Persoonlijk

De Joodse Carla groeide op in een pleeggezin: ‘Op mijn twaalfde ontdekte ik de waarheid’

de-joodse-carla-groeide-op-in-een-pleeggezin-op-mijn-twaalfde-ontdekte-ik-de-waarheid.jpg

Toen de ouders van Carla van Dokkum (76) tijdens een razzia werden opgepakt, was zij nog een baby. Jaren wist ze niets over haar afkomst, daarna wílde ze er niets van weten.

“Mijn vroegste herinnering is dat de geallieerden door onze straat in Haren liepen. Ik was een peuter en zwaaide naar de soldaten met een vlaggetje. Er was een optocht met muziek, dat vond ik fantastisch. We waren bevrijd, maar dat besefte ik niet. Ik was nog zo jong, het zijn maar flarden. Een kind weet alleen wat het kent, wat het gewend is.”

Pleegouders

“Ik woonde bij mijn pleegouders. Ik hield van hen, al boterde het niet tussen m’n pleegmoeder en mij. Mijn pleegvader was een lieve man, alleen was hij niet opgewassen tegen zijn kille vrouw. Zij zei afschuwelijke dingen tegen me. Dat het beter zou zijn geweest als ze me in een weeshuis hadden gestopt. Ook herhaalde ze vaak dat ze mij met gevaar voor eigen leven hadden gered en dat ik dankbaar moest zijn.

“‘Houd je van mij, mama?’ vroeg ik geregeld. ‘Nee, nu niet, want je bent stout geweest,’ kreeg ik dan te horen. Daar was ik dagen kapot van. Ik smeekte om haar goedkeuring. Intussen voelde ik me zo anders, we pasten totaal niet bij elkaar. Ik nam vriendinnetjes mee naar huis, maar mijn pleegmoeder moest daar niets van weten en stuurde ze weg. Dan dacht ik: als ik later moeder ben, mogen alle kinderen altijd bij me eten en logeren. Dat heb ik waargemaakt. Mijn zoon zei laatst nog dat hij zich herinnerde dat alles mocht en kon bij ons thuis. Precies zoals ik voor ogen had.”

carla
Carla op 12-jarige leeftijd, thuis in Haren.

Gered door de buurvrouw

“Mijn ouders, Ellen en Ben de Swarte, woonden op de Amsterdamse Plantage Middenlaan, destijds een buurt waar veel Joden woonden. Ik werd daar geboren op 10 maart 1943. Ze noemden mij Tsiwja. Mijn ouders zochten naar een onderduikplek. Betty, een collega van mijn moeder, zou een plek voor ze regelen. Op de dag dat ze naar mijn ouders ging om te vertellen dat ze in elk geval iets voor mijn moeder en mij had gevonden, zag ze dat onze straat was afgesloten door Duitse soldaten. Er was een razzia gaande. Betty zag mijn ouders staan tussen de opgepakte mensen, maar mij zag ze niet.

Ze wist dat mijn ouders de afspraak met hun niet-Joodse buurvrouw hadden dat ze mij daar zouden afgeven bij een eventuele razzia. Zo is het ook gegaan: toen de buurvrouw zag wat er in de straat gebeurde, is zij onmiddellijk naar hun achterdeur gelopen. Mijn moeder heeft mij aan haar overhandigd en verstopte zich toen met mijn vader in de kelder. Ze werden al snel door de Duitsers ontdekt en opgepakt. Betty rende naar huis, pakte een grote weekendtas met babyspullen en holde terug naar onze straat om mij bij de buren op te halen, zoals was afgesproken. Betty stopte me in de tas, met de rits een klein stukje open. Zo bracht ze mij naar Noordhoek in Groningen, naar een schoolvriendin van mijn moeder. Daar kon ik niet blijven en uiteindelijk belandde ik bij mijn pleegouders in Haren. Ik was pas drie maanden oud.

Moeizame jeugd

“Het was een moeizame jeugd waarin ik me niet gewenst voelde. Ook op school had ik het niet gemakkelijk. Ik heb kroeshaar en werd uitgescholden voor bastaard en ‘jodenkind’. Die woorden snapte ik niet. Ik begreep toen ik ouder werd dat ik een andere vader en moeder had gehad, maar dat was alles wat ik wist. Pas op mijn twaalfde kwam ik achter de waarheid. Inmiddels woonden we in Velp. Ik wilde spelen met een jongen uit mijn klas: Ebbe Rost van Tonningen. De zoon van de bekende NSB’er Meinoud Rost van Tonningen.

Toen Ebbe en ik bij ons tuinhek stonden, kwam mijn pleegmoeder naar buiten en vroeg wie die jongen was. Ik noemde zijn naam en ze werd razend. Ze gaf Ebbe een klap en riep dat ik ogenblikkelijk naar binnen moest. ‘De vader van dit jongetje heeft jouw ouders vermoord en je mag nu eindelijk weleens weten dat je Joods bent.’ Huilend rende ik naar mijn kamer. Wat hield dat in, Joods zijn? En waarom waren mijn ouders vermoord? En hoe dan, met een pistool? Ik was zo bang voor mijn pleegmoeder dat ik er niet naar durfde te vragen. Zo leerde ik al vroeg om vragen en gevoelens te onderdrukken.”

Alleen en in de war

“Op de achtergrond speelde een voogdijzaak. De zussen van mijn vader, Chel en Bep, wilden de voogdij over mij. Maar ze verloren uiteindelijk de rechtszaak. Ik was getuige van hevige ruzies tussen mijn pleegmoeder en mijn tantes, die aan de deur kwamen om mij te zien. Soms stuurden mijn tantes me cadeautjes. Die waren aan Tsiwja de Swarte geadresseerd. Dan werd mijn pleegmoeder woest omdat ze mijn Joodse naam gebruikten. Zelf had ze me naar haar overleden broer Carel vernoemd. Door dit alles was ik erg in de war over mijn afkomst en wilde er niets over weten.”

“Op mijn 21ste trouwde ik met mijn eerste man, die in Papoea-Nieuw Guinea een plantage runde. Daar werd mijn oudste dochter geboren. Terug in Nederland kregen we nog een zoon en een dochter. Tot mijn grote verdriet hield ons huwelijk geen stand en na zeventien jaar gingen we uit elkaar. Daar was ik zó kapot van. Ik had geen familie of ouders om op terug te vallen, daarom hakte die scheiding er zo in. Alleen zag ik dat toen nog niet.”

Lees ook:
Selma overleefde een concentratiekamp: ‘Ik kroop door het oog van de naald’

Dozen vol geschiedenis

“Inmiddels was ik weer gaan werken en maakte ik carrière. Voor mijn werk als directeur interne communicatie van een internationaal ingenieursbureau had ik geregeld zakendiners. De gesprekken gingen dan vaak over ieders achtergrond. Als ik dan zei dat ik een Joods weesmeisje was, kreeg ik steevast verbaasde en geïnteresseerde reacties. Ik vertelde dan dat ik als baby naar Groningen was gesmokkeld en daar bij pleegouders was opgegroeid. Meer vertelde ik niet, ook niet aan mijn kinderen. In een kast bewaarde ik twee dozen met documenten: eentje van mijn overleden pleegouders en eentje die ik van mijn tante Chel erfde. Die maakte ik niet open, want ik kon de confrontatie niet aan. Dodenherdenking en Bevrijdingsdag waren altijd een drama. Ik wilde niets over de holocaust en de oorlog zien of weten. Het liefst bleef ik die dagen in bed met de deken over mijn hoofd, wachtend totdat het voorbij was.”

“Pas zes jaar geleden was het mijn oudste dochter Marcelle die mij overhaalde mijn verleden onder ogen te zien. Zittend op de rand van mijn bed, vroeg ze: ‘Mam, wordt het niet eens tijd dat je gaat nadenken over je vader en moeder? Ik wil eindelijk weleens weten wie mijn opa en oma zijn.’ Ik was in tranen. Toen besefte ik dat het niet alleen mijn verhaal was, maar dat mijn kinderen er ook recht op hadden om meer over hun familie te weten. “

Foto’s van vroeger

“Eerst ging ik op zoek naar de schoolvriendin van mijn moeder uit Noordhoek, die mij als eerste had opgevangen. Zij was inmiddels overleden, maar ik kreeg via Facebook contact met haar dochter. Ik belde haar en zij vertelde me dat Hanni, de beste vriendin van mijn moeder, nog leefde en in Israël woonde. Op van de zenuwen belde ik haar. ‘Met Carla,’ zei ik. Ze antwoordde dat die naam haar niets zei. Voorzichtig vroeg ik of ze Tsiwja kende.  Ze moest even gaan zitten. Toen zei ze: ‘Tsiwja? Op dit telefoontje heb ik mijn hele leven gewacht.’ Ze vertelde me dat ze foto’s van mijn ouders had die ze speciaal voor mij had bewaard. Ze zou ze mailen.

“Diezelfde avond ontving ik een mailtje met de foto’s en zag ik voor het eerst in 71 jaar de gezichten van mijn ouders. Ik kon niet ophouden met kijken. Ik zag twee mooie, jonge, verliefde mensen. Wat hield mijn vader mijn moeder lief vast en wat droeg mijn moeder een leuke jurk. Ik zag dat ik het haar van mijn vader had. Later heeft Onno, mijn huidige man, de foto’s mooi ingelijst. Toch kan ik er niet altijd naar kijken zonder eraan te denken hoe mijn ouders geleden moeten hebben. Ze waren zo jong. Ze moesten hun kindje achterlaten, ze wisten niet wat er ging gebeuren. En werden vergast. Daar moet ik niet te veel bij stilstaan, want dan word ik gek.”

Een pasgeboren Carla in maart 1943, thuis met haar ouders in Amsterdam.

Puzzelstukjes van m’n leven

“Bij de eerstvolgende Dodenherdenking plaatste ik op Facebook en Twitter een foto met een korte tekst over mijn ouders. Dat werd honderden keren gedeeld en ik kreeg zo veel hartverwarmende reacties en vragen dat ik me realiseerde dat mijn verhaal impact heeft.  Ik werd benaderd door een uitgever met de vraag of ik een boek over mijn leven wilde schrijven. Ik was eraan toe. Een redacteur hielp me met het openen van de twee dozen en het ordenen van alle papieren. Daarna ging ik ermee aan de slag.

Het was verschrikkelijk. De twee jaar die het duurde om het boek te schrijven heb ik dagen achter elkaar gehuild. Ik las oude brieven van mij aan mijn tantes, waarin ik schreef dat ze lief moesten zijn voor mijn pleegouders omdat ze mij met gevaar voor eigen leven hadden gered. Exact de woorden van mijn pleegmoeder. Ook had ik het moeilijk toen ik van het Rode Kruis de overlijdensaktes van mijn ouders vond. Er waren ook officiële papieren van Sobibor. Ik las dat ze meteen bij aankomst zijn vermoord. Hun lijden heeft gelukkig niet lang geduurd, een schrale troost.

Rouwproces

Het schrijven van mijn boek bleek een rouwproces. Alle puzzelstukjes van mijn leven vielen op hun plaats. Waarom ik zo’n moeizame band met mijn pleegmoeder had, waarom ik me altijd zo alleen voelde. Nooit had iemand tegen mij gezegd dat ik mooi en lief was of iets goeds had gedaan. Nu snapte ik eindelijk waar mijn minderwaardigheidscomplex vandaan kwam en waarom ik zo kapot was van mijn scheiding. Het schrijven werkte therapeutisch. Nadat mijn boek uitkwam, ben ik gastlessen op scholen gaan geven. Opmerkelijk voor iemand die meer dan zeventig jaar niet over haar verleden durfde te praten. Maar ik vind het fantastisch hoe de leerlingen muisstil zijn als ik mijn verhaal vertel. Het is alsof ik mijn ouders eindelijk een podium geef.

Een tijd geleden gaf ik in Westerbork een lezing aan een groep Syriërs die een inburgeringscursus volgde. Ik vertelde hen over mijn contact met Ebbe Rost van Tonningen. Ze begrepen het niet en vroegen: ‘Hoe kun je nou bevriend zijn met de vijand?’ Toen legde ik uit dat dit een vrij land is waarin je kunt omgaan met wie je wilt. Kijk naar iemands karakter, hoe die is, niet naar iemands afkomst of verleden. Ook dát is vrijheid.”

Artikelen van Margriet ontvangen in je mailbox?
Schrijf je in op margriet.nl/nieuwsbrief

Tekst | Anne Broekman
Fotografie | Mariel Kolmschot, privebeeld.

Dit artikel is eerder verschenen in Margriet 23– 2020Dit nummer teruglezen? Ga dan naar Magazine.nl.

Ook interessant