Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

Persoonlijk

Oek de Jong: ‘Vanaf het moment dat ik kon lezen, werd ik een ander kind’

oek-de-jong-vanaf-het-moment-dat-ik-kon-lezen-werd-ik-een-ander-kind.jpg

Veel van het werk van schrijver Oek de Jong (1952) is vertaald en bekroond. Ook zijn meest recente werk vindt gretig aftrek; al zo’n 75.000 exemplaren gingen over de toonbank. Na veertig jaar is schrijven nog steeds wat Oek het liefst doet.

“Die euforie als ik twee goede bladzijdes heb geschreven, daar kan niets tegenop.”

Ons leven staat in het teken van corona. Wat doet dat met jou?

“Voor mij is er weinig veranderd. Natuurlijk, ik geef geen lezingen meer en afspraken zijn afgezegd, maar als schrijver ben ik gewend thuis te werken en weinig mensen te zien. Al mis ik mijn dagelijkse routine. Die kop koffie met croissant aan de leestafel in de buurtkroeg bijvoorbeeld. Aan een roman beginnen in deze tijd lukt me niet. Mijn hoofd staat er niet naar nu de wereld ontwricht is.”

Ben je bang?

“Niet voor mijzelf, maar ik vrees wel voor wat er met de wereld gebeurt als dit achter de rug is. Dat dit een catastrofe is met vergaande gevolgen weten we met ons verstand, maar we voelen het nog niet ten volle. Dat komt nog. De grote vraag is welke lessen we hieruit leren. Maatschappelijk, politiek en economisch gezien. Het is duidelijk dat we te ver zijn doorgeschoten in de globalisering. Iedereen in de westerse wereld weet dat, maar of we er ook naar gaan handelen en de economie anders inrichten, dat moet ik nog zien.”

“Ik ga opgewekt door het leven, maar ik ben ook realistisch. Ik heb geen illusies over mensen. De coronacrisis heeft ook een mooie kant. Het verbindt ons. Nu maak ik wél een praatje met de buurman of met de dame achter de kassa. En omdat Amsterdam weer van de Amsterdammers is, en niet van de toeristen, heeft de stad iets gemoedelijks gekregen. Een sfeer die ik ken van het Zeeuwse platteland.”

Zeeland, het decor waar veel van je romans zich afspelen. Wat heb jij met de provincie waar je vanaf je zevende bent opgegroeid?

“Ik houd van de taal. Als ik in de trein naar Zeeland Zeeuws hoor praten, spits ik altijd mijn oren. Ik herken nog altijd typisch Zeeuwse gezichten. Maar bovenal voel ik me verbonden met het Zeeuwse landschap. De dijken, Ooster- en Westerschelde, eb en vloed, de kracht van het water, het zijn herinneringen en beelden die ik gemakkelijk kan oproepen.”

Vertel eens over je jeugd…

“Tot mijn zevende woonden we in het Friese Dokkum, een geïsoleerd stadje waar zelfs geen openbare bibliotheek was. Toen mijn vader rector kon worden op het Christelijk Lyceum in Goes zijn we verhuisd. In de zomervakantie. Vreselijk vond ik dat. Ik begon net te aarden in Dokkum. Ik sprak Fries en had een polsstok waar ik mee over de sloten sprong. De verhuizing naar een ander taalgebied voelde als emigreren. Ik weigerde op school het Zeeuwse volkslied mee te zingen. Een buitenstaander was ik, klein voor mijn leeftijd, scheel door een lui oog. Ik kon goed leren, sloeg een klas over en was daardoor altijd de jongste van mijn jaar. Ik had wel vriendjes, maar voelde me toch alleen.”

“Pas op de middelbare school kreeg ik echte vrienden. Dat mijn vader rector was van de school waar ik naar het gymnasium ging, vond ik verre van ideaal. Toen ik in de vierde bleef zitten, smeekte ik hem of ik naar een andere school mocht. Daar was geen sprake van. Er zouden geen goede docenten Grieks en Latijn lesgeven. Volgens mij een smoes. Niet omdat hij per se wilde dat ik op een christelijke school zat, want mijn ouders hebben hun gereformeerde geloof nooit aan mij opgedrongen, maar omdat hij een oogje in het zeil wilde houden. ”

Wat voor kind was je volgens je vader en moeder?

“Volgens mijn moeder werd ik vanaf het moment dat ik kon lezen een ander kind. Daarvoor was ik nerveus, driftig en snel uit mijn doen. Tot ik in de boeken dook. Toen had ze geen kind meer aan me. Van mijn vader hoorde ik dat hem twee dingen aan mij opvielen. Ik reageerde sterk op een vertellende stem. Als mijn vader voorlas, raakte ik betoverd door de verhalen. Ook reageerde ik sterk op muziek. Ik luisterde graag als mijn vader ’s avonds piano speelde. Nog steeds word ik onmiddellijk geraakt door muziek. Als ik door de stad loop en uit een openstaand raam een viool of piano hoor, blijf ik staan om te luisteren.”

De moeder van Maris, de hoofdpersoon uit Zwarte Schuur, is een verharde vrouw. Hoe zou je jouw moeder omschrijven?

“Mijn moeder weerde de buitenwereld af. Ze had een depressieve aard en vond moeilijk aansluiting. Ze leed verschrikkelijk onder hoofpijnen. Nu zou je dat psychosomatisch noemen, toen bestond daar nog geen naam voor. Mijn moeder is de jongste uit een groot gezin in Amsterdam, kreeg weinig aandacht en moest naar de huishoudschool. Daar zat een groot deel van haar pijn. Alhoewel ze met volle overtuiging huisvrouw is geweest, en haar vijf kinderen liefdevol en met engelengeduld heeft grootgebracht, is ze altijd gefrustreerd geweest over het feit dat ze niet verder had kunnen leren.”

“Mijn vader was een intellectueel, mijn moeder voelde zich altijd de mindere. Haar onzekerheid, of haar M.C. zoals ze thuis haar minderwaardigheidscomplex noemde, speelde haar voortdurend parten. Als ze met mijn vader ergens naartoe moest, had ze dagen van tevoren buikpijn. Het halen van haar rijbewijs en het hebben van een eigen auto was heel belangrijk voor haar. Het gaf haar een gevoel van vrijheid en zelfstandigheid. Toen mijn jongste zus het huis uit ging, zijn mijn ouders gescheiden. Vanaf dat moment ging ze zich ontwikkelen. Ze verhuisde naar Bergen en dook in het feminisme. De laatste jaren van haar leven bezocht ik haar elke twee weken met een taperecorder om haar te interviewen en haar levensverhaal vast te leggen.”

Dat je zou gaan schrijven, had je al als puber met jezelf beklonken.

“Op mijn vijftiende wist ik inderdaad al dat ik schrijver wilde worden. Maar ik sprak er nooit over. Alleen mijn toenmalige vriendin, een Zeeuwse met wie ik vijftien jaar samen was, vertelde ik erover. Dat ik al zo jong wist dat ik ging schrijven, is best wonderlijk. Als je goed gitaar kunt spelen of een mooie stem hebt, is het logisch dat je de muziek in gaat. Ik had geen idee of ik talent had. Al was ik wel goed met taal.”

“Op mijn mondeling eindexamen gaf mijn vader, die ook mijn leraar Nederlands was, mij een ingewikkeld gedicht om uit te leggen. De gecommitteerde, een professor, gaf me een tien. Mijn vader trok er een punt af, omdat ik zijn zoon was. Op mijn achttiende vertrok ik naar Amsterdam om kunstgeschiedenis te studeren. Nu kon ik er op de middelbare school gemakkelijk de kantjes van aflopen, eenmaal in Amsterdam ging ik serieus aan de bak. Terwijl studiegenoten vakantie vierden, zat ik gedreven achter mijn bureau te schrijven. Na veertig jaar is schrijven nog steeds wat ik het liefst doe. Die euforie, dat volmaakt gelukkige gevoel als ik twee goede bladzijdes heb geschreven, daar kan niets tegenop.”

Vorig jaar kwam je nieuwste boek uit, Zwarte Schuur. Hoe begon je aan deze roman?

“Ik wilde een grote roman schrijven, een verhaal dat speelt in een geglobaliseerde wereld – een Zeeuws dorp, Amsterdam, New York – en ik wilde een schilder als hoofdpersoon. Bij het ontstaan van mijn romans is er altijd sprake van dwingende beelden. Voor Zwarte Schuur was dat onder andere dat Maris, mijn hoofdpersoon, als jongen in elkaar wordt geslagen. Het is mij nooit overkomen, maar het gevoel van dreiging als ik in een van de dorpen op de fiets een groepje jongens passeerde, ken ik wel.”

“Mijn fascinatie voor de duistere kant van mensen bracht mij tot een scène waarin Maris op zijn veertiende de dood van een meisje veroorzaakt. Door dat misdrijf legde ik de lat hoog voor mezelf. Want hoe kon ik schrijven over een man die zwaar getraumatiseerd is, terwijl zo’n trauma mij vreemd is? Natuurlijk kon ik er boeken over lezen, en dat heb ik ook gedaan, maar uiteindelijk moest ik het vooral uit mezelf halen. Uit mijn levenservaring, empathie en inlevingsvermogen.”

Maris weet uiteindelijk zijn schuldgevoel om te zetten in mededogen met de jongen die hij was. Waarom vond je dat belangrijk?

“Mededogen met jezelf hebben, jezelf accepteren, is één van onze grootste uitdagingen in het leven. We zijn vaak te streng voor onszelf. Zo ook Maris. De weg van schuld naar verwerking, acceptatie en mededogen loopt bij Maris voornamelijk via vrouwen. Vrouwen met een rafelrandje. Buitenstaanders. Het heroïnehoertje Ilse bijvoorbeeld. Zij roept het mededogen in hem op. Net als Manuela, een vrouw op het eiland La Gomera, die als gevolg van kinderverlamming op handen en voeten loopt. Manuela is het ultieme voorbeeld van iemand die een moeilijk leven heeft en toch heel sterk is, omdat ze zichzelf heeft geaccepteerd. Het neerschrijven van haar woorden ‘I had a lot of pain, but I was a normal child’, raken Maris diep. Ze emotioneerden mij ook. Het was of ik met deze zin mijn eigen verdrongen kinderverdriet aanraakte.”

Maris heeft een relatie met Fran. Hun liefde lijkt uitgeblust, maar leeft uiteindelijk weer op. Was dat een bewuste keuze?

“Ik wilde geen scheiding. Ik vond het veel interessanter om te beschrijven hoe mensen, die al twintig jaar een intense liefdesverhouding hebben, een diepe crisis weten te doorstaan. Al vond ik het beschrijven van hun dieptepunt, tijdens een vakantie op La Gomera, heel moeilijk. Als ik aan een roman werk, verbind ik me met de hoofdpersonen. Ik ga van ze houden. En dan is het verdomd lastig om die twee mensen elkaar zo veel pijn te laten doen.”

Jeanne en jij zijn al 28 jaar samen. Waarom werd je verliefd op haar?

“Het was haar gezicht waar ik als een blok voor viel. Ik ben dol op haar brede mond, volle wenkbrauwen en blonde haar. Zelfs nu nog ontdek ik nieuwe gelaatsuitdrukkingen en ik vind het prachtig te zien hoe ze ouder wordt. Na zo veel jaar blijft haar gezicht mij verwonderen en ervaar ik nog dagelijks die verliefdheid die ik toen voelde. Jeanne en ik zijn zielsverwanten, al zijn we qua karakter elkaars tegenpolen. Ik ben terughoudend, leef vrij solitair, Jeanne komt uit Brabant, houdt van veel mensen en grote maaltijden. Leven met haar is nooit saai. Ze blijft me verrassen.”

Wat heeft Jeanne van jou te verstouwen?

“Het schrijven legt een behoorlijke druk op ons leven. Als ik aan een roman werk, kamp ik voortdurend met een onopgelost probleem. Het is als een zwangerschap. Er groeit iets van binnen en daar ben ik vol van, waardoor er soms weinig ruimte overblijft voor anderen. Ik ben fysiek aanwezig, maar mijn hoofd is er niet bij. Jeanne heeft dat meteen door. Dan hoor ik wel wat ze zegt, en kan dat zelfs letterlijk herhalen, maar écht luisteren doe ik niet. Jeanne is heel belangrijk voor het schrijfproces. Ze weet precies in welke scène ik zit. Ik heb veel aan haar reacties en haar steun. Je kunt je dus voorstellen dat als een boek eenmaal is uitgebracht, ik behoorlijk wat goed te maken heb. En nee, dan heb ik het niet over een bos bloemen.”

Oek de Jong is geboren in 1952. Hij studeerde kunstgeschiedenis in Amsterdam, verdiepte zich in religie en gaf gastcolleges in Leiden en Berlijn. Hij brak als auteur door met zijn roman Opwaaiende zomerjurken, later volgden onder andere Cirkel in het gras en Hokwerda’s kind. Zwarte schuur verscheen in september 2019 en werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs 2020.

Favorieten

Boek: Lev Tolstoj, De dood van Ivan Iljitsj (1886)

Muziek: Miles Davis, Kind of Blue (album, 1959)

Gerecht: alles wat Jeanne op tafel zet

Bestemming: ons huis in Frankrijk

Levensmotto: geen stress

Moment van de dag: mijn koude douche na het opstaan, liefst buiten – lijkt vreselijk, is heerlijk, geeft een kick.

Tekst | Ymke van Zwoll
Beeld | Marloes Bosch

Dit interview verscheen eerder in Margriet 34-2020. Deze editie nabestellen kan via magazine.nl.

Ook interessant