Persoonlijk

Leopold Witte: ‘Na dit leven is het klaar. Dat vind ik een fijne gedachte dat het ophoudt’

leopold_witte_.jpg

Hij fietste door zijn woonplaats Amsterdam toen hem opeens duidelijk werd waar zijn nieuwe voorstelling met acteur Geert Lageveen over zou moeten gaan: de dood. Leopold Witte grinnikt: “Na de seks, de dood. Mooi, toch?”

In 2011 maakten de twee het toneelstuk 237 redenen voor seks, dat ze tot het voorjaar van 2015 honderden keren speelden, in schouwburgen en huiskamers, op feestjes en festivals. Dat succes smaakt naar meer en het format leent zich ervoor: twee vrienden die op het podium, laverend tussen humor en ernst, een beladen onderwerp bespreken en ondertussen plaatjes draaien.

Nog meer redenen…

De sfeer is intiem, doordat Leopold en Geert bij de ingang zelf de kaartjes scheuren, in het stuk zichzelf ‘spelen’ en zich na afloop onder het publiek mengen. “Het moet voelen alsof je bij ons thuis op bezoek bent,” zegt Leopold. Het idee op de fiets groeide uit tot een nieuwe voorstelling met dezelfde opzet: 237 redenen om door te gaan.

Waarom wilde je het over de dood hebben?

“Omdat dit onderwerp me erg bezighoudt. Altijd al, maar het afgelopen jaar nog meer, omdat ik voor mijn gevoel aan de laatste fase van mijn leven ben begonnen. Ik ben bijna zestig: als ik gezond blijf, rest mij nog twintig tot dertig jaar. Laatst overviel me de gedachte: biologisch gezien ben ik klaar, ben ik niet meer nodig. Mijn ouders zijn overleden, mijn oudste dochter (22) is het huis uit, mijn jongste dochter en pleegdochter zijn allebei achttien en vertrekken vast ook binnenkort. Dan is er niemand meer die mijn aanwezigheid, mijn zorg, écht nodig heeft.”

Opa’s en oma’s zijn tegenwoordig onmisbaar hoor, met al die werkende ouders…

Lacht: “Ja, dat is waar, maar mijn dochters willen geen kinderen. En het gaat me er nu even om dat ze zelfstandig zijn en in principe zonder mij kunnen. Als ik nu dood zou gaan, hebben ze een jaartje, misschien twee, verdriet en dan krijgt het een plek. Het zal hun ontwikkeling niet meer in de weg staan. Ik geef natuurlijk wel sturing en advies en heb een schouder waarop ze mogen uithuilen en dat is heel betekenisvol, maar ik heb mijn belangrijkste taak volbracht. Ik ben er de komende jaren vooral voor mijn eigen plezier. Hier en daar steek ik nog wel een handje toe en ben ik er voor mijn kinderen, familie en vrienden, maar… begrijp je de gedachte?”

Je chargeert, maar ik snap waar je heen wilt.

“Precies. Ik dacht: waarmee ga ik mijn jaren vullen? Plezier maken? Alleen maar leuke dingen doen? Dáár moeten we eigenlijk een voorstelling over maken: de redenen om door te gaan. Mijn generatie wordt zó oud: negentig, honderd jaar. Al die tijd moet worden gevuld. Hoe gaan we om met die laatste fase? Over al dit soort gedachten, ontboezemingen en twijfels schreef ik Geert een lange brief. Geweldig om te doen: wanneer schrijf je iemand nou zo uitgebreid over de dood, over aftakeling, je ouders en je kinderen?

Geert schreef terug en die brieven werden het uitgangspunt van onze voorstelling. We destilleerden er twee levenshoudingen uit: memento mori, bedenk dat je sterfelijk bent, en carpe diem, pluk de dag. Leef je intenser als je je ervan bewust bent dat je doodgaat of juist als je zorgeloos van elke dag geniet? In de voorstelling trekken we deze twee types uit elkaar. Ik ben de man van memento mori, Geert van carpe diem.”

Op toneel heten jullie ook Leopold en Geert, maar zetten jullie de waarheid naar je hand. Is dit in het echt ook jouw levenshouding?

“Ja, ik ben me altijd erg bewust geweest van mijn sterfelijkheid. Dat komt waarschijnlijk omdat ik al op jonge leeftijd met de dood werd geconfronteerd. De eerste vrouw van mijn vader, de moeder van mijn oudere zus en twee broers, is om het leven gekomen bij een auto-ongeluk. Hij hertrouwde met mijn moeder en in dat huwelijk werden nog een zus en ik geboren. Mijn oudste broer was zowel verstandelijk als lichamelijk zwaar gehandicapt. Hij moest dag en nacht hulp hebben, kon niets zelf.

Op mijn derde werd hij in een instelling geplaatst. Mijn moeder kon de zorg voor hem niet aan, naast vijf andere kinderen. Mijn ouders bezochten hem, maar namen mij nooit mee. Ik heb hem dus eigenlijk niet echt gekend. Ik was een jaar of acht toen mijn moeder op mijn slaapkamer kwam vertellen dat hij in de instelling was overleden. De dood hing in mijn jeugd dus in de huiskamer. Je voelde altijd de aanwezigheid van twee mensen die er fysiek niet meer waren. Verdriet had ik er niet van, ik had geen van beiden gekend. Ik vond het ergens ook wel gaaf dat ik een dode broer had.”

Leopold_Witte_

De dood gaat dus niet alleen gepaard met verdriet, maar ook met andere emoties. Je vertelt in de voorstelling ook dat je na de dood van je moeder opgelucht was.

“De laatste zeven jaar van haar leven had zij dementie. Dat was een heel nare tijd, totaal ontluisterend. Ze was mijn moeder niet meer. Ze was altijd de weg kwijt, ook in zichzelf. Herkende niemand meer, was totaal losgezongen van de werkelijkheid en kon geen enkele beslissing meer over zichzelf nemen.

Als je haar in een rolstoel voor een muur zette, bleef ze daar de hele dag zitten. Bracht je haar terug naar haar kamer, dan herkende ze die kamer niet meer. Je kunt zo iemand niet dood maken, dat snap ik wel, maar je vraagt je wel af waarom zo iemand nog moet leven. Voor ons was het heel zwaar, want wij bleven haar natuurlijk bezoeken, maar kregen geen contact meer. Daarom was het een opluchting toen zij uiteindelijk mocht gaan.”

Het gaat in het toneelstuk ook over de omgang met nabestaanden. Vind jij dat moeilijk?

“Het is door de jaren heen makkelijker geworden, omdat ik nogal veel mensen heb verloren – ouders, zwagers, vrienden. Het is ontzettend belangrijk om er met nabestaanden over te blijven praten en de naam van de overledene te blijven gebruiken. Ik heb geleerd om een nabestaande niet zomaar te vragen: ‘Hoe gaat het met je?’ Dat is veel te breed. Blijf concreet en in het moment: ‘Heb je Piet nog gemist vandaag?’

Vroeger had de kerk een grote betekenis in het herdenken: de namen van de doden werden daar herhaaldelijk voorgelezen. Dat zijn veel mensen kwijt. Ik houd daarom een warm pleidooi om in het dagelijks leven meer over de dood te praten. Niet alleen maar elkaars fantastische leven te liken, maar er ook over te praten als het slecht gaat, als je iemand hebt verloren. In onze voorstelling benaderen we het ook zo: als een alledaags onderwerp, dat niet alleen maar zwaar is. Ons publiek vindt het vaak een verademing dat wij ook kunnen lachen om de dood.”

Is de dood wat jou betreft echt de finale of is er nog een leven daarna?

“Daar geloof ik niets van. Na dit leven is het klaar. Dat vind ik ook een fijne gedachte, dat het ophoudt. Mijn vader had juist steun aan het beeld van een hiernamaals. Hij vond het een fijn idee dat hij naar zijn vrouw en zoon ging. Mij troost het juist dat het klaar is, dat je daden niet eindeloos betekenis houden.

Dat sterkt mij ook in de opvatting dat ik tijdens mijn leven moet proberen om het goede te doen. Ik heb een hekel aan mensen die pas op hun sterfbed schoon schip maken. Conflicten probeer ik daarom zo snel mogelijk op te lossen. Memento mori, hè? Straks ben ik morgen dood en hebben de achterblijvers een slechte herinnering aan me.”

Hoe heb jij je kinderen opgevoed met de dood?

“Mijn kinderen hebben de pech gehad, maar ook het geluk, dat ze net als ik veel met de dood zijn geconfronteerd. Mijn jongste dochter was veertien toen ze zei: ‘Dit is al mijn zesde begrafenis.’ Mijn oudste fietste op haar vijftiende de halve stad door om afscheid te nemen van haar oom, die op sterven lag. De moed die ze daarmee toonde, vond ik ongelooflijk mooi, want het draait in het leven om hoe je met elkaar omgaat als er tegenslag is.

Het leven vieren kunnen we allemaal. Om die reden vind ik het bijvoorbeeld ook waardevol dat mijn dochters met een pleegzus zijn opgegroeid. Ze hebben ervaren hoe moeilijk het leven voor iemand kan zijn die het minder heeft getroffen dan zijzelf.”

Was de wens om er te zijn voor mensen die het moeilijk hebben voor jullie ook de reden om pleegouders te worden?

“Die gedachte kwam voort uit onze kinderwens. We hadden twee gezonde kinderen van ruim drie en één jaar oud en wilden nog een derde. Mijn vrouw merkte toen op dat we er zelf nog wel één op de wereld konden zetten, maar ons ook konden ontfermen over een kind dat ongelooflijk hard ouders nodig had. Daar was ik het volledig mee eens.

We begonnen met crisisopvang. Zo kwam onze huidige pleegdochter ook binnen, ze was nog geen drie. We hadden niet kunnen vermoeden dat ze vijftien jaar later nog bij ons zou wonen. Dat geeft een goed gevoel, ik ben heel trots op hoe we dat als gezin hebben gedaan.”

Leopold_Witte_

Je vroeg je voor het maken van 237 redenen om door te gaan af hoe je de komende jaren wilt gaan invullen. Heb je een antwoord gevonden?

“Voor een deel is het voor mij gelukkig ingevuld, omdat ik als freelancer geen pensioen heb opgebouwd, de erfenissen al op zijn en ik geen rijke vrouw heb. Ik zal dus moeten blijven werken. Inmiddels heb ik wel besloten minder te gaan doen en meer ruimte te maken voor de mensen om me heen. Ik had nooit een praatje voor de buurman, stond te bellen bij de kassa, was altijd gehaast. Ik dacht: dit vind ik zo stom, ik wil altijd meer meer meer, werken werken werken.

Nu mijn kinderen uit huis gaan, kan ik ervoor kiezen om minder te verdienen. Ik wil niet meer drie dingen op een dag: schrijven, regisseren en spelen. Niet almaar te hoeven rennen van afspraak naar afspraak. Het lijkt me heerlijk om soms ergens langer te blijven hangen of gewoon niks te doen.”

En meer tijd met je vrouw door te brengen?

“Zeker! We zijn in oktober voor het eerst in twintig jaar weer met z’n tweetjes drie weken op vakantie gegaan. Dat ging goed, héél goed zelfs. Daar verlang ik weer naar.”

Kon je makkelijk terugvallen op hoe het was voordat jullie kinderen hadden?

“Ja en tegelijkertijd is ons contact nu dieper, omdat we samen zo veel hebben meegemaakt. We zijn al dertig jaar bij elkaar, maar hebben gelukkig nog steeds veel te bespreken, omdat we ook heel duidelijk ons eigen leven hebben naast de gezamenlijke momenten.”

Je dochters willen geen kinderen, zei je, maar ze zijn nog jong. Kijk je niet uit naar het grootouderschap?

“Daar heb ik geen fantasie bij. Ik vind het fascinerend dat sommige mensen die wens koesteren. Zelf heb ik er geen gevoel bij, ik moet nog niet denken aan oppasdagjes (lacht). Ik hoop dat mijn dochters er voorlopig nog niet aan beginnen, ik vind ze veel te jong. 36 was ik zelf toen ik mijn eerste kind kreeg. Ik gun het ze om eerst op avontuur te gaan en ben blij om te zien dat ze dat goed afgaat.”

Interview | Bas Maliepaard

Beeld | Ester Gebuis

Ook interessant