Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

Persoonlijk

Nog nooit verteld: ‘Ik schaam me zo dat ik opnieuw ben gepest’

roddelen.jpg

Als kind werd Josselien (34) gepest. Ze dacht  dat ze daar sterk was uitgekomen. Tot ze opnieuw het pispaaltje werd, dit keer op haar werk.

“Ik heb weinig fijne herinneringen aan mijn kindertijd. De mooie die er zijn – ik op schoot bij mijn vader terwijl hij me voorleest, of logeerpartijen bij mijn oma – worden overschaduwd door de spanning waar ik continu mee rondliep. Want die mooie momenten waren slechts kleine intermezzo’s in een voortdurende, afschuwelijke situatie. Ik stond elke dag alleen in een hoek van het schoolplein. Daar probeerde ik me onzichtbaar te maken. Maar ze
wisten me altijd te vinden. Kinderen die me uitscholden, me duwden, aan mijn haren trokken. Die me niet alleen op het schoolplein te grazen namen, maar overal waar ik was. Die lachten
of iets gemeens zeiden als ik een beurt kreeg in de klas. De meester nam het zelden voor mij op. Ook hij vond mij raar; en dat wás ik ook. Mijn moeder was manisch-depressief en kon niet goed voor me zorgen. Mijn vader deed zijn best, maar had niet in de gaten dat de kleren die mijn moeder voor mij maakte tijdens manische episodes echt niet konden. Dat ik te weinig onder de douche ging en de scheldwoorden ‘vieze stinkerd’ wáár waren. Bovendien had ik thuis geleerd zó mee te veren met de buien van mijn
moeder, dat ik weinig karakter had. Dat voelden de kinderen aan en ze maakten er misbruik van. Pas op mijn vijftiende ging het beter. Ik verzorgde mezelf, kreeg een paar goede vriendinnen en met hulp van een betrokken
lerares leerde ik van me afbijten.
De tweede helft van mijn leven zat ik wél lekker in mijn vel. Ik trof mannen die voor nog meer zelfvertrouwen zorgden, vond een leuke baan en fijne vrienden. In groepen bleef ik me ongemakkelijk voelen, maar ik dacht toch dat ik mijn verleden als zielig buitenbeentje achter me had gelaten.”

Ik ging weer pleasen
“Tot ik vorig jaar een nieuwe baan vond. Ik verliet er nota bene een erg leuke werkplek voor. Maar ik wilde meer uitdaging in mijn vak van grafisch vormgever en die leek ik bij dit nieuwe bedrijf te vinden. Toen ik bij het sollicitatiegesprek hoorde dat ik op een afdeling met veertien man terecht zou komen, moest ik wel slikken; dat waren er een hoop. Zou ik me er wel op mijn gemak voelen? Natuurlijk wel, moedigde mijn vriend me aan. Maar naar mijn gevoel ging het meteen de eerste dag mis. Ik was overdonderd door zo veel nieuwe mensen en durfde niet veel te zeggen. Bij de hectische lunch, met z’n allen aan een grote tafel, zat ik er als een stil muisje bij. De week erna nam ik me voor dat zwijgen te doorbreken, maar het lukte niet. Goedgebekte collega’s begonnen opmerkingen te maken. ‘Nou, je bent een gezellige aanwinst zeg,’ zeiden ze sarcastisch. De mensen met wie ik wel voorzichtig een praatje had gemaakt, één op één, en met wie ik dacht dat het best klikte, lachten daar hard om. Ik kreeg een knalrood hoofd, net zoals me vroeger vaak gebeurde. De groep schaterde. Mijn blozen werd al snel de running gag. Er werd echt de spot met mij gedreven. In plaats van voor mezelf op te komen, voelde ik me telkens ineenkrimpen. Uit paniek verviel ik in oud gedrag: mensen naar de mond praten, pleasen. Daar werd bot op gereageerd. Al na een paar weken sprak bijna niemand meer met mij. Als ik met een volle theepot in de kantoortuin stond en vroeg wie thee wilde, deden ze of ik lucht was. Bij vergaderingen werd ik overgeslagen. Alsof mijn mening er niet toe deed. Alsof ik niemand was. Ik had meteen in mijn proeftijd moeten weggaan. Maar dat ik een jaarcontract kreeg, zag ik als een bevestiging dat ik er tóch mocht zijn. Het zou vast goed komen, dat móést toch wel? Maar het kwam niet goed, het werd alleen maar erger. Dag in, dag uit zat ik in mijn eentje stil te werken. De enige met wie ik weleens contact had, was een nerd die ook werd buitengesloten. Tot ik merkte dat de anderen over ons roddelden. Ze grapten dat de kneusjes elkaar hadden gevonden en het vast met elkaar deden. Vernederend.”

Hopen op verandering
“Het ergste is dat ik het liet gebeuren. In plaats van naar mijn baas te stappen, hoopte ik elke dag passief dat het zou veranderen. Ik deed alsof het me niet raakte, terwijl ik inwendig kapotging. Zelfs tegen mijn vriend durfde ik er niets over te vertellen. Het liep al niet zo lekker tussen ons, ik voelde me door hem ook niet meer gezien en ik schaamde me kapot dat mij dit overkwam. Want het was wel duidelijk: er was wel degelijk iets mis met mij, precies zoals mij vroeger was ingepeperd. 
Als klap op de vuurpijl maakte mijn vriend het uit. ‘Ik ben niet verliefd meer,’ zei hij alleen. Ik durfde niet eens door te vragen, zo erg was mijn zelfvertrouwen al vernield.
Achteraf is het mijn redding geweest. De breuk zorgde voor zó veel extra stress, dat ik thuis kwam te zitten. Toen ik een vertrouwensarts huilend vertelde wat er allemaal speelde, verbood zij mij nog langer naar het werk te gaan. Ik kwam thuis te zitten met een zogenaamde ‘burn-out’ en tot het moment dat mijn contract afliep en natuurlijk niet werd verlengd, ben ik er nooit meer geweest. Niemand heeft geweten wat er echt aan de hand was. Ik zocht op internet naar de symptomen van een burn-out en lepelde dat op. Alleen mijn psycholoog durfde ik in vertrouwen te nemen. Zij heeft geprobeerd me duidelijk te maken dat dit echt niet mijn schuld was. Maar eerlijk gezegd ben ik nog steeds niet overtuigd. Dat dit treiteren me wéér is overkomen kan toch geen toeval zijn? Gelukkig heb ik inmiddels een nieuwe baan bij een klein bedrijf, waar het heel gezellig is. Toch is mijn zelfvertrouwen nog flink beschadigd. Ik dacht dat ik sterk geworden was, maar de juiste – of beter gezegd, foute – mensen weten mijn zwakke plek nog steeds te vinden. En wat mijn psycholoog ook zegt, ik zie dat als míjn falen en schaam me er 
vreselijk voor.”

Ook interessant