Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

Persoonlijk

Nieuwslezeres Noraly Beyer: ‘Ik ben altijd geduldig en optimistisch geweest’

noraly-beyer-ik-ben-altijd-geduldig-en-optimistisch-geweest.jpg

Jarenlang waren oud-nieuwslezeres Noraly Beyer (72) en Sesamstraat-actrice Gerda Havertong de enige zwarte vrouwen die bijna dagelijks op televisie verschenen. Beyer is altijd geduldig en optimistisch geweest en is blij dat er nu iets lijkt te veranderen.

“Als je in de media zelden iemand ziet die op je lijkt, is het net of jouw leven er niet toe doet.”

Noraly Beyer

Elf jaar geleden nam Noraly Beyer afscheid als nieuwslezeres van het NOS Journaal, maar nog steeds gaat er geen dag voorbij of ze wordt op straat aangesproken. “‘Wat leuk dat ik u in het echt zie’, zeggen de mensen, ‘U bent niets veranderd’, ‘Ik mis u zo op tv’ en: ‘Ik ben met u opgegroeid.’” Beyer vindt het bijzonder omdat ze al zo’n tijd van de buis is, maar ook fijn dat mensen zich haar herinneren. “Het geeft mij het gevoel dat ik mijn werk goed heb gedaan”, zegt ze.

Twijfel je daar dan weleens aan?

“Het is heel gek, maar ik heb altijd het gevoel dat het beter kan. Zelfs met terugwerkende kracht. Ik heb mijn tv-werk nooit voor mijn plezier teruggekeken. Ik denk dan altijd: dit of dat had anders gemoeten, beter.”

Die onzekerheid is met de jaren niet minder geworden?

“Wel een beetje. Maar om je een voorbeeld te geven: twee jaar geleden was ik verteller bij The Passion. Ik vond dat een eervolle klus en had me goed voorbereid. Maar naderhand viel ik toch in een diep gat! Ik dacht: wat heb ik gedáán? Pas toen ik van mensen om me heen hoorde dat het goed was, kwam ik erbovenop. Iets van jezelf geven, je open en kwetsbaar opstellen, blijft spannend.”

Ben je een perfectionist van geboorte of ben je zo opgevoed?

“Een beetje van allebei, denk ik. Het zit in mijn karakter, maar mijn moeder wilde ook altijd graag dat alles heel goed ging. Een zesje op school vond ze veel te weinig. Zelf was ze ook een hardwerkende vrouw. Ze had zes kinderen – mijn vijf broers en ik – en werkte ook nog als onderwijzeres op een Curaçaose jongensschool. Ik zat op de meisjesschool aan de overkant. Als ik klaar was, moest ik oversteken en bij haar in de klas met mijn broers warm eten, terwijl zij werk nakeek.”

“Mijn vader werkte tot een uur of drie bij de Shell en kwam ons daarna halen. Dan speelden we op het erf, aten we schepjes poedermelk zo uit het blik – dat vond mijn moeder vreselijk! – of we vochten: als enige meisje heb ik wel van me leren afbijten. Ik delfde vaak het onderspit, misschien komt mijn prestatiedrang daar ook wel vandaan. Het was altijd een drukte van belang, voor mijn moeder moet het best een opgave zijn geweest. Helemaal nadat mijn vader toen ik tien was aan een hersenbloeding stierf. Dat was een van de redenen waarom ze mij een jaar later naar een nonneninternaat in Nederland stuurde.”

Wat was de impact van die gebeurtenissen op jou?

“Op het moment zelf beleef je die dingen in een roes. Zo werkt dat met ingrijpende gebeurtenissen, dat heb ik later in mijn leven ook zo ervaren toen ik van dichtbij de decembermoorden in Suriname meemaakte. Pas veel later kom je aan de verwerking toe. Gelukkig ben ik vrij sterk gebleken, ik heb nooit hulp nodig gehad om deze dingen een plek te geven.”

Denk je nog veel aan je ouders?

“Ja, maar ik denk vooral ook veel aan wat ik allemaal níet weet, aan wat ik nog had willen vragen. Hun hele generatie is overleden. Ik had veel meer over hun eigen jeugd willen weten, over hun ouders en grootouders en over het slavernijverleden van onze familie. Daar wilden ze nooit over praten. ‘Dat is geweest’, zeiden ze, ‘daar moet je het niet meer over hebben.’”

“Gelukkig heb ik door mijn medewerking aan de documentaire Sporen van suiker heel wat ontdekt. De oudste voormoeder van mij die ze hebben gevonden – mannen werden niet geregistreerd – heette Jeannette en leefde eind achttiende eeuw in Suriname. Vermoedelijk kwam zij uit Afrika. De vrouwen na haar zijn allemaal in slavernij geboren, bij de familie Van Emden. Zij hebben een van mijn voormoeders ook de naam Oostvriesland gegeven, mijn meisjesnaam.”

Wat hebben deze ontdekkingen met jou gedaan?

“Ik denk dat ze me steviger op mijn benen hebben gezet, dat ze mijn identiteit hebben versterkt. Het is een cliché, maar als je weet waar je vandaan komt, weet je nog beter wie je bent. Zonder deze mensen was ik er niet geweest, ik ben blij dat ik hun namen nu ken. Al zal veel voor altijd onbekend blijven, omdat mijn wortels door de slavernij zijn verbrokkeld.”

De maatschappelijke belangstelling voor het slavernijverleden lijkt te groeien.

“Dat werd hoog tijd. Het is belangrijk dat we ons realiseren dat Nederland en de voormalige koloniën een gedeelde geschiedenis hebben. Dat sommige mensen zich nog steeds afvragen wat ik of andere zwarte mensen hier doen en waar we vandaan komen, heeft met onwetendheid te maken. Ik moest vroeger op Curaçao leren dat de Rijn bij Lobith ‘ons’ land binnenkomt, terwijl de meeste Nederlanders tot voor kort niet eens wisten wie Anton de Kom was.”

“Dat zijn boek Wij slaven van Suriname uit 1934 afgelopen zomer in de bestsellerlijst kwam, vind ik geweldig. En dat hij nu is opgenomen in de canon van het Nederlandse geschiedenisonderwijs ook. Toen ik op mijn twaalfde hier kwam, wist ik veel over Nederland. Ik kon alle provincies en hoofdsteden opnoemen. Omgekeerd dachten de kinderen hier dat Curaçao de hoofdstad van Suriname was.”

Lees ook:
Trijntje Oosterhuis: ‘Ik blijf manisch positief’

Hoe is het voor jou dat er nu pas meer aandacht is voor die geschiedenis en voor racisme?

“Ik ben daar zó blij mee, ondanks alle horten en stoten. Er zijn altijd mensen geweest die erover hebben gepraat, maar er werd zelden geluisterd. Sterker nog: dertig jaar geleden publiceerde Philomena Essed haar boek Alledaags racisme al. Nou, die vrouw werd het land uitgejaagd. Pas nu begint men te erkennen dat racisme ook hier bestaat. Het is blijkbaar een proces en ik ben ook op dit punt altijd een geduldig en optimistisch mens geweest.”

Je hebt ook eens gezegd dat je geen barricade-type bent.

“Klopt. Mensen die de barricade op gaan zijn nodig, maar ik kan het niet. Ik ben niet op mijn plek als ik met mijn vuist in de lucht ga staan, maar voel wel met de activisten mee. Soms vind ik ze te radicaal en te eenkennig, maar dat hoort er ook een beetje bij.”

Gerda Havertong en jij waren jarenlang de enige zwarte vrouwen die bijna dagelijks op tv waren. Hoe heb je dat toen ervaren?

“Aanvankelijk stond ik daar niet bij stil, al vroeg mijn hoofdredacteur bij mijn aanstelling wel of ik brede schouders had, want ik zou weerstand kunnen oproepen. Kijkers schreven inderdaad weleens lelijke brieven over dat ik geen Nederlands kon en de V en F door elkaar haalde, enzovoort. Door die reacties, maar vooral ook de positieve reacties van zwarte mensen, realiseerde ik me dat ik het héél goed moest doen. Als ik af zou gaan, dan sleurde ik voor mijn gevoel een heel volk mee.”

“Zwarte mensen zagen me als een boegbeeld, voelden zich via mij gezien. Dat is heel belangrijk, dat mensen zich vertegenwoordigd zien in de media en publieke functies. Als je de krant openslaat of de tv aanzet en je ziet zelden iemand die op je lijkt, dan is het net of je niet volledig bestaat, alsof jouw leven er niet toe doet. Gelukkig begint er iets te verbeteren. Van de week heb ik een foto gemaakt van de voorpagina van de Volkskrant en die rondgestuurd aan mijn vrienden met de tekst: ‘Dit hadden we tien jaar geleden niet voor mogelijk gehouden.’ Wacht, ik laat ’m je zien.”

Noraly pakt haar mobiel en opent een foto van een zwarte jongen, die met een tuinslang twee meisjes natspuit. Ze gillen het zo te zien uit van de pret. Een van de meisjes draagt een hoofddoek.

De voorpagina

“Op de voorpagina, hè! En het bericht had niets met etniciteit of cultuur te maken, het ging gewoon over de hittegolf. Dat vind ik prachtig. In kinderboeken zie je de laatste tijd ook steeds meer gekleurde personages. Een paar jaar terug was ik juryvoorzitter van de Woutertje Pieterse Prijs voor het beste kinderboek. Ik kreeg zo de hele jaarproductie onder ogen. Nagenoeg alle hoofdpersonen waren wit. Daar werd ik droevig van.”

“Als je racisme de wereld uit wilt helpen, moet je bij kinderen beginnen: maak ze vertrouwd met de diverse samenleving. Boeken kunnen herkenning bieden, maar ook je blik op de wereld verbreden. Daarom zet ik me in voor alles wat met lezen te maken heeft. Als ambassadeur van de campagne Lees voort! roep ik nu grootouders op om voor te lezen. Ik zie aan mijn kleindochter van vijf wat dat doet: tijdens het voorlezen ontstaan de mooiste gesprekken met haar.”

Je noemt nu je kleindochter en ik las ergens dat je single bent, maar verder laat je in interviews zelden wat los over je privéleven. Waarom niet?

“Mijn familie heeft niet voor de openbaarheid gekozen, dus ik vind dat ik niet te veel over hen moet praten.”

Mogen we wel weten hoe je familie eruitziet?

Grinnikt. “Vooruit. Mijn zoon is de vader van die vijfjarige kleindochter, maar zij wonen in het buitenland. Mijn kleindochter heeft net drie weken bij me gelogeerd, dat was heerlijk. En verder videobellen we veel. Ze is een oud vrouwtje in het lichaam van een kleuter: geweldig! Mijn dochter woont hier en haar zoon van twintig ook. Op hem heb ik vroeger veel gepast, maar dat is nu niet meer nodig.”

“We hebben goed contact, hij belde me net nog. Soms waaien we bij elkaar aan en op hoogtijdagen zien we elkaar sowieso. Er zijn trouwens nog meer kinderen die ik als mijn kleinkinderen beschouw, ook al zijn ze geen bloedverwanten. In Suriname werkt dat vaak zo: je vormt een extended family met de mensen met wie je opgroeit.”

Waar houd je je sinds je vertrek bij de NOS mee bezig?

“Met veel verschillende dingen. Ik werk als dagvoorzitter, zit in verschillende jury’s, werkgroepen en commissies, zoals die van de Code Culturele Diversiteit. Ik heb als researcher in het theater gewerkt, schrijf columns en heb in opdracht van de Stichting Julius Leeft een theatermonoloog geschreven over Anton de Kom, die door Urmie Plein is opgevoerd in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Daar was ik heel trots op. Ik hoop dat die monoloog vaker kan worden opgevoerd, bijvoorbeeld op scholen, nu De Kom zo in de belangstelling staat.”

Dat klinkt niet als het leven van een pensionado.

“Ik zeg altijd dat ik van nietsdoen houd, maar mijn vrienden beginnen dan heel hard te lachen! Ik doe wel ontspannende dingen, hoor. En ik lees ontzettend graag, er liggen nog stápels boeken op me te wachten, en ik houd van de tuin. Ik vind het ook heerlijk dat ik geen werkrooster meer heb, dat ik zelf mijn dag kan indelen en soms wat makkelijker op vakantie kan, maar toch werk ik nog graag.”

“Ik merk dat ik iets trager ben dan vroeger, maar voel me tegelijkertijd ook minder opgejaagd nu ik geen gezin meer hoef te combineren met mijn werk. Daarnaast ervaar ik minder stress. Dus zolang ik gezond blijf, vind ik het ouder worden wel fijn en blijf ik lekker bezig met de dingen die ik leuk vind.”

Tekst | Bas Maliepaard
Beeld | Ester Gebuis

m46

Dit artikel verscheen eerder in Margriet 2020-46. Je kunt deze editie nabestellen via Magazine.nl.

Ook interessant