Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

Persoonlijk

Militair Esther heeft PTSS: ‘Ik had liever een arm verloren’

esther-oorlogsveteraar-ptss.jpg

Haar twee missies naar Bosnië hebben Esther Frijlink (45) flink beschadigd. Mentaal dan. En daar heeft ze tot op de dag van vandaag last van. “Tegenwoordig gaat er een psycholoog mee op missie. Toen niet. Toen stopte je alles wat je meemaakte in een laatje dat je daarna snel dichtdeed.

Althans ik. Ik moest wel. Anders kon ik mijn taak niet volbrengen. Of verder met mijn leven.

Landmacht

Ik ben een positief type, word blij van elke 
grasspriet die groeit en zet graag ergens mijn schouders onder. Deze instelling heeft mij er lang bovenop gehouden. Te lang, want was ik eerder ingestort, dan had ik eerder hulp gekregen.

Een meisjemeisje ben ik nooit geweest. Poppen interesseerden me niet, liever was ik buiten aan het ravotten. Na mijn mavodiploma ging ik bij de Landmacht. Een beetje sporten, kijken of ik me kon meten met de jongens, dat leek me wel wat. Als chauffeur reed ik het land door met generaals en buitenlandse delegaties. Een prima job.

Op missie naar Bosnië

Toch ging het na een jaar kriebelen. Ik wilde iets 
betekenen in oorlogsgebieden. Dus meldde ik 
me aan voor een buitenlandse missie. Niet veel later was er plek op een VN-missie naar Bosnië, waarvoor ze bij de Luchtmobiele Brigade voor een halfjaar een chauffeur zochten.

Ik moest wel slikken toen ik hoorde waar de missie naartoe ging. Wilde ik dit echt? Een weg terug was er niet, want: wie A zegt, moet ook B zeggen.

Psychologische oorlogvoering

Dus landde ik in juni 1994 samen met vijfhonderd andere militairen, onder wie elf vrouwen, in Zagreb. Diezelfde dag nog werd onze bus op weg naar de enclave Srebrenica beschoten. Gelukkig raakte er niemand gewond. Ook alle andere keren dat we werden beschoten, kwam ik er zonder kleerscheuren vanaf.

Dat zich ondertussen wel scheurtjes in mijn ziel aan het ontwikkelen waren, daar stond ik niet bij stil. Ik had andere dingen aan mijn hoofd. De ellende van mensen op straat 
bijvoorbeeld. Hun kapotgeschoten huizen. Hun honger. Het liefst gaf ik mijn eten weg, maar ook wij zaten op rantsoen; de Bosnische Serviërs deden aan psychologische oorlogvoering.

‘Ik viel kilo’s af’

Dat we geen warm water hadden omdat de diesel op rantsoen was, was tot daaraan toe. Maar dat ze het voor ons bestemde voedsel alleen de enclave binnen lieten als hún pet ernaar stond, was belachelijk. Vaak was de helft dan al bedorven. Ik viel kilo’s af. 
Ook wat het contact met het thuisfront betreft, bepaalden de Serviërs hoe of wat. Post werd 
opengemaakt en bellen mocht slechts af en toe een paar minuten. En in die paar minuten kreeg mijn moeder te horen dat het goed met me ging. Iets waar ze eind november niet meer in geloofde.

Menselijk schild

Samen met 69 andere militairen zat ik in de bus naar Zagreb – we hadden een week verlof om in Nederland Sinterklaas te vieren – toen we staande werden gehouden bij een checkpoint. Nu was dat niets bijzonders, onze spullen werden geregeld bij een controlepost binnenstebuiten gekeerd. Ook dat we in de bus moesten slapen omdat om zeven uur de avondklok in ging, maakte mij niet uit.

Pas toen we de volgende dag werden gesommeerd uit te stappen, begon ik iets te vermoeden. Eerder hadden we onze wapens moeten afgeven en waren de satellietcommunicatiemiddelen 
uitgezet, zodat we niet meer te traceren waren. 
We zaten vast, werden gegijzeld als menselijk schild. Drie kamertjes en één wc, of beter gezegd een gat in de grond, kregen we toebedeeld. Eens per dag was er soep, of iets wat erop leek, en daar konden we het mee doen.

De ‘gewone wereld’ was onwerkelijk

Om te voorkomen dat we gek werden, hield de commandant ons bezig met taken en raadsels. Bang was ik niet. En ook al was ik de enige vrouw, ik voelde me veilig bij mijn eenheid. Na zes dagen lieten ze ons vrij. Iedereen was euforisch en eenmaal veilig in Zagreb werden we opgewacht door maatschappelijk werkers, een predikant en een psycholoog. Ik vond dat overdreven.

Pas toen journalisten ons belaagden en ik mijn moeder huilend op Schiphol zag staan, besefte ik dat we wereldnieuws waren geweest. Natuurlijk vierde ik Sinterklaas, maar ik was er met mijn aandacht niet bij. De ‘gewone wereld’ was zo onwerkelijk. Een week later zat ik weer in Srebrenica. Bij mijn collega’s die op dat moment voelden als mijn familie.

Even op adem komen

Een kleine twee maanden later zat mijn missie erop en mocht ik thuis weer generaals rondrijden. Prima hoor, even op adem komen, ik snapte dat dat nodig was. Maar toen er een jaar later weer een a

anvraag binnenkwam, dacht ik 
meteen: yes, ik mag weer. Dat mijn ouders het niets vonden, daar stond ik niet bij stil. Dat is 
wat zo’n missie ook met je doet. Dat je je slecht kunt inleven in je dierbaren thuis.

De eerste symptomen

Tijdens mijn tweede missie in Bosnië ging het vooral om vrede afdwingen en hoefden we niet lijdzaam toe te kijken, zoals destijds onder VN-vlag. Het voelde als een werkvakantie. Er was warm water, voldoende eten en we zaten in een veiliger gebied. Collega’s die klaagden als er even geen warm water was, kregen het met mij aan de stok. Ze moesten eens weten hoe erg het eraan toeging tijdens de vorige missie.

Achteraf denk ik: dit waren de eerste symptomen. Evenals mijn drang altijd maar door te willen gaan. Juist omdat ik had gezien hoe fragiel het leven kon zijn, leefde ik elke dag alsof het de laatste was.

‘Stilstaan vond ik eng’

Dat veranderde niet toen ik terug in Nederland kwam. Ik bleef maar doorgaan. Eerst bij Defensie en later, nadat ik me had laten omscholen omdat de banen bij Defensie niet voor het oprapen lagen, als kraamverzorgster. En ’s avonds ging ik salsadansen. Zes avonden per week. Dat het er geen zeven waren, kwam doordat er op die avond geen dansschool open was. Jaren hield ik dit vol. Tot ik in 2006, na de geboorte van mijn oudste zoon, opeens in paniek raakte.

Als kraamverzorgster wist ik met baby’s om te gaan, maar bij mijn eigen kind had ik geen idee. Hoe moest ik dit afhankelijke wezentje goed op de wereld zetten? Voor mijn zoon moest ik op de rem. Maar hoe? Stilstaan vond ik eng. Wat voor ellende zou er boven komen drijven als ik ruimte kreeg om te voelen? Mijn angst wuifde ik weg. Het zouden de hormonen wel zijn. En een baby grootbrengen is nu eenmaal zwaar. Dus hield ik de moed erin. Tot na de geboorte van mijn tweede zoon de misère niet meer weg te wuiven was.

Diagnose PTSS

Door vele nachtmerries sliep ik slecht. Werken ging nog net, maar eenmaal thuis kwam er niets meer uit mijn handen, en erger nog, gilde ik tegen de kinderen. Het zijn de liefste schatten 
van de wereld en ik hou zielsveel van ze, maar hun lawaai kon ik niet verdragen. Zelfs als ze 
vrolijk zongen, kregen ze een snauw. Het besef dat mijn kinderen geen kinderen meer konden zijn, bracht mij naar de huisarts. Zij 
vermoedde een burn-out.

De klachten bleven 
en pas eind 2012 werd duidelijk wat ik mankeerde: ik had een posttraumatische stressstoornis én een depressie. Dat waren twee klappen in mijn gezicht. Depressief? Ik? En PTSS? Hoezo? Mensen in oorlogsgebied hebben het zo veel zwaarder dan ik. Die zijn hun huizen kwijt, hun dierbaren. Wat valt er voor mij nou te zeuren?

Elke prikkel was er één te veel

Omdat ik er slecht aan toe was, ging ik drie maanden intern bij een behandelcentrum voor veteranen. Afschuwelijk vond ik dat, zonder mijn kinderen, maar ik wist dat het de enige manier was om er weer een beetje bovenop te komen. Ook na deze maanden heb ik me rot ‘ge-therapied’. Van mindfulness tot EMDR, psychiaters en creatieve therapie, noem maar op.

Dat de vader van mijn kinderen en ik het in die periode niet hebben gered samen is jammer, maar dat gaf me ook de kracht om de stad te verruilen voor een rustige, bosrijke omgeving waar ik en de kinderen beter konden gedijen. Maar toen kwamen de nachtmerries weer en kon ik ’s nachts mijn accu niet opladen. Elke prikkel was er één te veel, dus sloot ik mezelf op in huis en gilde weer tegen de kinderen. Ze wisten dat mijn korte lontje de schuld was van de PTSS, maar ik wilde dit hen niet aan doen.

Hulp van vrienden

Als het slecht met mij gaat, heb ik de neiging te vluchten. Zo was ik al spullen aan het verkopen op Marktplaats. Het is niet dat ik mezelf dood wenste, daarvoor is de drang om te leven te groot, maar ik wilde weg. Ver weg van huis waar het onveilig voelde. Om te voorkomen dat ik zonder mijn kinderen op de vlucht zou slaan, heb ik de hulp van vrienden ingeschakeld. In no time woonden de kinderen bij hun vader en daar wonen ze nog steeds. Hoe erg ik het ook vind, het kan niet anders.

De werkelijkheid accepteren

Ik zou er álles voor over hebben om de knop om te zetten. En daar vecht ik voor, elke dag. Maar de werkelijkheid is dat ik zal moeten accepteren dat ik niet meer kan wat ik ooit wel kon. Dat ik niet meer die jonglerende moeder ben. Of die sterke vrouw. Dat ik vaak niet eens puf heb om mijn tanden te poetsen. Dat ik in paniek raak als 
iemand zijn stem verheft. Dat boodschappen doen geen optie meer is omdat ik in paniek raak als er een winkelwagentje in de weg staat.

Dat er een stoel bij de douche staat voor het geval ik te weinig energie heb om me te wassen. Dat mijn geheugen naar de knoppen is. Dat ik nog steeds in no time mijn bord leegeet alsof ik nog in Bosnië zit en niet weet wanneer er weer voedsel is. Dat ik extreem boos word van onrecht en oneerlijkheid. En dat die afschuwelijke nachtmerries er nog steeds zijn. Nachtmerries over mensen die moeten worden gered. Over opgesloten zitten. En over doolhoven die geen uitgang hebben.”

Esther PTSS

Toch nog nuttig

“Begin 2018 ontving ik een draaginsigne, een soort medaille voor gewonde veteranen. Enerzijds voelde dat als een erkenning voor de wond die ik met me meedraag. Anderzijds benadrukte het mijn zwakte. Liever miste ik een arm. Gewond in mijn hoofd zijn, voelt als falen. En met dat gevoel dat ik heb gefaald in het leven én als moeder, heb ik lang geworsteld. En soms is het er nog. Maar ik weet dat het me meer brengt als ik kijk naar wat er wél goed gaat. Ik ben gelukkig met Arnold, ook een veteraan, en zwem graag. Onlangs heb ik zelfs in Australië meegedaan aan de Invictus Games, een sportevenement voor 
fysiek en mentaal gewonde militairen. Ook ben 
ik ‘Veteraan in de Klas’ – dan vertel ik over mijn 
uitzending – en verzorg ik een ochtend in de week de dieren bij een bejaardentehuis. Vergeleken met wat ik vroeger deed, stelt dit niets voor, maar ik ben er trots op. Zo kan ik me toch nuttig maken. Op persoonlijk vlak heb ik ook veel geleerd. Eindelijk durf ik de ooit zo 
hermetisch dichtgetimmerde laatjes met nare herinneringen te openen. Ik laat mijn tranen toe als die zich aandienen en kan nu, en dat vind ik nog het belangrijkst, wél genieten van mijn 
kinderen en een liefdevolle moeder zijn.”

Fotografie | Mariel Kolmschot
Tekst | Ymke van Zwoll

Beeld| iStock

Artikelen van Margriet ontvangen in je mailbox?
Schrijf je in op margriet.nl/nieuwsbrief

Ook interessant