Persoonlijk

Oorlogsveteraan Nicoline (56): ‘Nederlanders weten niet meer hoe het is om doodsangsten uit te staan’

mkf-hr-m18-bevrijd-nicoline-afganistan-21-1.jpg

Oorlogsveteraan Nicoline van Geffen (56) werkte 31 jaar voor de Luchtmacht en ging in 2009 naar Kandahar, Afghanistan.

“Afgelopen jaar liep ik mee met het defilé op de Veteranendag in Den Haag. Als afgevaardigde droeg ik de vlag van het Luchtmacht Vrouwen detachement. De mensen langs de straten klapten. Ik ontmoette anderen die een oorlog hebben meegemaakt. In Bosnië, in Afghanistan, in welk land of welke vorm dan ook. Hoe het is om in een vrij land als Nederland te kunnen wonen, mogen we nooit vergeten. Daarom is zo’n dag belangrijk. Om bewustwording te creëren rondom de missies van ons land.”

Droom

“Toen mijn broer ging werken bij de Luchtmacht, ging ik een keer met hem mee. Ik  zag zijn vrouwelijke collega’s in indrukwekkend uniform en zo ontstond mijn droom. In 1983 begon ik bij de Luchtmacht. Als Kort Verband Vrijwilliger zoals dat heet, met een getekend contract voor zes jaar dienst. Die zes jaar werden er uiteindelijk 37 als sergeant-majoor. Ik werkte onder andere lang bij de militaire luchtverkeersleiding op Vliegbasis Twenthe en Air Operations Control Station (AOCS) Nieuw-Milligen.”

‘Niemand wilde vrijwillig op deze missie’

“In 2009 veranderde alles: ik werd aangewezen om op missie naar Afghanistan te gaan om in het hoofdkwartier in Kandahar, Regional Command (RC) South genaamd, te werken. Mijn naam was uit een loting gekomen, niemand wilde vrijwillig op deze missie. Ik was vastberaden om mijn mannelijke collega’s een poepie te laten ruiken. Maar in het vliegtuig naar Afghanistan voelde ik me al stukken minder stoer. Het afscheid van mijn vriend, die ook bij de Luchtmarkt werkte, van de kinderen en mijn moeder die in tranen was uitgebarsten, viel mij heel zwaar. Daar ging ik, op individuele missie naar een oorlogsgebied.”

Kippenvel

“In Kandahar meldde ik me op het hoofdkwartier. Als slaapplek kreeg ik een stoffige tent toegewezen naast de landingsbaan en de shitpit, wat precies is wat je je erbij voorstelt. Negen dagen later kreeg ik een container met een bed en kastje. Ik wende aan de hitte, soms was het er vijftig graden, en werkte alle dagen op RC South. Ik zat op de afdeling waar alle missiemeldingen van buiten het veilige kamp binnenkwamen. Berichten van omgekomen soldaten die op een bermbom waren gereden. Meldingen vanuit de andere hoofdkwartieren in Afghanistan. Mijn taak was dit nieuws te verspreiden over de kantoren en het naar Nederland over te brengen.

Minstens drie keer per dag zag ik heel slecht nieuws binnenkomen. Automatisch keek ik dan naar de namen, de registratienummers met de daaraan gekoppelde geboortejaren. Soms waren het soldaten van amper twintig jaar. Ik krijg nog kippenvel als ik eraan denk.”

Emoties

“In bed dacht ik aan de gesneuvelden en aan mijn eigen gezin met twee kinderen. Dan moest ik soms huilen van verdriet en heimwee. Niemand bereidt je voor op de emoties die bij dit werk komen kijken. Op uitzending krijg je een buddy toegewezen, een collega die het contact met het thuisfront kan overnemen mocht de situatie daarom vragen. Maar met gevoelens moet je zelf leren dealen. Ik herinner me mijn opluchting, hoe grof ook, als de dode in het bericht dat ik kreeg geen Nederlandse, maar een buitenlandse militair betrof. Dan betekende het in elk geval dat ik hem of haar niet kon kennen.

Als buitenstaander denk je misschien: zo’n missie hoort erbij als je bij de Luchtmacht werkt. Maar toen ik in 1983 solliciteerde, was er helemaal geen sprake van internationale missies. Ik ging ‘gewoon’ werken voor de luchtverkeersleiding. Vliegtuigen de lucht in loodsen en ze weer laten landen.”

Groot contrast

“In Afghanistan voelde ik hoe het is om in een land te leven waar vrijheid niet vanzelfsprekend is. Waar de bevolking gebukt gaat onder geweld, vrouwen worden onderdrukt en geen rechten hebben, ook thuis niet. Wat een contrast met mijn leven in Nederland, dacht ik vaak. Ik kan mijn man een grote mond teruggeven als ik daar zin in heb. Mijn fiets pakken als ik dat wil. Ik stem en uit mijn mening. Het enige wat ik kon doen, was mijn steentje bijdragen aan het verkrijgen van vrijheid voor de Afghanen.”

‘We konden niets anders dan wachten’

“Tijdens mijn missie was het verkiezingstijd in Afghanistan. President Karzai zou worden herkozen, de Taliban voerde een geweldscampagne en de sfeer werd steeds grimmiger. Er werden ontzettend veel aanslagen gepleegd. Onze compound lag vrij rustig in de bergen. Daarvandaan werd geschoten met raketten, wat onze veiligheid
betrekkelijk maakte. En al ben ik nooit gewond geraakt, het gevaar werd bijna tastbaar toen een zelfmoordenaar met een jeep naar het hek van de compound reed en zichzelf opblies.

Ging het luchtalarm of was er een raketaanval, dan moesten we de bunker in. Bij veel aanslagen tegelijkertijd ging alle communicatie op zwart. ‘Black Hole’ noemen ze dat. Bellen of berichten sturen is dan niet meer mogelijk vanwege traceergevaar door vijandelijke troepen. Op zo’n moment konden we niets anders dan wachten terwijl de kogels je om de oren vlogen.”

Nicoline

Rampceremonie

“Veelal ga je op uitzending per groep. Maar ik was op solomissie en moest mijn weg vinden in de groep die al was gestationeerd. Een mannenwereld, uitzonderingen daargelaten. ’s Avonds ging ik naar de ‘Dutch corner’ in de compound om aansluiting te zoeken. Blijf je in zo’n situatie een einzelgänger, dan ga je er geheid aan onderdoor; je moet delen wat je overdag meemaakt. De saamhorigheid houdt je overeind.

Voor elke omgekomen soldaat wordt een ‘rampceremonie’ gehouden. Dat is een dienst ter nagedachtenis aan de overledene. Op het vliegveld staat de voltallige Luchtmachtdelegatie in de houding terwijl de kist met de omgekomen soldaat een vliegtuig in wordt gedragen. Er klinkt doedelzakmuziek. Niets had mij kunnen voorbereiden op de emoties die ik voelde tijdens die ceremonies. Je gaat stuk op zo’n moment.”

Missie

“Toen mijn missie erop zat, vloog ik terug met een Herculestoestel. Aan boord de twee kisten met de laatste twee Nederlandse militairen die zijn omgekomen in Afghanistan. Op Hollandse grond kreeg ik een begeleider toegewezen, een soort militaire maatschappelijke dienst, bij wie je je verhaal kwijt kunt.

Hoezeer de missie me heeft aangegrepen, merk ik op onverwachte momenten. Zoals die ene keer dat ik op een gewone dag tv keek en op straat een harde knal klonk. Ik deed gehaast de tv uit en ging ik op de vloer van mijn woonkamer liggen. Net als in Kandahar, waar bij een luchtalarm alle tv’s en schermen op zwart gingen en ik met mijn collega’s op de grond dekking zocht.”

Vrijheid

“De missie in Afghanistan heeft me veranderd, sterker en harder gemaakt. Als ik het niet eens ben met een situatie reageer ik vurig. Maar ik heb ook geleerd dat het niet erg is je emoties te tonen. Na 37 jaar moest ik door een reorganisatie de Luchtmacht verlaten. Nu werk ik als Assistent Airport Manager op Twente Airport. Waar de gemiddelde dag, op een overstekend hertje op de landingsbaan na, rustig verloopt.

Anders dan in oorlogsgebieden leef ik in vrijheid en kan ik na een werkdag lekker naar huis gaan. Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn we weer zo gewend hoe het is om vrij te leven. Nederlanders weten niet meer hoe het is om doodsangsten uit te staan. We staan het onszelf toe te zeuren om de kleinste dingen. Mijn kleindochters klagen bijvoorbeeld weleens dat ze te weinig speelgoed hebben. De meisjes moesten eens weten hoe goed ze het hier hebben. Doordat ik op deze missie ben geweest, ben ik me veel bewuster van de gelukkige positie waarin wij hier leven.”

Dit artikel is eerder verschenen in Margriet 18– 2020 Dit nummer teruglezen? Ga dan naar Magazine.nl.






Interview | Nicole Gabriëls
Fotografie | Mariel Kolmschot
Visagie | Nicolette Brøndsted.

Ook interessant