. “Maar word ik uitgenodigd als zogenoemde BN’er, dan vind ik dat ver-schrik-ke-lijk.”

De afgelopen zes jaar interviewde Robert Vuijsje driehonderd landgenoten over hun afkomst en welke rol die speelt in het dagelijks leven. De interviews verschenen in de Volkskrant en nu is er het boek met de prikkelende titel Maar waar kom je écht vandaan? waarin honderd van de driehonderd publicaties zijn opgenomen.

Robert Vuijsje

Schrijver en journalist Robert Vuijsje zit tegenover me, het vuistdikke boek ligt tussen ons in. Achter Robert raust een rode kater nogal aandachtsvragend door de woonkamer. We zijn thuis bij de stylist, in coronatijden gaan fotoshoots tenslotte net iets anders dan normaal. Voor ons vandaag geen fotostudio in hartje Amsterdam, maar fotograferen op de straten van IJburg. Althans, als die regen nou eens ophoudt met kletteren tegen de ramen.

Je maakte honderden verhalen over de Nederlandse identiteit. Als interviewer kreeg jij geregeld te horen: ‘Wat goed dat jij, als witte Nederlander, je hier zo voor interesseert.’ Of ze merkten op: ‘O ja, het komt natuurlijk door je zwarte vrouw, daarom ben jij hier zo mee bezig.’

“Ik zei dan voorzichtig: nou euh, mijn halve familie is uitgemoord in dit land, vanwege hun afkomst, net als meer dan driekwart van de mensen zoals ik en dat gebeurde 25 jaar voordat ik werd geboren – daarom ben ik van huis uit geïnteresseerd in de vraag hoe mensen met elkaar samenleven.”

Jouw Joodse achtergrond was niet bij iedereen bekend?

“Kennelijk niet. Dan werd gevraagd waar ik écht vandaan kwam. Mijn debuutroman ging over een Jood die eruitziet als een Marokkaan. Het was geen toeval dat ik daarover schreef. Maar soms wist men mijn achtergrond wel, wat het nog erger maakt, denk ik. Daarmee leek er een soort wapenwedloop te ontstaan tussen de Holocaust en slavernij. In sommige zwarte kringen wordt gedacht dat er een te grote nadruk op de Joodse geschiedenis ligt. Een herdenkingsdag als 4 mei heeft een landelijk karakter, terwijl je in schoolboeken minder leest over slavernij.”

“Ik vond het vooral frappant als mensen die een scherp oog hadden voor hun eigen uitsluiting tegelijkertijd zoiets onnadenkends zeiden. Mijn reactie had moeten zijn dat ik als Jood overal tussenin zit. Wij horen nergens bij, niet eens bij de andere minderheden, en dat ik daarom denk de verhalen uit het boek heel goed te begrijpen.”

Jouw boek is onmisbaar voor wie het moderne Nederland wil begrijpen, stelt de uitgever.

“Ha. Onmisbaar is een groot woord, maar het boek helpt bepaalde dingen te begrijpen. Het helpt om te lezen over zo veel verschillende zienswijzen. Er blijkt een maatschappelijke interesse voor. Bovendien bevatten de meeste interviews min of meer entertainmentachtige details. Het vormt daarmee allesbehalve saai huiswerk.”

Tijdens welke interviews werd je het meest geraakt? Wat deed jou huilen?

 “De verhalen over verstoorde familiebanden. Rapper Boef interviewde ik in de fase waarin heel Nederland over hem heen viel omdat hij zich onaangepast gedroeg. In het interview vertelde hij hoe hij zonder ouders naar Nederland was gekomen. De moeder die hem had geadopteerd, overleed toen hij jong was. Zonder opvoeders zelf voor je geld moeten zorgen, in dat licht was zijn gedrag misschien minder gek.”

“Rapper Fresku vertelde over zijn vader uit Curaçao en zijn moeder uit Brabant. Fresku woont zijn hele leven al in Eindhoven. Toen hij ouder werd, hoorde hij hoe zijn moeders kant van de familie niet enthousiast was geweest toen zij met een zwarte man thuiskwam. Dat resulteerde voor Fresku in een zwaar dubbel gevoel: de familie die jou liefheeft is tegelijkertijd tegen andere zwarte mensen.”

“Enerzijds wilde Fresku erbij horen, anderzijds voelde hij er nooit bij te zullen horen. Dat raakte me heel erg omdat ik het herken. Ik woon mijn hele leven al in Amsterdam, ik houd van die stad. Maar in datzelfde decor zijn in de Tweede Wereldoorlog dingen gebeurd die heel heftig zijn en suggereren dat mensen zoals ik er niet bij horen.”

De interviewserie liep zes jaar, afgelopen september sloot je af met Khadija Arib. Merkte je in de jaren een verandering in openheid?

“Heel erg. Meer dan eens had ik het gevoel dat mensen niet openlijk durfden te praten, omdat ze dachten dat het hun carrière zou schaden. Ze wilden niet overkomen als probleemgeval, als iemand die zeikt. Mensen die drie, vier jaar geleden heel voorzichtig waren en niet geïnterviewd wilden worden over hun ervaringen, spreken er nu vrijelijk over in de media. Dat juich ik toe.”

Strafrechtadvocaat Natacha Harlequin benaderde jou persoonlijk.

“Dat klopt, drie jaar geleden. In het interview zei ze: ‘Wat ik in Nederland mis: meisjes met mijn kleur die zichzelf kunnen terugzien op tv. Ze komen daar alleen om te praten over muziek of mode of omdat ze wel of niet iets te klagen hebben over racisme. Er wordt gezegd dat ze er niet zijn. Nou, hier ben ik. Ik kom niet om een dansje te doen, maar om te praten over de inhoud van mijn vak. Die kaartenbak mag wel wat worden uitgebreid.’ Drie weken na het interview zat ze bij Margriet van der Lindens M om over strafrecht te praten en inmiddels is ze een veelgeziene gast in gesprekken over dit onderwerp.”

Hoe kijk jij terug op het afgelopen bewogen jaar?

“De aanleiding voor de gesprekken en discussies over identiteit is een trieste: we herinneren ons allemaal een aantal gebeurtenissen in Amerika met als ‘druppel’ George Floyd. Het afschrikwekkende filmpje dat veel te lang duurde en waarin we voor onze ogen iemand vermoord zagen worden. Zijn dood ontketende een kettingreactie. Ook in ons land voelde het dichtbij, als een herkenbaar toneel, en demonstreerden duizenden mensen tegen antizwartgeweld en discriminatie. De frictie en onrust over alles wat door Black Lives Matter in gang wordt gezet draait allemaal om ongemak over de verandering. De verhalen en gebeurtenissen zijn hetzelfde, alleen worden ze nu getoetst aan een bredere en diverse standaard.”

“Een van de redenen waarom ik in 2014 begon met de interviews was dat ik de gemiddelde lezer van de Volkskrant, in mijn ogen de hoogopgeleide witte Nederlander, op de hoogte wilde stellen van zaken die ik hoorde in mijn omgeving: de etnische profilering, zelfs al bij kinderen, in de vorm van een onterecht laag schooladvies.”

“Ik begeef me net zo vaak in zwarte als in witte kringen. In de witte kringen reageerde men vaak verbaasd op zulke verhalen. Zo’n patroon in het systeem dat institutioneel racisme aantoont, bestond zoiets echt? Werd een wit kind écht vaker vwo geadviseerd dan een zwart kind met dezelfde rapportcijfers? Het is een van de voorbeelden uit de interviews. Door de lezer hier steeds opnieuw van op de hoogte te stellen, hoopte ik dat ze het verkeerde patroon zouden zien.”

Wat vind jij belangrijke ontwikkelingen?

“Dat diversiteit het nationale gespreksonderwerp werd. Dat niemand nog met droge ogen kan beweren dat ze nooit van etnische profilering hebben gehoord. Dat men nu het woord ‘wit’ gebruikt in plaats van ‘blank’, omdat ‘blank’ in politiek bewuste kringen een onaangename bijklank heeft, alsof het voor onbesmet staat. Ik verbeter mensen niet als ik ze het woord ‘blank’ hoor gebruiken. De oudere generatie is er vaak mee opgegroeid. Hoogstens leg ik ze uit dat het woord een beetje gedateerd is, net als het woord ‘homofiel’. Dat gebruiken we ook al een hele poos niet meer.”

Je hebt twee zonen. Waarover gaan de gesprekken aan de keukentafel?

“O, over alle heel normale dingen die bij hun leeftijd horen. Dat ze naar mijn mening te lang en te lui op de bank hangen. Dat ze veel te veel op social media zitten. De jongste, Samuel, is tien. Als ik hem zijn gang laat gaan, zit hij urenlang op zijn tablet. Sonny, de oudste, is dertien. Hij ziet er ouder uit en heeft, zoals ze het in de volksmond noemen, de looks van een Marokkaan – net als ik op zijn leeftijd.”

“Hij komt op de leeftijd waarop hij vragen gaat stellen: waarom reageren mensen anders op mij dan op mijn blonde vriend? Waarom word ik, als ik naar een buurtfeestje een capuchon over mijn hoofd draag, apart genomen met de opmerking: ‘Doe je rustig, we willen vanavond geen problemen’?”

“In het voorwoord van mijn boek vertel ik over een gebeurtenis waarbij Sonny speelde op de steiger recht achter het huis en de buurman, die hem aanzag voor een inbreker, een luchtbuks op hem richtte en zei: ‘Jij hoort hier niet.’ Ik schrok enorm toen dat gebeurde. De tijd van fijne naïviteit is duidelijk voorbij. Dan leg ik mijn zoon uit waarom personen iets kunnen denken als ze hem zien. Waarom ik vind dat hij niet over straat moet met capuchon op. Maar eigenlijk voelt elke uitleg stom en cru, alsof ik zeg dat hij zichzelf niet mag zijn.”

Robert vertelt dat hij soms niet weet waar hij goed aan doet. In elk geval wil hij zijn kinderen beschermen tegen aannames. Nu zijn laatste interview in de serie is geplaatst, rijst de vraag: wat nu?

Hij lacht. “Na driehonderd interviews ben ik wel even klaar met het onderwerp.” Zijn volgende boek wordt non-fictie, een biografie van Serdar Gözübüyük, scheidsrechter in de Nederlandse eredivisie. Elke dag tussen negen en vijf wil Robert schrijven. Zonder verplichtingen, een lunchafspraak zal hij dan ook nooit maken. Werken doet hij in zijn kamer met uitzicht op de tuin in Amsterdam Buitenveldert. Hysterisch opgeruimd is het er. “Het is de enige ruimte waar ik de baas ben. In de rest van het huis struikel ik elke twee seconden over speelgoed en sportschoenen.”

Jouw eerdere boek, Beste vriend, verhaalde over de wereld van beroemd zijn, gezien willen worden. Jij was het afgelopen jaar veelgezien in talkshows. Hoe gaat zulks jou af?

“Wisselend. Het heeft iets wijsneuzerigs en ijdels om je te mengen in een publiek debat over racisme, maar ik vind dat thema belangrijk genoeg om mijn stem te laten horen, omdat ik het als een uitdaging zie om mensen anders te laten kijken naar een discussie. Maar… word ik uitgenodigd als zogenoemde BN’er, dan vind ik dat ver-schrik-ke-lijk.”

Online prijkt een filmpje van jou in Ik hou van Holland. Bridget Maasland zingt vrolijk mee met een lied van Frans Bauer, jij staat er met gesloten mond naast. Het ongemak druipt van je gezicht af.

“Ha! In het normale leven blèr ik ook niet mee met Frans Bauer-nummers, waarom zou ik het daar dan wel doen? Veel van die lui op tv kampen met een meerderwaardigheidscomplex. Jij staat beneden mij, lijken ze continu te denken. In het kader van research voor Beste vriend wilde ik dat weleens ervaren.” Gniffelend: “Bij Ik hou van Holland kreeg ik een eigen kleedkamer met mijn naam op de deur, mij het gevoel gevend dat ik hartstikke belangrijk was. Ik liet mijn spullen er liggen en ging de opnames in. Blijkbaar nemen ze meer shows achter elkaar op, want toen ik terugkeerde bij de kleedkamer, was mijn naam op de deur vervangen door die van Nicolette Kluijver en lagen mijn spullen opgestapeld bij de deur.”

Hoe ervaar je jouw level van bekendheid?

“Als prettig. Als je Marco Borsato of Linda de Mol heet, weet iedereen wie je bent, van de buurman tot de koning. Ik ben op tv of in tijdschriften te zien als ik een boek te verkopen heb. Op straat word ik weleens aangesproken door lezers die zeggen van mijn boeken te hebben genoten. Natuurlijk is dat leuk. Jammer alleen dat sommige momenten van herkenning nogal ongunstig zijn. Zoals die keer bij de glasbak op maandagochtend, toen ik na een gezellig weekend net even te veel lege flessen bij me had.”

Roberts favorieten

Boek:American psycho van Bret Easton Ellis. Het boek is veel beter dan de boekverfilming. Dat is trouwens vaker zo, ik kan erover meepraten.”

Gerecht: “Pulpo a la Gallega, een streekgerecht uit Galicië. Bij voorkeur gegeten in Spanje.”

Muziek: “Stevie Wonder, Songs in the key of life. Niet alleen is het heel goede muziek, ik zie bij het horen meteen mijn moeder in de jaren zeventig voor me, hoe ze de plaat afspeelde in onze woonkamer.”

Stad: “Memphis, Tennessee. 25 jaar geleden studeerde ik er en sindsdien ben ik meer dan 25 keer terug geweest. Ik had een sociaal leven in Amerika en in Nederland natuurlijk ook. Als een wonderlijk dubbelleven, die twee werelden raakten elkaar bijna nooit.”

Smartphone-app:Samsung notes, ik gebruik ’m voor notities, voor te schrijven romans en voor boodschappenlijstjes.”

Drankje: “Water. En bij alcohol: wijn. Koel en wit, bij voorkeur uit Spanje.”

Moment van de dag: “Als ik ’s ochtends achter mijn bureau kan gaan zitten in de wetenschap dat de dag onafgebroken van mij is.”

Klein geluk: “Meegaan naar de voetbalwedstrijden van de oudste en de toneeluitvoeringen van de jongste. Mijn zonen iets leuk zien vinden, is nog leuker dan het zelf doen.”

Groot geluk: “Het gevoel hebben dat een boek gelukt is, dat wil zeggen: geworden is zoals ik het in mijn hoofd had. Uiteindelijk beschouw ik mijzelf niet als interviewer, maar als een romanschrijver.”

Artikelen van Margriet ontvangen in je mailbox?
Schrijf je in op margriet.nl/nieuwsbrief.

Robert Vuijsje is schrijver en interviewer. Hij debuteerde met het boek Alleen maar nette mensen. Daarna verschenen de romans Beste vriend en Salomons oordeel. Nu ligt Maar waar kom je écht vandaan, 100 verhalen over de Nederlandse identiteit in de winkels. Vuijsje woont in Amsterdam, is verloofd met Lynn en heeft twee zonen, Sonny en Samuel.

Tekst | Nicole Gabriëls
Beeld | Stef Nagel

Margriet


Dit artikel is te lezen in Margriet 2020-49. Je kunt deze editie nabestellen via magazine.nl.

Ook interessant