MT43 Persoonlijk Bijlmerramp Beeld

PREMIUM

‘Je wilt altijd maar iedereen redden en dat kan niet’

Carola Corver (62) uit Zaandam was een van de eerste vrouwelijke ambulancechauffeurs in Nederland. Ondanks de enorme liefde en passie voor haar werk, droeg de Bijlmerramp er mede toe bij ermee te stoppen. “Op een gegeven moment was mijn limiet bereikt.”

“Dat ik niet wist wat ik zou aantreffen vond ik het ergste. Ik had al zo veel meegemaakt op de ambulance. Terwijl ik naar de GG&GD-garage in de Valckeniersstraat in Amsterdam reed, spookten er allerlei beelden door mijn hoofd. Wat ga ik straks zien? Ik ging er op dat moment nog van uit dat het om een passagiersvliegtuig ging. Er zouden honderden doden en gewonden kunnen zijn. Verkoolde lichamen, mensen met ernstige brandwonden. Verschrikkelijk, daar keek ik niet naar uit. Maar het was mijn werk, hè. Daar had ik voor gekozen.”

Acht ritjes op een dag

“Oorspronkelijk ben ik een Rotterdamse. Ik ben daar in 1960 geboren. Een groot katholiek gezin van zes kinderen, ik was de vierde. Mijn ouders verhuisden halverwege de jaren zestig naar de Zaanstreek waar ik opgroeide. Daar ben ik na de middelbare school in de gezondheidszorg terechtgekomen. Ik miste uitdaging in mijn werk en solliciteerde als chauffeur bij de ambulancedienst van de GG&GD in Zaandam. Ik werd een van de eerste vrouwen op een ziekenwagen. Omdat in die tijd in Zaandam vrouwen nog geen nachtdiensten mochten draaien, ben ik overgestapt naar de ambulancedienst in Amsterdam waar dat wel kon.”

“Ik vond het werk geweldig. Met zo’n grote Chevrolet in grote vaart door de stad, vaak over de trambaan, continu opletten of trams wel stopten of, als ik door rood reed, de andere weggebruikers me wel voorrang verleenden. Mijn collega zat ondertussen met een stratenboek in z’n hand, waarop ik met een half oog naar de route keek. Je zit altijd met twee man op zo’n wagen; als chauffeur moest ik de verpleegkundige assisteren. Het was heel afwisselend werk, ik kwam overal. Het ene moment stond ik in Carré en het volgende bij mevrouw Jansen driehoog achter.”

“Je had een dagdienst, een avonddienst en een nachtdienst. In die tijd draaide je nog gewoon zeven nachtdiensten achter elkaar. Maar ik was sterk en ik vond het heerlijk om met kerels te werken. Een warm bad. Als ambulancedienst van de GG&GD Amsterdam deden we toen ook het lijkenvervoer van niet-natuurlijke sterfgevallen. Sommige mensen lagen weken dood in hun huis en dan moesten wij ze opruimen. Het is onvoorstelbaar wat mensen elkaar kunnen aandoen. Daar kun je niet op trainen en nazorg was er destijds nog niet. Je ging maar door. Soms had ik wel acht ritjes op een dag en zag daarin meer ellende dan wat een ander in zijn hele leven ziet. Afstompen deed het nooit, bij mij niet in elk geval.”

Mistig van de rook

“In 1992 was ik getrouwd en had drie kinderen; een tweeling van vijf en eentje van zeven. Voor andere dingen dan mijn gezin en werk had ik het te druk. Maar het werk gaf energie. Die zondag 4 oktober was een mooie dag geweest. ’s Avonds was ik mijn haar aan het wassen toen de telefoon ging: ‘Iedereen moet komen, er is een vliegtuig neergestort!’ Direct ging ik naar de garage in Amsterdam. Het was er afgeladen druk, echt iedereen was er. Zelfs mensen die al weken ziek thuis hadden gezeten. Er is dus echt wel iets aan de hand, besefte ik.”

“We kregen te horen dat een vliegtuig zich in een flat in de Bijlmer had geboord en dat er waarschijnlijk veel slachtoffers waren en dat we ons op het ergste moesten voorbereiden. We kregen een auto toegewezen en een portofoon. Daarna meldden we ons aan bij de meldkamer. Gek genoeg ging mijn eerste rit niet naar de rampplek; we hadden een onwel-melding op de Wallen. Want ja, de spoedritjes in de stad gingen gewoon door natuurlijk. Daarna werden we naar het AMC gestuurd om een overlevende van de vliegramp met ernstige brandwonden met spoed naar Brandwondencentrum Beverwijk te brengen. Dat was heftig. De man was helemaal ingepakt en lag aan de beademing. Vervolgens gingen we naar de rampplek. Daar was het onwezenlijk, de spots van de brandweer en politie verlichtten de rampplek, het was mistig door de rookontwikkeling. Ik moest ontzettend nodig naar de wc, net als een vrouwelijke agente. Die mannen stonden tegen bomen te plassen, wij konden nergens heen. We zijn toen naar een politiepost gereden. Weer terug kreeg ik te horen: ‘Ga maar naar huis en slapen, morgenochtend melden op de ambulancepost.’ Het was inmiddels duidelijk dat het om een vrachttoestel ging en dat er niet heel veel gewonden waren.”

Waslijnen met zwartgeblakerd wasgoed

“De volgende dag moest ik wel even slikken toen we in de Bijlmer aankwamen met de ambulance bij de verbindings-commandowagen. Ik was vaak voor mijn werk in de Bijlmer geweest, nu was het een groot desolaat gebied. Dat vliegtuig was zijdelings dwars door twee flatgebouwen gegaan en had daar een groot gat in geslagen. Het was doodstil. Er hing nog steeds een penetrante geur en een soort nevel. De brandweer was nog aan het nablussen. Ik herinner me vooral dat overal aan de waslijnen van de nog overeind staande flatgedeeltes zwartgeblakerd wasgoed hing, ergens brandde een broek aan de lijn.”

“We zijn gaan rondlopen met elkaar, we waren allemaal verbijsterd. We hadden op vliegramenrampen geoefend op Schiphol-Oost. Dan komen er allerlei soorten slachtoffers – acteurs natuurlijk – op je af; de een mist een arm, de ander is verbrand. Daar ga je dan mee aan de slag. Dit was het echte werk, op zoiets kun je je niet voorbereiden. Overal lagen brokstukken van het toestel. In het puin werd gegraven en gezocht naar slachtoffers. En naar je hoopt: overlevenden. Maar er werd niemand meer gevonden, ik kan me niet herinneren dat er na mijn komst nog iemand is vervoerd door ons. Op een lijstje vond ik dat er in totaal maar dertien gewonden door ons zijn afgevoerd vanaf de rampplek. Weinig dus.”

“Terwijl er werd gegraven en opgeruimd hebben we daar nog een dag of vier gestaan met een enkele ambulance. Of beter: rondgehangen, want het was echt hangen. Minister van Binnenlandse Zaken Ien Dales en Koningin Beatrix kwamen langs, Dales heeft nog even met ons gepraat. Op de Dreef was een pompstation geconfisqueerd waar we eten en water kregen en naar de wc konden. We hoefden deze keer geen dodelijke slachtoffers af te voeren. En toch blijft het altijd bij je. Vooral die aanblik en geur zijn mij bijgebleven. We wisten op dat moment ook niets van schadelijke stoffen die in het vliegtuig hadden gezeten. Ik herinner me vooral een penetrante lucht. Op een gegeven kwamen er Israëli’s, die waren van El Al. Ze deden daar een eigen onderzoek. Ze liepen in hun nette pakken en op hun nette schoenen door de smeulende puinhoop. We hebben toen gezegd: ‘Hier heb je onze witte pakken’ – dezelfde pakken die we nu met covid aantrekken, we hebben ze standaard in de ambulance liggen. Later kwamen de verhalen over mysterieuze mannen in witte pakken, er kwam zelf een parlementaire enquête over. Vanwege onze uitgeleende pakken?”

Verdriet in de ogen

“Na afloop van de ramp is er een evaluatie geweest. Iedereen die op de rampplek was geweest werd medisch gekeurd. Ik heb van geen enkele collega gehoord dat die er blijvend letsel of schade aan heeft overgehouden. Ik ook niet. We gingen over tot de orde van de dag, er waren weer nieuwe ritten die gereden moesten worden en nieuwe nare gebeurtenissen. Zoals drie maanden later de Martinair-ramp in het Portugese Faro die ook aan tientallen mensen het leven kostte – weer een vliegramp. Wij hebben toen op Schiphol de gewonden opgevangen die uit Portugal werden overgevlogen. In colonne zijn we met ze naar Utrecht naar het calamiteitenhospitaal gereden. Ik ben de angst en het verdriet in de ogen van die mensen nooit meer vergeten.”

“Sinds 2009 zit ik niet meer op de ambulance, dat is mijn eigen keuze geweest. Op een gegeven moment was mijn limiet bereikt. Natuurlijk heeft de Bijlmer daar ook invloed op gehad, zulke grote dingen blijven je altijd bij. De melding heb ik het ergste gevonden; wat ga ik aantreffen? We hebben daar gedaan wat we konden. Ik ben nooit naar de herdenkingen geweest. Ik doe nu de planning van de auto’s bij Ambulancedienst Amsterdam. Ik zorg ervoor dat ze bemand zijn, een megaklus. Er is onvoldoende personeel, veel mensen hebben momenteel covid. Maar die auto’s moet wel rijden. Ik ben de hele dag aan het regelen. We doen ook de grote evenementen, zoals concerten. En voetbalwedstrijden. Ik vind het prima zo. Het is te veel geweest. Je weet aan het begin van je carrière niet wat je tegenkomt en hoe je zult reageren. Dat je op een plek zult staan waar een vader zijn hele gezin heeft gedood en dan de pieper weer gaat: ‘Steekpartij op de Wallen, met spoed erheen.’ Of dat je in de Bijlmer met je ambulance staat te wachten omdat er een kind te water is geraakt en er een brandweerman met dat kind in zijn armen uit het water komt, of ouders die aan je staan te trekken. Je wilt altijd iedereen maar redden en dat kan niet. Ik ben een perfectionist, ik wilde mijn werk goed doen. Misschien was het wel niet goed dat ik ooit die kant op ben gegaan. Maar ook al was het vaak te heftig, ik heb ook een heel mooie tijd gehad.”

Bram de Graaf

Op alle verhalen van Margriet rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@margriet.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden