Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

Persoonlijk

Iet (89) zat tijdens de oorlog in een jappenkamp: ‘Continu was er angst’

iet-89-zat-tijdens-de-oorlog-in-een-jappenkamp-continue-was-er-angst.jpg

Van december 1942 tot augustus 1945 zat Iet van Hoeve in een jappenkamp op Java. Ze heeft daar nooit veel over gepraat, want dóórgaan en vóóruitkijken was het credo na de oorlog. Maar wat waren het zware jaren geweest…

“Mijn hartsvriendin Anneke en ik hadden in het kamp een tam vogeltje dat kon praten, een koetilang. Elke morgen openden we het kooitje en dan vloog het naar buiten. Eerst cirkelde het een paar keer boven onze hoofden, waarna het de ruimte koos. In gedachten vlogen we mee. Zo voelden we ons voor even niet zo opgesloten, waren we vrij. Ook klommen we in de bomen op het kampterrein. Dan wezen we naar de vulkaan verderop en zeiden: ‘Als de Jappen zijn verslagen, gaan we die beklimmen.’ Aan dat vooruitzicht hielden we ons vast.”

Oost-Java

“Ik ben geboren in Soerabaja op Oost-Java als oudste van een gezin met vier kinderen. Mijn vader was daar gouvernementsarts. Ik had een heerlijke jeugd. Vrijheid, blijheid. Altijd op blote voeten buiten spelen, in het weekend naar zee. In 1937 verhuisden we naar Jogjakarta op Midden-Java, waar mijn vader hoofd van de geneeskundige dienst werd. We woonden in een groot huis met een enorme tuin en hadden allerlei bediendes, zoals een baboe voor het huishouden en een kokkie. Ik had zowel blanke als inlandse vriendinnetjes. Eén van hen vertelde eens toen we langs een waringin-boom liepen dat die heilig was en dat haar voorouders daarin woonden. Sindsdien heb ik nooit meer aan de luchtwortels van zo’n boom gehangen.

Bezetting

“Van het begin van de oorlog heb ik weinig meegekregen. Opeens waren de jappen er: kleine mannetjes met vreemde petjes. Aanvankelijk had mijn vader goed contact met hun militaire artsen die in Oxford hadden gestudeerd en met wie hij Engels sprak. Ze waren vriendelijk en wilden samenwerken. Hij was erg opgelucht na dat gesprek; het zou wel meevallen met hun bezetting. Op een dag moest hij verplicht naar een bijeenkomst van hooggeplaatste Nederlanders met de Japanse autoriteiten om de situatie te bespreken. Mijn moeder probeerde hem ervan te overtuigen niet te gaan, maar hij zei: ‘Dit is belangrijk.’ Hij kwam niet terug. Ik zie nog al die vrouwen op straat aan elkaar vragen: ‘Is jouw man al terug?’ Ze waren allemaal gevangen gezet, bleek.

Vanaf dat moment werd het grimmiger. Scholen en banken sloten. Op een dag werd ik op straat door een jap aangehouden. Voor een interneringskamp van Nederlandse militairen stonden drie jongemannen aan palen vastgebonden. Ze waren gesnapt toen ze terugkwamen van een familiebezoek. Hoewel de Japanners dit eerst toestonden, beschouwden ze het van de een op de andere dag als hoogverraad. De drie hadden hun graf al moeten graven. Met gebogen hoofden stonden ze in de brandende zon, terwijl iedereen moest toekijken. Ik voelde aan dat er iets verschrikkelijks ging gebeuren en kon wegglippen. Ze zijn even later met bajonetsteken afgemaakt.”

Naar het kamp

“Geld kwam er niet meer binnen. De bedienden vertrokken. Om aan voedsel te komen verkocht moeder spullen uit ons huis. Ik merkte dat ze zich veel zorgen maakte. Hoe lang zouden we dit volhouden? Het was bijna een opluchting toen in december 1942 het bericht kwam dat we geïnterneerd zouden worden. Dan was het voedselprobleem tenminste opgelost. In vrachtwagens werden we met zo’n tweehonderd andere Nederlandse vrouwen en kinderen naar het dorpje Banjoebiroe gebracht, vijftig kilometer noordelijker. We werden ondergebracht in een afgekeurde kazerne, kamp Banjoebiroe 11 genaamd. We kregen eerst een eigen kamer. Met de tafel, stoelen en bedden die we hadden mogen meenemen maakten we er iets huiselijks van.

Maar er kwamen steeds meer mensen bij en ook wij kwamen toen op een zaal terecht, waar we hutjemutje op elkaar lagen. Het was er benauwd en lawaaiig. Alle vrouwen en oudste kinderen hadden een taak in het kamp. Ik was het hulpje van de kleuterjuf. Zij werd echter ziek en toen moest ik het als dertienjarige alleen doen. Ik paste op zo’n twintig kinderen. Ik tekende met hen en leerde hen liedjes uit het hoofd, zoals Op een klein stationnetje. Dan liepen we in een lange rij door het kamp uit volle borst zingend. Dat vond iedereen leuk.”

Overleven

“Eten is overleven, dat leerde ik al snel. Als de gong klonk, moesten de blokken om de beurt eten halen in de gaarkeuken. In het begin hadden we een Javaanse kampleiding en mochten we zelf nog koken boven een vuurtje. Moeder stuurde ons eropuit om slakken te zoeken, die ze bakte. Andere vrouwen kregen dat in de gaten en algauw was er geen slak meer te vinden in het kamp. Het werd slechter toen de Japanners zelf de kampen gingen besturen. Het kamp was berekend op 250 mensen, maar we waren op het eind met bijna tweeduizend. Het eten was daar niet op afgestemd. Ons voedsel bestond voornamelijk uit sago, een soort meel van de palmboom. Je moest het aanlengen met water en dan was het net behangplaksel, we noemden dat ‘blubber’. Er zat nauwelijks voeding in. Erbij kreeg je een beetje rijst.”

Pisangboompje

“Mijn broer Co vond ergens een pisangboompje. We plantten dat voor ons blok. Ook dat mocht dat niet van de Japanners, maar ze gedoogden het. Er groeide een trosje bananen aan dat groter en groter werd. Het water liep ons al in de mond. Maar toen ze bijna rijp waren, vond de jap het welletjes: we moesten de plant omhakken. We waren niet eens terneergeslagen, zo apathisch waren we inmiddels. Als gevolg van het tekort aan vitaminen kregen we allemaal beriberi – hongeroedeem; het lichaam zet dan helemaal op van het vocht en je voelt je beroerd.

Kinderen vroegen aan elkaar: ‘Hoe lang kan jouw vingertje in je enkel blijven staan?’ Want als je het indrukte, zat er een deukje in je huid. Nieuwe gevangenen brachten wandluizen en ziekten mee, zoals kinkhoest. Veel kindjes kregen het en het gierende hoesten was verschrikkelijk om te horen. Ook brak er difterie uit. Een vierjarig meisje uit ons blok overleed eraan. Sommige kinderen verloren hun moeder, dan waren we allemaal ontdaan.”

Lees ook:
Schrijfster Marion Bloem: ‘Ik ben het gelukkigst als ik met mijn kleindochters ben’

Angst

“Continu was er angst – nog steeds voel ik dat op mijn borst, als ik eraan terugdenk. Zouden we ooit uit het kamp komen? Elke ochtend moesten we voor de galerij worden geteld door de Japanners. De kinderen stonden vooraan, de voorste mocht het nummer van de rij noemen. We hadden in het Japans leren tellen tot tien: ichi, ni, san, shi, go, roku, chichi, hachi, ku, ju….. Mijn zusje Ank riep een keer op haar beurt enthousiast ‘roku’ – zes. Maar ‘roku’ betekent in het Maleis – de taal die wij moesten bezigen, tegenover de Japanners – ‘roken’ of ‘rokertje’. Het was toevallig een aardige jap en hij vroeg lachend: ‘Mau roku?’ – wil je roken? En hij gooide haar een pakje toe waar nog een paar sigaretjes in zaten.

Voor elke jap moest je buigen, ook de jongste kinderen. Wie niet boog, kreeg klappen. En als een kind niet goed boog, kreeg de moeder ze.

Om extra eten te hebben, werd er aan het gedek – de bamboeschutting om het kamp – stiekem door dappere vrouwen met Javanen geruild. Een paar eieren voor een horloge. Een keer werd er een Javaan betrapt die met hen handelde. Hij werd bont en blauw geslagen door het kamp geleid. De vrouwen namen collectief de schuld op zich en moesten de hele dag geknield op het plein voor het kantoor van de kampleiding in de brandende zon zitten, terwijl de kinderen binnen bleven bij de oude vrouwen. Een Japanner met een zweep ranselde hen af. Ik was doodsbang dat hij mijn moeder hard zou slaan.”

Bevrijding

“Elke dag werden er vrouwen naar het kantoortje van de kampleiding geroepen. Meestal kregen ze dan te horen dat hun echtgenoot was overleden. Op een dag werd ook mijn moeder opgeroepen. In het begin ontvingen we via het Rode Kruis soms een berichtje van mijn vader, maar nu hadden we al maanden niets meer van hem gehoord. We vreesden het ergste. Mijn zus Ank en ik hebben moeder, die doodziek was van de malaria, erheen ondersteund. Tot onze verbazing was er geen overlijdensbericht, maar hoorden we dat de oorlog voorbij was.

Vanaf dat moment konden we openlijk voedsel ruilen met de inheemse bevolking tegen onze kleding. De honger was voorbij, al moest je uitkijken om niet meteen te veel te eten. Zo’n eerste eitje of kippetje smaakte natuurlijk fantastisch. Mijn broertje Co had sinds januari 1945 in een jongenskamp in de buurt gezeten en kwam terug. Hij was helemaal dik van de beriberi. Op een dag wilde hij een kampvriendje bezoeken dat naar zijn moeder in een kamp in Ambarawa was gegaan, zes kilometer noordelijker. Samen gingen we op pad. Ik vond het heerlijk om weer door de natuur te wandelen. Op de terugweg werden we bedreigd door een stel opgeschoten jonge Javanen. We waren ontzet.

In het kamp hoorden we dat we er niet meer uit mochten, omdat opstandelingen de buurt onveilig maakten. In de dagen erna werd er vanuit de bergen een paar keer op ons geschoten met mortieren. Opnieuw zaten we opgesloten. Was dit nu de bevrijding? Waar bleven onze Nederlandse soldaten? De gehate jappen moesten ons nu ‘beschermen’ tegen de ‘ploppers’, zoals de Indonesische opstandelingen werden genoemd die ons allemaal graag wilde omleggen met hun klewangs en bamboesperen.”

Repatriëring

“Opeens verscheen mijn vader in het kamp, wat een weerzien! Hij kwam ons in een vrachtwagentje met een paar Brits-Indische soldaten ophalen. Al die tijd bleek hij in een kamp bij Magelang te hebben gezeten, dertig kilometer verderop. We moesten onmiddellijk met hem mee omdat het bij ons te gevaarlijk was, ik kon nauwelijks afscheid nemen van Anneke. Met een rotvaart reden we naar Magelang. Vanuit daar vertrok ons gezin kort daarop naar Ambon, waar een schreeuwend tekort was aan artsen. Omdat we een grote leerachterstand hadden, besloot moeder met de kinderen voorjaar 1946 terug naar Nederland te gaan. Hoewel we in de zomer aankwamen, vond ik het hier maar bar koud. We gingen bij haar familie in Groningen wonen.”

Iet en haar familie na het Jappenkamp
Iet en haar familie, herenigd na het Jappenkamp

Niet over gesproken

Er werd met geen woord meer over het kamp gesproken. Het credo was: het is voorbij, we gaan weer verder. De Nederlanders wilden er ook niets van weten. Na hun belangstellende vraag: ‘Hoe was het bij jullie?’, volgde meteen: ‘Maar jullie hadden het tenminste lekker warm, wij hebben de Hongerwinter gehad.’ Omdat ik drie jaar bijna geen onderwijs had gehad, kwam ik als vijftienjarige in een klas terecht met jongere boerenkinderen. Ik had nauwelijks aansluiting met hen en stortte me op school. Het duurde jaren voor ik me hier echt thuis voelde. Anneke was al eerder naar Nederland gekomen en ik heb haar nog een paar keer gezien na de oorlog. Ze werd verpleegster en we verloren elkaar uit het oog toen ze in Papoea-Nieuw-Guinea ging werken.

Pas in de jaren negentig kregen we weer contact, ze was toen inmiddels ernstig ziek. Ik kan me niet herinneren dat we veel over de kampjaren spraken. Daar hadden we het te druk voor. Ook mijn drie kinderen heb ik weinig over die tijd verteld. In 1993 ben ik met een gezelschap van voormalige kampkinderen terug naar Java gegaan. Ons kamp was allemaal sawa geworden. Toch was het was fijn om terug te zijn. Die geuren van de bloemen en het fruit, de atmosfeer; er kwamen herinneringen boven aan mooie, onbezorgde kinderjaren. Pas toen kon ik het echt afsluiten.”

Tekst | Bram de Graaf
Fotografie | Mariël Kolmschot

Dit artikel verscheen eerder in Margriet 35-2020. Deze editie nabestellen kan via magazine.nl.

Ook interessant