Rienke’s zoon was verslaafd: ‘Hij zei: ‘Ik ga mezelf wat aandoen’

Deel dit artikel:

Onmacht, boosheid en schuldgevoel. De emoties van Rienke Bulsink gaan alle kanten op als haar zeventienjarige zoon wordt opgenomen in een verslavingskliniek. “Ik vond dat ik als moeder had gefaald. ‘Ik wilde niets liever dan hem helpen, maar ik wist niet hóé.”

“Ben ik te streng geweest? Heb ik niet goed naar het consultatiebureau geluisterd toen Rikkie een baby was? Toen mijn zoon werd opgenomen in een kliniek omdat hij verslaafd was, heb ik me zo enorm schuldig gevoeld. Jaren ging ik terug in mijn gedachten. Ergens ben ik de fout in gegaan, dacht ik.

Somberder

Rikkie was twaalf toen hij steeds somberder werd. Was hij als kind vrolijk en sociaal, als puber werd hij steeds stiller en trok hij zich vaker terug. Hele middagen zat hij alleen in zijn kamer. Ik probeerde met hem te praten. Was het de overgang naar de middelbare school? Lag hij wel goed in de groep? Zat hij op het juiste niveau? Mijn man, de stiefvader van Rikkie, en ik schakelden de hulp in van een psycholoog, bij wie we de somberheid van Rikkie ter sprake brachten. Ik zat er voor mijn gevoel bovenop. Nu komt het vast goed, dacht ik. Er wordt aan gewerkt.”

 Snijden

Rikkie zat in de derde klas van de havo toen ik werd gebeld door school. Zijn mentor vertelde me dat het haar was opgevallen dat Rikkie zichzelf sneed. Er gingen geruchten in de klas dat Rikkie in zijn armen zou krassen en om die reden had ze met hem gesproken. Ik was verbaasd, we hadden nooit iets in de gaten gehad. Bij thuiskomst confronteerde ik hem ermee. Hij sneed vooral in zijn armen en bovenbenen, vertelde hij. Dat verklaarde waarom ik van niets wist.

Scheermesjes

Het was winter en hij droeg lange broeken en shirts. De littekens wilde hij echter absoluut niet laten zien. Naïef als ik was besloot ik niet te pushen. Het zal vast om wat lichte krassen gaan, dacht ik. Op mijn waarom-vraag kwam weinig respons. ‘Ik weet het niet,’ antwoordde hij. Ik heb me vanaf toen zó vaak afgevraagd wat ik als moeder moest doen. Moest ik heel boos worden? Of juist begrip tonen? Wel besloot ik direct alle scherpe voorwerpen, zoals zijn zakmes, te verstoppen. Wist ik veel dat Rikkie scheermesjes gebruikte en zich veel ernstiger verwondde dan ik dacht.

Elke keer een stap verder

Ongeveer drie maanden later gaf Rikkie bij zijn psycholoog aan dat hij het snijden niet in de hand had en een einde aan zijn leven wilde maken. De crisisdienst kwam langs en Rikkie werd voor diagnostiek en advies doordeweeks opgenomen bij Triversum (een centrum voor jeugdzorg, red.). Maar al in de eerste week ging het daar mis. Op dinsdag werd ik gebeld door de begeleiders dat Rikkie zichzelf weer had verwond. Ik ben direct naar hem toe gegaan. Hij stond daar met een handdoek vol met bloed en heel veel diepe sneeën in zijn hele arm.

‘Mam, ik heb iets stoms gedaan,’ zei hij. Hij had zich zó diep gesneden, dat hij naar het ziekenhuis moest. De dinsdag daarop gebeurde het weer, en vervolgens weer. Elke week was het op dinsdag raak en elke keer ging het een stap verder. Aanvankelijk kon alles nog worden geplakt, maar op een gegeven moment was dat niet meer mogelijk en er moest worden gehecht.

‘Ik ga mezelf wat aandoen’

De onmacht die ik voelde was afschuwelijk. Ik wilde niets liever dan hem helpen, maar ik wist niet hóé. Het was mij ook niet duidelijk waaróm Rikkie zich zo voelde. Tegenover mij deed hij vaak alsof het allemaal wel goed ging. Om mij in bescherming te nemen, denk ik. Het snijden werd voor hem een uitlaatklep, een verslaving. Ik herinner me een moment waarop ik op zijn bedrand zat en Rikkie tegen me zei: ‘Ik ga mezelf wat aandoen.’ Waarop ik antwoordde dat ik dan absoluut niet weg zou gaan. ‘Je moet toch een keer naar de wc,’ zei hij toen. Op dat moment realiseerde ik me: als hij zichzelf iets wil aandoen, kan ik dat niet tegenhouden, ik kan niet permanent op z’n lip zitten.

In die periode werkte ik als projectmanager IT door het hele land. Door wat er privé gebeurde, kon ik me niet meer focussen op mijn werk en als het moest liet ik de boel gewoon uit mijn handen vallen om bij mijn kind te kunnen zijn. Iets waar ik volledig achterstond, maar ik heb het Rikkie en de hulpverlening ook wel verweten dat de kans groot was dat ik mijn baan zou verliezen. Zag iemand mijn wanhoop, stress en verdriet wel?

 Verslavingskliniek

Nadat een behandeling van tien weken in de kliniek, ging het niet beter met Rikkie. We werden van het kastje naar de muur gestuurd. De huisarts gaf aan dat hij wilde helpen, maar kwam met weinig concreets. Ook de gesprekken met Rikkies psycholoog zorgden niet voor verbetering. Via een Facebookforum voor ouders van verslaafde kinderen – inmiddels was er naast de verslaving aan snijden ook een verslaving aan wiet en gamen bij gekomen – las ik goede verhalen over de Yes, We Can-kliniek. Samen met Rikkie besloten we dat te proberen.

Hij had zelf namelijk al vanaf het eerste moment aangegeven dat hij het liefst een volledige opname wilde, ergens ver van huis. Zijn verslaving was groter dan hijzelf, hij kon het niet zelf aangaan en durfde de verslaving ook niet tegen te spreken. Daarom wilde hij graag permanent een professional in de buurt. Bij de reguliere hulp had hij het gevoel dat bij hen om 17.00 uur de werkdag was afgelopen en dat hij dan zelf zijn problemen moest gaan oplossen terwijl hij aangaf dat niet te kunnen. Ook de huidige psycholoog gaf aan dat de hulp die ze konden bieden niet voldoende was.

Lees ook: Saskia verloor haar zoon: ‘Zijn dood was zo abrupt en onwerkelijk

Ik voelde me opgelucht

Gedurende tien weken werd Rikkie opgenomen. De eerste vijf weken leerde hij verantwoordelijkheid te nemen voor zijn verslavingen en mocht hij geen contact hebben met de buitenwereld. Zijn telefoon moest hij inleveren en hij mocht geen bezoek ontvangen. Van tevoren dacht ik dat ik dat vreselijk zou vinden, maar ik voelde me – en ik vind dat heel erg om te zeggen – opgelucht. Het deed me goed dat ik even niet alleen de verantwoordelijkheid had en dat ik een paar weken had om bij te komen. Ik sliep veel, had goede gesprekken met mijn man en we ondernamen weer meer als gezin. Waar ik me dan ook weer schuldig over voelde, want we waren dan wel samen met de jongste, maar Rikkie was er niet bij.

De ‘echte’ wereld

De laatste vijf weken lag de focus van de behandeling op hoe Rikkie straks in de ‘echte’ wereld zijn leven weer goed kon oppakken. De behandeling bestond uit een combinatie van praatgroepen en veel sporten. Ook tijdens het sporten werden ze geconfronteerd met wat ze in hun leven anders kunnen doen. Rikkie zorgde bijvoorbeeld voor iedereen om zich heen, maar niet voor zichzelf. Tijdens het sporten werd hij dan net zo lang uitgedaagd totdat hij voor zichzelf opkwam. Wat er tijdens zo’n activiteit gebeurde, werd later met de eigen begeleider besproken, waardoor hij inzag dat hij eerder stop moest zeggen en niet moest wachten totdat hij ontplofte en niet meer op een normale manier kon reageren.

De behandeling bij de kliniek is soms heel heftig. Omdat het zo’n veilige omgeving is kunnen ze echt tot de kinderen doordringen en hen confronteren met hun eigen problemen. Zij ‘breken’ als het ware, zodat ze als enige mogelijkheid nog zien zelf het heft in handen nemen en hun leven oppakken.

Eyeopener

Als ouders werd ons ook een traject aangeboden via de kliniek. Het was een eyeopener. Er werd ons geleerd dat hoe meer je je kind wilt helpen, hoe meer je hem of haar juist níét helpt. Dat het verstandiger is om als ouder de verantwoordelijkheid bij je kind te leggen, hoe moeilijk ook. Sommige ouders hadden zelfs tegen hun kind gezegd dat hij of zij met deze verslaving niet meer thuis mocht wonen. Ik vond het afschuwelijk toen ik dat hoorde. Kon me niet voorstellen dat ik dat als moeder zou doen.

Maar toen Rikkie, na tien weken thuis een paniekaanval kreeg, besloot ik toch het advies op te volgen. ‘Als ik wat voor je kan doen, kun je naar me toe komen,’ zei ik, terwijl ik weer doorging met mijn bezigheden. Ik voelde me een ontaarde moeder dat ik hem alleen liet. Huilend zijn mijn man en ik die avond naar onze eigen nazorggroep gereden. Het voelde zo dubbel. Ik had geleerd dat dit was wat ik moest doen, mijn gevoel zei heel wat anders. Maar een uur na ons vertrek stuurde Rikkie een Whatsapp dat het wel weer ging. Dat hij ging slapen. We waren trots en opgelucht. Trots dat Rikkie zichzelf veel beter heeft leren helpen en trots op onszelf dat we de adviezen hebben opgevolgd terwijl dat zo ontzettend moeilijk was.

Artikelen van Margriet ontvangen in je mailbox?
Schrijf je in op margriet.nl/nieuwsbrief

 Trigger om te snijden

Afgelopen juni is Rikkie verhuisd naar een eigen woning, drie maanden na zijn opname. In de kliniek was duidelijk geworden dat hij niet thuis wilde komen, omdat hij mij als trigger zag voor het snijden. Dat kwam hard aan. Na de scheiding van de vader van Rikkie ben ik vaak verdrietig geweest. Dat heeft Rikkie gezien. Had ik hem daartegen moeten beschermen? Maar dat bleek niet wat Rikkie bedoelde. Doordat hij míj juist in bescherming wilde nemen, is hij begonnen met snijden. Hij wist zich op geen andere manier te uiten. Het was beter als hij wat afstand van mij zou nemen. Ook voor mij, mijn man en Rikkies jongere broertje was het beter als hij wegging. Alles kon aanleiding zijn voor Rikkie om te gaan snijden en als het even stil was waren we bang dat hij dood in zijn kamer lag. We durfden niet meer onszelf te zijn in ons eigen huis.

Het gaat nu goed met Rikkie, maar het blijft een uitdaging. Een verslaving is voor de rest van je leven. Zelf zegt hij: ‘Ik ben in herstel.’ Hij is dan ook heel streng met alles wat verslavingsgerelateerd is. Geen enkel plukje wiet meer, geen druppel alcohol.

Weer wat meer ruimte

Rikkie woont nu zelfstandig begeleid en inmiddels is bij hem de diagnose borderline gesteld. Ondanks dat ik het heel gek vind dat hij niet meer thuis woont, merk ik ook dat er weer wat meer ruimte komt. Ruimte voor mezelf, maar ook voor mij en mijn man samen. We hebben gelukkig altijd goed kunnen praten, maar de relatie komt natuurlijk wel onder druk te staan. Zo gingen we bijvoorbeeld anders met dingen om. Als het mij te veel wordt, wil ik graag met rust worden gelaten, terwijl hij graag wil knuffelen. Soms kon ik daardoor heftig uit de hoek komen. Zei ik: ‘Rot op,’ als hij een arm om me heen sloeg en het juist goed bedoelde.

Ik heb me altijd groot gehouden

Daarbij realiseer ik me dat ik me altijd veel te groot heb gehouden naar mijn omgeving toe. ‘Ik red het allemaal wel,’ zei ik altijd. En ik straalde uit: hier deal ik wel mee. Of: ik vertel het maar niet, want mensen geloven het toch niet. Misschien had ik me wat kwetsbaarder op moeten stellen. Dan was er wellicht wat meer begrip geweest, en hulp. Maar dat is niet gemakkelijk. Mensen hebben snel hun oordeel klaar.

Een moeder op het schoolplein heeft eens recht in mijn gezicht gezegd dat het ook niet goed kán gaan ‘met dat soort gezinnen’. Daarbij doelde ze op mijn scheiding. Daar word je verdrietig van, hoor. En dan houd je je wel groot. Tegen andere moeders zou ik echter willen zeggen: gooi dat masker af. Het feit dat je kind verslaafd is, is niets om je voor te schamen. Laat je kind er zelf verantwoordelijkheid voor nemen. Natuurlijk heb je als ouder fouten gemaakt, maar als ouder doe je nooit bewust iets wat je kind schaadt, je wilt juist helpen. Het is niet per definitie jouw schuld.”

Tekst Nathalie de Graaf

Fotografie Mariel Kolmschot

Dit artikel is eerder verschenen in Margriet 39– 2019.
Dit nummer thuis laten bezorgen? Ga dan naar Magazine.nl

Artikelen van Margriet ontvangen in je mailbox?
Schrijf je in op margriet.nl/nieuwsbrief