Persoonlijk

Jeanne (81) is dochter van NSB’er: ‘Iedereen was blij met bevrijding, maar ik voelde me niet vrij’

jeanne-is-de-dochter-van-een-nsber-vrijheid-is-dat-ik-mag-zijn-wie-ik-ben.jpg

Jeanne Diele (81) is de dochter van een NSB’er. Op school werd ze buitengesloten, daarna zweeg ze decennialang over haar verleden. Negentien jaar geleden verbrak ze haar stilzwijgen.

“Toen pas voelde ik me bevrijd.”

Jeanne

“Ik weet nog goed dat ik voor het eerst merkte dat ons gezin ‘anders’ was. Ik was vijf jaar en ging naar buiten om te spelen met mijn vriendjes van school. ‘Jeanne, jij mag niet meer meedoen’, werd me gezegd. Ze zeiden niet waarom. Ik ben geen leuk meisje, want met leuke meisjes willen ze wel spelen, was mijn conclusie. Toen ik er thuis over vertelde, zei mijn moeder: ‘Ach, dat gaat vanzelf wel weer over.’ Niets werd er uitgelegd. En het ging helemaal niet vanzelf over. Een jaar lang speelde ik alleen maar in onze achtertuin met mijn babybroertje en mijn poppen. Zo eenzaam.”

NSB'er

“Ons gezin kwam amper buiten en we hadden met bijna niemand contact. Ik was twee toen de oorlog uitbrak. Toen ik drie jaar was, kwam mijn vader plots thuis in een uniform. ‘Papa is nu politie om de orde op straat te handhaven’, zeiden mijn ouders. Wist ik veel dat hij zich bij de NSB had aangesloten. Ik was zelfs trots op hem, in mijn kinderlijke naïviteit. Terwijl later vooral schaamte en schuldgevoelens zouden overheersen.”

Landverraders

“Over Hitler en de Joden werd thuis nooit gepraat, we waren geen typisch nazi-gezin. Ik had een oudere en een jongere broer. Mijn vader was drogist en al twee keer failliet gegaan voor de oorlog. Het is gissen, maar misschien is hij daardoor gefrustreerd geraakt en was dat de voedingsbodem om lid te worden van de NSB. Hij leed aan scoliose en liep vroeger in een korset, als kind hoorde hij nergens bij. Hij zocht waarschijnlijk wanhopig aansluiting bij een groep. Tegen de rechter zei hij na de oorlog: ‘Als ik vrienden had gehad bij het verzet, had ik me daarbij aangesloten.’ Mijn moeder steunde hem. Ze deelde het NSB-blad Volk en vaderland uit en ze collecteerde voor Winterhulp, de gezinszorg van de Duitsers om Arische families de winter door te helpen.”

Dolle Dinsdag

“Op 5 september 1944 was het Dolle Dinsdag. België was al bevrijd, net als het zuiden van Nederland. Mijn ouders wisten dat zodra een plaats was bevrijd, de NSB’ers en andere collaborateurs werden opgepakt. Duitsland regelde treinen voor moeders en kinderen die naar Duitsland wilden vluchten. Ook mijn moeder nam ons mee naar Duitsland. Uiteindelijk werden we ondergebracht op een boerderij in de buurt van Nienburg. Ik wist dat er ook een jongetje zou zijn: eindelijk een speelkameraadje. Ik liep het erf op en zag de jongen. ‘Sie sind Landerverräter!’, schreeuwde hij me toe. De volgende dag gebeurde hetzelfde op de school waar ik naartoe werd gestuurd: kinderen noemden mij en mijn broers landverraders. Opnieuw een afwijzing, weer een bevestiging dat wij ‘fout’ waren. Ons hele gezin.”

“Na drie maanden gingen we terug naar Nederland. Even verbleven we nog in Almelo, in een gebouw waarvan mijn vader beheerder was. Er kwam steeds nieuw speelgoed waarmee ik mocht spelen. Mijn moeder zei dat het van kinderen was geweest die waren verhuisd. Pas als puber besefte ik dat het speelgoed waarschijnlijk van Joodse kinderen afkomstig was. Dat besef hakte erin, ik heb me er jarenlang schuldig over gevoeld.”

Foute groep

“De dag voor de bevrijding van Almelo vluchtte mijn moeder met mij en mijn broers naar Oude Pekela, mijn vader zou later volgen. We verbleven bij een NSB-boer, naar wie meer gezinnen waren gevlucht. Op een dag hoorden we een enorm lawaai, alsof er zware wagens aankwamen. En we hoorden mensen juichen. Ik werd nieuwsgierig en rende naar de landweg. Het waren bevrijders, Canadese soldaten op hun jeeps.”

“De bevolking was uitgelopen om ze binnen te halen. Ze stonden te juichen en meiden klommen op de wagens om bij de soldaten te zijn. Sommige mensen zongen het Wilhelmus. Op hetzelfde moment dat de bevrijders aankwamen, verschenen er twee zwarte auto’s die bij de boerderij stopten. Er stapten mannen uit van de binnenlandse veiligheidsdienst. Direct werden de boer en de boerin opgepakt. De menigte schold hen uit: ‘Lelijke rot-NSB’ers, nu krijgen jullie je verdiende loon.’ Er werden moeders opgepakt die moesten zeggen welke kinderen bij hen hoorden. Mijn moeder zat buiten achter de paardenstal op een stoel. Ik rende naar haar toe. Er stonden al mannen bij haar en ik hoorde haar zeggen: ‘Ik ben geen lid van de NSB.’ Iets wat overigens klopt, mijn moeder is zelf nooit lid geworden. De mannen geloofden haar en lieten ons gaan.”

“Te voet gingen we terug naar huis. Vijf weken lang hebben we gelopen, onder de luizen en in dezelfde kleren. Als landlopers kwamen we weer in Almelo aan. Daar stonden onze oude buren ons op te wachten: ‘Vieze vuile NSB’ers, oprotten!’ In ons huis woonden al andere mensen. Mijn moeder vertrok met ons naar haar vader, bij wie we gelukkig wel welkom waren. Inmiddels was mijn vader opgepakt, hij werd veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf. Toen pas kreeg ik van mijn moeder te horen dat hij bij een verkeerde politieke partij had gehoord en daarom werd gestraft. ‘Maar hij is nooit ergens bij betrokken geweest’, zei ze. Nog steeds wist ik niet wat de NSB was, alleen dat het een foute groep was en dat wij dus ook fout waren.”

NSB'er

Altijd zwijgen

“Iedereen was blij met de bevrijding, maar ik voelde me helemaal niet bevrijd. Thuis is er nooit meer, met geen enkel woord, over de oorlog gerept. Niets werd uitgelegd, dus ik ging zelf alles invullen. Wij waren een slecht gezin, dat was me duidelijk. Ik kreeg er een enorm minderwaardigheidscomplex van. Dat werd erger toen ik weer naar school ging. De hele lagere school, elke klas opnieuw, heb ik in mijn eentje in een bankje achter in de klas gezeten. Niemand wilde naast me zitten of met me spelen. Als ik maar heel lief ben en precies doe wat ze willen, mag ik vast weer een keertje meedoen, dacht ik. Dus ging ik pleasen. Dan werd op het schoolplein de bal heel ver weggeschopt en ging ik hem halen. ‘Je dacht zeker dat je nu mee mocht spelen, echt niet!’, kreeg ik dan te horen. Vijf jaar lang werd ik gepest en buitengesloten. Met Koninginnedag mocht ik als enige kind van school niet op de versierde boerenwagen zitten. ‘Jij hoort niet meer bij Nederland en je hoort niet meer bij onze koningin’, beet de juf mij toe. Tot ver in mijn volwassen leven vierde ik geen Koninginnedag of Bevrijdingsdag. Daar had ik het recht niet toe, vond ik.”

“Ook toen mijn vader weer vrijkwam, werd nergens over gepraat. Hij was er gewoon ineens weer. In 1950 verhuisden we naar Den Haag, omdat hij daar werk vond. Ik ging naar de middelbare school en kon eindelijk opnieuw beginnen op een plek waar niemand ons kende. We bleven zwijgen. Ik nam me voor: nooit ga ik iemand vertellen wie mijn vader is, want dan lig ik er weer uit. Ik kreeg nieuwe vriendinnen. Als ze vroegen naar mijn achtergrond, vertelde ik gewoon dat ik uit Almelo kwam, verder niets bijzonders. Ik weet nog dat ik me schaamde toen de Holocaust werd behandeld tijdens de geschiedenisles. Als de dood dat klasgenoten ‘iets’ aan me zagen. Na school ging ik de verpleging in. Ik trouwde met mijn eerste man, die ik heel summier wel de waarheid over mijn vader vertelde. We kregen zes kinderen. En ik zag mezelf als een doodgewone vrouw en moeder. Mét een groot geheim. Mijn ouders zijn jong overleden. Nooit heb ik aan hen vragen over de oorlog kunnen stellen.”

Opluchting

“In 2001 stapte mijn jongste broer naar het Nationaal Archief, omdat hij meer wilde weten over onze vader. Hij belde mij en zei dat er meer aan de hand was dan we dachten. Ik besefte dat ik niet meer moest weglopen voor mijn verleden. En dus ging ik ook en las ik mijn vaders dossier. Zo ontdekte ik dat mijn vader had meegewerkt aan razzia’s. Daarbij was een Joods gezin opgepakt, die mensen hebben de oorlog niet overleefd. Ik nam het voor kennisgeving aan. Maar twee nachten daarna zat ik ineens rechtop in mijn bed. ‘Moordenaar! Ze hadden je levenslang moeten geven!’, schreeuwde ik. Ik was razend op mijn vader. Hij was een moordenaar, en wie was ik dan? Ik kreeg een identiteitscrisis en besefte dat ik hulp nodig had.”

“Zo kwam ik bij een praatgroep van Stichting Werkgroep Herkenning terecht. Daar trof ik lotgenoten. Iedereen deed zijn verhaal. Er werd heel wat afgehuild. Ook ik mocht voor het eerst praten. Samen hielpen we elkaar om af te rekenen met de schuldgevoelens en de schaamte. Want wij zijn niet de schuldigen. Ik herkende veel, ook in het gedrag van andere lotgenoten. Net als zij was ook ik altijd bang om iets fout te doen. Kritiek van mijn kinderen kon ik niet verdragen, die ervoer ik als een afwijzing. Mijn minderwaardigheidscomplex was groot, net als mijn faalangst. Voor examens was ik altijd extreem zenuwachtig. Bang om fouten te maken. En ik voelde me voor alles en iedereen verantwoordelijk. Typische eigenschappen die ik had meegenomen uit de oorlog. Wat een opluchting om dit met anderen te kunnen delen. Toen pas voelde ik me bevrijd.”

Mijn verhaal

“Na twee jaar hield de praatgroep op, maar ik bleef betrokken bij de stichting. Ik ben bestuurssecretaris en hulpverlener bij de werkgroep. Aanvankelijk voelde dat heel veilig, omdat ik onder de radar bleef: ik had alleen maar contact met lotgenoten. Dat veranderde toen onze werkgroep tien jaar geleden door Kamp Westerbork werd benaderd met de vraag of we een spreker hadden voor gastlessen op scholen. Niemand van onze leden durfde het te doen. Dus deed ik het. Op mijn twaalfde had ik gezworen het altijd geheim te houden, maar moest ik me daaraan houden? Nee. Ook dit verhaal moest worden verteld.”

“NSB-kinderen sterven uit. Als wij het verhaal niet vertellen, wordt het nooit verteld. Met die eerste gastles op een basisschool trad ik in de openbaarheid. ‘Welkom in de klas, kind uit de oorlog’, hing er op de deur. Ik schoot vol. Voor het eerst was ik gewenst op een school. Ik merkte dat het vertellen mij heel goed lag. Tegenwoordig kom ik weleens op tv en geef ik samen met andere lotgenoten van onze werkgroep geregeld gastlessen op scholen. Ik geniet van de openheid van de kinderen. Ik vertel dat we minder moeten denken in termen als ‘goed’ en ‘fout’. Mensen maken soms verkeerde keuzes, maar we zíjn niet fout. En we moeten personen al helemaal niet afrekenen op de daden van hun ouders. Mijn nare jeugd benut ik nu voor iets positiefs. Vrijheid is dat ik mag zijn wie ik ben. En dat groeit nog steeds. Zo mooi dat ik dat nog mag meemaken.”

M18-Cover-HR-JPG-1

Dit artikel is eerder verschenen in Margriet 18– 2020 Dit nummer teruglezen? Ga dan naar Magazine.nl.

Tekst | Anne Broekman
Fotografie | Mariel Kolmschot

Ook interessant