Persoonlijk

Kitty (86) overleefde het Jappenkamp: ‘We hoefden niet meer te buigen of bang te zijn’

kitty-86-overleefde-het-jappenkamp-we-hoefden-niet-meer-te-buigen-of-bang-te-zijn.jpg

“Ik weet het nog goed, het moment waarop ik besefte dat er iets was gebeurd. Iets groots, iets belangrijks. Op 15 augustus 1945 stond onze kampcommandant Sonei ineens boven op een tafel te schreeuwen en te vloeken. We konden niet precies verstaan wat hij zei, maar hij was woest. Waarschijnlijk kon hij het niet verdragen dat Japan was verslagen.

Eindelijk was het voorbij

Lien, de vrouw van een collega van mijn vader, piepte snel het Jappenkamp uit. Van haar hoorden we toen ze terugkwam dat de oorlog voorbij was en dat we waren bevrijd. We waren blij. Eindelijk was het voorbij, die rotoorlog. We roken de vrijheid, het was alsof we voor de poort van een wonderland stonden. We hoefden niet meer op appèl te staan, niet meer te buigen of bang te zijn voor de bewakers. Maar meteen kwamen ook de vragen. Waar moesten we nu naartoe? En waren we nog wel veilig? Want ondertussen was wel duidelijk geworden dat de Indonesiërs zelfstandig wilden worden en de Hollanders liever kwijt waren. Maar de vraag die mij vooral bezighield, was: waar is mijn vader? Die lieve, zorgzame man die ruim drie jaar daarvoor werd opgeroepen voor zijn dienstplicht. Ik knuffelde hem toen hij wegging, niet wetende dat ik hem nooit meer zou zien.”

Op de boot naar Indië

“Mijn vader was afgestudeerd aan de kweekschool, maar kon in Nederland geen baan krijgen. In Nederlands-Indië was er wel genoeg werk in het onderwijs. Een dag na hun bruiloft in oktober 1929 stapten mijn ouders op de boot naar Indië. Mijn twee zussen, broertje en ik zijn daar geboren. Mijn vader werkte steeds op een andere school in een andere stad, maar uiteindelijk hebben we vijf jaar in Bandjarmasin op Borneo gewoond. We hadden een fijn leven in Indië. Ik speelde ontzettend veel buiten met mijn oudste zus. We hadden een fiets en verkenden de buurt. Ook gingen we vaak zwemmen omdat het er zo heet was. ’s Morgens gingen we naar school en in de middag deden we een middagdutje.

Oorlogsdreiging

Ik weet nog dat ik als zevenjarig meisje in de tuin stond met mijn vader en er een collega van hem langsfietste: ‘Grol! In Nederland is de oorlog uitgebroken!’ riep hij. Daar schrok ik niet van. De oorlog was in Europa, letterlijk een ver-van-onze-bedshow. We waanden ons veilig. Maar eind 1941 werd mijn vader vanwege oorlogsdreiging opgeroepen voor zijn dienstplicht bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger. Hij vertrok en kwam in februari 1942 nog één keer thuis voor een kort verlof. Daarna verloren we het contact met hem. Natuurlijk maakten we ons zorgen, maar wat konden we doen? Een maand na zijn vertrek werd Nederlands-Indië door Japan bezet. Inmiddels was mijn moeder met ons in de bergen in Linggadjati gaan wonen, daar was het veilig. Maar dat kon niet voorkomen dat we een paar maanden later, in december 1942, tegelijk met talloze andere Nederlandse gezinnen met grote vrachtwagens werden opgehaald en daarna met de trein naar Bandoeng Kareës werden gebracht. Een Jappenkamp, waar ons leven in niets leek op dat van vroeger.”

Familiefoto

Leren buigen

“Het Jappenkamp was een wijk die door de Japanners was aangewezen voor de Nederlanders. Rondom stond een rieten omheining met prikkeldraad. In het begin mochten we nog wel het kamp uit, de stad in. Ik weet nog dat we ergens gingen eten om de verjaardag van onze moeder te vieren. Een dag later mochten we het Jappenkamp niet meer verlaten. We kregen een huis toegewezen dat we deelden met veertien anderen. Twee keer per dag hadden we appèl. Dan moesten we voor ons huis staan en reden de Japanse bewakers langs om de bewoners te tellen. Ik was negen jaar en ging vanaf dat moment niet meer naar school.

Na anderhalf jaar werden we ’s nachts in een benauwde goederentrein overgeplaatst naar het Tjideng-kamp in Batavia. We hadden weinig spullen mee. Wat kleren en mijn vaders schrijfmachine, samen met een zilveren bestekset die mijn ouders voor hun twaalf-en-een-halfjarige huwelijk hadden gekocht. Die zware tas sleepte mijn moeder altijd mee als we moesten verkassen, ze had de striemen in haar armen staan. Maar ze was zó aan die spullen gehecht.

Lees ook: Mijn verhaal: ‘Bijzonder, zoals mijn moeder als kind schreef over de oorlog’

Nieuw Jappenkamp

Het nieuwe Jappenkamp was andere koek. Met tienduizend anderen zaten we in een kleine wijk. Het was er vreselijk. Het kamphoofd was Sonei, een beruchte man. Hij was maanziek; zodra het volle maan was, werd hij gek. Dan was hij aan het schreeuwen en tieren. Weer stonden we twee keer per dag op appèl in de hoofdstraat van het Jappenkamp. In rijen van vijftien stonden we in de gloeiende zon, met duizenden tegelijk. De bewakers stonden op kisten en schreeuwden eerst ‘Jotske!’. Dan moest iedereen rechtop staan met de pink op de naad van zijn broek. ‘Keirei!’ klonk het daarna, het teken dat we moesten buigen – in negentig graden met ons gezicht richting Japan. Daarna schreeuwden ze ‘Naore!’, het teken dat we weer recht moesten gaan staan. Deed je dat al eerder, dan kreeg je een lel. Ook als ik een Japanner op straat tegenkwam, moest ik buigen. Hoe jong ik ook was, ik leerde al snel deze regels te gehoorzamen.”

Altijd dorst

“Nog steeds gingen we niet naar school. Er waren wel onderwijzeressen in het Jappenkamp die ons bijles wilden geven, maar alleen in ruil voor eten. Mijn moeder vertikte dat: ‘Ik kom liever met domme kinderen thuis, dan zónder kinderen.’ Mijn zus Stieneke moest corvee doen en ik werd als elfjarige aangewezen om op een groepje jongere kinderen te passen. Er was niets te doen, dus ik liet de kinderen maar spelen bij een omgevallen boom waarop ze konden zitten. Ik kon ze geen snoepjes geven, zelfs geen slok water. Water was zeer schaars.

We kregen als gezin één emmer per dag en daarvoor moest mijn moeder bij de put in de rij staan. Met die ene emmer water moesten we alles doen: drinken, koken en een beetje wassen. Eten kregen we uit de gaarkeuken; een prutje van rijst dat in een champagneglas paste, zo weinig was het. De honger was verschrikkelijk, maar het ergst vond ik de dorst. Dan had ik in die hitte een droge keel en kapotte lippen en snakte ik naar een glas koud water. Iets wat ik voorheen zonder na te denken uit de keuken kon pakken.

Schrijfmachine

We woonden met elf personen in een kleine kamer, waar mijn moeder alleen diagonaal in kon liggen. Het stikte er van de wandluizen in de klamboe en op de muren, de beten jeukten vreselijk. Op een dag kwam Sonei de kamer binnen. Hij greep naar de tas met daarin de schrijfmachine en het bestek. Waar mijn moeder het lef vandaan haalde, weet ik nog steeds niet, maar ze vloog overeind en schreeuwde: ‘Afblijven!’ Ik was als de dood dat hij haar in elkaar ging slaan. Maar Sonei was zó verbouwereerd dat iemand hem tegensprak, dat hij afdroop. Ze heeft toen echt geluk gehad. Mensen werden om niets kreupel geslagen.

Er was geen riolering en de hygiëne was dramatisch in het Jappenkamp. Veel mensen stierven aan ziektes. Er vielen tien doden per dag. Op een dag liep ik langs het kampmortuarium. Ik zag de lijken bij de deur liggen. Er stopte een bewaker die een buiging maakte. Ik dacht: je slaat mensen kapot en hongert ze uit, maar nú kun je wel respect opbrengen? Had dat gedaan toen die arme zielen nog leefden.”

Kitty familiefoto

Dodenlijst

“En toen kwam die dag – naar mijn beleving vanuit het niets – dat Sonei zo tekeerging na de capitulatie van Japan. We waren vrij, al wist ik niet wat dat voor ons betekende. Via onze kennis Lien kwamen we terecht in het Biliton-kamp, een overgangskamp. Steeds meer mensen kwamen hun verloren broers, mannen en zonen tegen die in de mannenkampen hadden gezeten. Maar mijn vader zagen we nergens. Lien stuurde een buurjongen naar het gouvernement om te checken of mijn vader ergens op een lijst stond. En inderdaad, Hans Grol stond op een dodenlijst. ‘Tiny, kun je even meekomen?’ vroeg Lien mijn moeder. Ze vertelde haar het nieuws. Daarna riep moeder ons bij zich: ‘Kinderen, jullie vader is dood. Hij komt nooit meer terug.’ Ik reageerde vrij nuchter en dacht: dat is zielig voor hem, maar wij doen het al zo lang zonder vader. Ik was eraan gewend om hem te missen. Maar ’s nachts in bed kwam het besef en daarmee kwamen ook de tranen. Ik huilde zó hard, dat ik er bijna in stikte.

Mijn vader is opgepakt en tot krijgsgevangene gemaakt door de Japanse bezetters. Op 22 augustus 1944 is hij overleden tijdens zijn dwangarbeid aan de Birma-spoorweg. De leefomstandigheden daar waren gruwelijk. Er werd gemarteld en uitgehongerd. Als mannen omvielen van uitputting, werden ze geslagen tot ze weer opstonden. In 1998 was ik er eindelijk aan toe om de Birma-spoorlijn te bezoeken. We zaten in de trein en ik hield mijn hart vast bij al die enge ravijnen. Het idee dat mijn vader daar in die tergende hitte met zijn verzwakte lijf zulk gevaarlijk werk heeft moeten doen, greep me naar de keel. Nog steeds kan ik daar woest om worden. Hoe ze zo’n lieve, intelligente man van 37 jaar op zo’n vreselijke wijze de dood in hebben gejaagd. Zo wreed en zo bitter.”

Niet klagen

“Negen maanden na de bevrijding stapten we op de boot naar Nederland. 24 dagen waren we onderweg. Eerst woonden we even bij mijn grootouders, maar dat was te krap. Stieneke en ik gingen algauw naar een kostschool om onze leerachterstand weg te werken. Ik was inmiddels dertien en kon lezen en schrijven, maar daar was alles mee gezegd. Die jaren in de wederopbouw waren zwaar. Ik moest hard mijn best doen om mee te komen op de mulo. Daarnaast moest ik mijn verdriet verwerken. Een vriend van mijn vader die met hem dwangarbeid had verricht, had mijn moeder brieven geschreven met daarin details over hoe het mijn vader was vergaan. Die brieven wilde ik per se zien, al vond ik het verschrikkelijk om te lezen over mijn vaders laatste momenten.

Dat hij helemaal uitgeteerd was en echt pijn heeft geleden. Dan lag ik in de slaapzaal in bed, handen boven de deken terwijl de nonnen langsliepen, zachtjes te snikken. Het moet voor mijn moeder niet makkelijk zijn geweest; ineens als alleenstaande vrouw met vier kinderen weer helemaal opnieuw beginnen in een land waar ze jaren niet was geweest. Maar ze heeft nooit geklaagd. Er was in die tijd niet veel begrip voor repatrianten uit Nederlands-Indië. Dan werd er gezegd: ‘Wij in Nederland hebben het pas zwaar gehad, jullie hadden tenminste mooi weer.’ Nooit werd er naar onze ervaringen in het Jappenkamp gevraagd, terwijl die diepe sporen hebben nagelaten. Toen ik trouwde, heb ik mijn vader erg gemist. Je hoort als bruid toch door je pa te worden weggegeven. Maar dan troostte ik mezelf met de wetenschap dat andere mensen het zwaarder hebben gehad. Want ik heb ook veel geluk in mijn leven gehad, met lieve ouders, een fijne man en mooie kinderen en kleinkinderen. Ik kan niet schilderen of boetseren, maar ik heb wel de gave om overal het positieve van in te zien.”

Tekst: Anne Broekman
Fotografie: Mariel Kolmschot

Kitty

Dit artikel is eerder verschenen in Margriet 14– 2020 Dit nummer terug lezen? Ga dan naar Magazine.nl.

Ook interessant