MT46 M46 interview jan siebelink Beeld Marloes Bosch.
Beeld Marloes Bosch.

PREMIUM

Jan Siebelink: ‘Ik vind het niet moeilijk om vanuit het vrouwelijke perspectief te schrijven. Misschien omdat ik zelf ook feminiene trekjes heb’

Auteur Jan Siebelink (84) dacht dat hij wel klaar was met schrijven over de bloemkwekerij van zijn ouders. Tot februari van dit jaar. In minder dan vier maanden schreef hij Brengschuld, waarin opnieuw de teloorgang van de kwekerij centraal staat.

Jans biografie

Jan Siebelink (1938) groeit op in Velp, waar zijn vader een kleine bloemkwekerij runt. Hij wordt onderwijzer en studeert vervolgens Franse taal- en letterkunde. In 1975, op zijn 37ste, maakt hij zijn literaire debuut met Nachtschade. Daarna volgen vele romans, waaronder De herfst zal schitterend zijn, En joeg de vossen door het staande koren, De overkant van de rivier en Margaretha. Met Knielen op een bed violen breekt hij in 2005 door bij het grote publiek. Met de roman over de kwekerij van zijn ouders en het religieus extremisme van zijn vader wint hij de AKO Literatuurprijs. Ook wordt het boek genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en de NS Publieksprijs en verfilmd door Ben Sombogaart. Daarna verschijnt van Siebelink ook weer regelmatig een nieuwe roman, zoals Margje en De buurjongen die samen met Knielen op een bed violen een drieluik vormen. In 2019 schrijft hij het Boekenweekgeschenk Jas van belofte. Zijn nieuwe roman Brengschuld ligt nu in de winkel.

Jan Siebelink begon pas met schrijven toen zijn vader overleed en brak op zijn 67ste door bij het grote publiek met Knielen op een bed violen. In de deels autobiografische roman vertelt Siebelink hoe zijn vader in de ban raakt van een streng religieuze sekte en daardoor de kwekerij en zijn gezin steeds meer verwaarloost. Het zorgt voor armoede en ellende, ze raken hun huis en de kwekerij kwijt. In de boeken die volgen komen vaak dezelfde thema’s aan bod, maar steeds vanuit een ander perspectief. “Daarna dacht ik: nu heb ik er alles wel over gezegd,” vertelt Siebelink, zittend in de lommerrijke tuin van zijn huis in Ede. “Maar toen had ik het briefje nog niet gekregen.” Over dat briefje later meer.

De 84-jarige Siebelink oogt opvallend jeugdig, zelfs lichtvoetig – en niet alleen vanwege zijn hippe donkerroze, suède schoenen. Hij praat levendig, gaat van de hak op de tak, springt af en toe op om iets te laten zien of om een bloemetje te plukken waarvan hij de heerlijke geur even wil laten ruiken. Licht en vrolijk. Toch heeft hij genoeg reden om somber te zijn, begint hij. “Alleen al om wat er nu allemaal in de wereld gebeurt. Maar ook omdat veel leeftijdgenoten om mij heen wegvallen. Van de afgelopen zomer overleden collega-schrijver Remco Campert zijn de woorden ‘de dood is niks, dus waarom zou je er bang voor zijn?’ vertelt Siebelink. “Maar daar ben ik het niet helemaal mee eens. De dood boezemt mij wel degelijk angst in. Al was het maar omdat je alles wat zo mooi is moet verlaten, zoals deze tuin. Dat is toch heel erg!”

MT46 M46 interview jan siebelink Beeld

Bent u veel met de dood bezig?

“Eigenlijk altijd. Dat komt niet doordat ik ouder word, maar heeft te maken met mijn karakter, het zorgelijke en angstige zit in mij. Als puber was ik bijvoorbeeld bang dat ik mijn ouders kwijt zou raken of zelf iets onder de leden had. Ik was een fanatiek turner, deed mee aan wedstrijden, en was altijd bang dat het mis zou gaan. De angst verlamt mij gelukkig niet. Hij zet mij eerder aan tot reflecteren en schrijven, ook als manier om hem te bezweren of een plek te geven.”

In uw nieuwe boek Brengschuld, dat zich opnieuw afspeelt rond de kwekerij van uw ouders, duikt een briefje op van de huisbaas waaruit blijkt dat de bewoners er altijd hadden mogen blijven wonen. Alles had anders kunnen lopen als dat briefje eerder op tafel was gekomen. Bestaat dat briefje echt of heeft u dat verzonnen?

Siebelink aarzelt, denkt zienderogen na voor hij antwoordt: “Ik heb zo’n soort briefje gekregen, ja. Rond mijn verjaardag, in februari van dit jaar. Die brief ontstelde mij erg. Ik zag meteen weer levendig voor me wat mijn ouders hadden ondergaan, en wist nu dat dat niet allemaal nodig was geweest. Dit briefje wierp een heel ander licht op die geschiedenis en haalde zo veel naar boven. Mijn ouders hadden tijdens de oorlog die huisbaas gered, uit dankbaarheid deed hij hen die toezegging. Maar die had hen dus nooit bereikt. We hadden in het huis kunnen blijven, het niet hoeven verkopen. Het paradijs van mijn jeugd had kunnen blijven bestaan. Ik kon niet anders dan daarover schrijven, deze roman werd mij in de schoot geworpen.”

Het lijkt ook bijna alsof u geen keuze heeft, steeds weer opnieuw over die kwekerij móét schrijven. Verlangt u nooit naar schrijven over een andere wereld?

“Dat heb ik ook wel gedaan, over wielrennen bijvoorbeeld, in Pijn is genot en over Margaretha van Parma, een historische roman. Maar het is waar, uiteindelijk kom ik meestal uit bij de kwekerij. Ik denk dat iedere schrijver uiteindelijk één onderwerp heeft dat hij tot het diepste wil uitwerken, een thema waar je alles mee verbindt. Voor mij is dat de kwekerij. Ik was er zo mee verbonden, beleefde er zo’n gelukkige jeugd. Het was toch een klein trauma dat dat paradijs zo ruw werd verstoord. Daarbij is de kwekerij natuurlijk ook een geweldige metafoor voor het leven. Het geploeter, het harde werken, de zon- en schaduwzijden, het groeien en bloeien, en het doodgaan.”

MT46 M46 interview jan siebelink Beeld

In Brengschuld schrijft u voor het eerst over de oorlog. Waarom deed u dat niet eerder?

“Tijdens de oorlog was ik een jong kind, ik kreeg er niet zo veel van mee. Aan de andere kant heb ik wel veel beelden in mijn hoofd van die tijd, en best wat foto’s. De kwekerij lag in Velp, na de slag om Arnhem was al het glas uit de kassen kapot, dat maakte veel indruk. Ook herinner ik me de evacués die toen bij ons onderdak kregen. Ik heb eerder wel gezocht naar een vorm om die gebeurtenissen te beschrijven, maar die vond ik niet. Nu wel. Het briefje trok alles omhoog, ook de oorlog. Alles viel ineens op zijn plek.”

U was lange tijd docent Frans. Waardoor bent u alsnog gaan schrijven?

“Ik schreef altijd al wel, en vertaalde ook boeken, zoals À rebours van de Franse auteur van Nederlandse afkomst Joris-Karl Huysmans. Dat inspireerde mij om zelf ook serieus te gaan schrijven. Toch begon dat eigenlijk vrij intuïtief. Kort nadat mijn vader was overleden, zat ik op een avond bij mijn moeder in de zitkamer. We spraken over van alles, ze maakte een beschuit met aardbeien voor me. Plots haalde ik een blocnote uit een laatje en begon te schrijven. Die avond schreef ik in een adem Witte chrysanten, het moest er gewoon uit. De volgende dag, na schooltijd, schreef ik alles netjes over. Ik belde Johan Polak, de uitgever voor wie ik À rebours had vertaald, en liet het hem lezen. Zo is het begonnen.”

U durfde niet te schrijven zolang uw vader nog leefde?

“Niet bewust, maar het had er wel mee te maken. Hij moest er niet meer zijn opdat ik kon schrijven. Ik was niet bang voor zijn oordeel. Maar ik wilde hem denk ik wel sparen. Ik wilde hem er niet mee confronteren of in verlegenheid brengen. Dat verdiende hij niet.”

In uw boeken komt uw vader naar voren als een onmogelijke man, erg moeilijk om mee te leven. Toch spreekt u met veel liefde over hem.

“Hij was geen moeilijke man, geen moeilijke vader. Ik heb een heel fijne jeugd met hem gehad. Met het geloof dat hij aanhing had ik wel moeite. Als zestienjarige jongen probeerde ik daar met hem over in discussie te gaan, maar dat wilde hij niet. ‘Wij mensen moeten over die ingewikkelde vragen helemaal niet nadenken, dat doet God zelf wel,’ zei hij dan. Ik nam hem ook wel dingen kwalijk. Hoe meer hij in dat geloof verstrikt raakte, hoe minder hij geïnteresseerd was in het aardse. Naar mijn schoolrapport keek hij niet. En ik voelde me zó verantwoordelijk, ook voor de kwekerij. Maar de liefde voor hem was veel sterker dan de frustratie.”

MT46 M46 interview jan siebelink Beeld

Pas op uw 67ste brak u door bij een groter publiek. Wat deed dat met u?

“Toen Knielen een succes werd, was ik al lang weer bezig met een volgend boek, Suezkade. Ik was dus vooral hard aan het werk. Maar ik kon zeker ook genieten van het succes hoor, en van de inkomsten die ik erdoor had. Het leven werd er makkelijker door. We hebben ons huis mooi laten verbouwen, met een archiefkelder waar wel negentig klappers staan met brieven en ander materiaal. Ik kocht een mooie auto, en later ook nog een sportautootje. Er zijn nu 58 drukken van Knielen, zevenhonderdduizend exemplaren, dat is wel wat, dat bedenk je niet van tevoren. Natuurlijk ben ik daar heel blij mee. En mooi is ook dat mensen door het succes van Knielen mijn andere werk alsnog zijn gaan lezen.”

U bent 84 en schreef in vier maanden een roman. Waar haalt u de energie vandaan?

“Ik ben altijd heel beweeglijk en energiek geweest. Ik sta elke ochtend om zes uur op, dan zit ik buiten met onze hond Sarah, of in mijn studeerkamer, en kijk ik naar al dat mooie groen in de tuin. Om halftien ga ik met Sarah naar de hei, ik wandel eerst rustig en ga dan over in looppas en onderbreek die met korte sprintjes. En ik fiets nog veel. Ik heb een heel mooie racefiets. Hij was ooit van Jesper Skibby, de Deense wielrenner die in de Gazelleploeg zat. De directeur van die ploeg was de vader van Erik Breukink. Ik kende die familie goed. Toen Erik afscheid nam, had ik een mooi stuk over hem geschreven in de Volkskrant. Zijn vader gaf mij daarop de oude fiets van Skibby, die paste goed bij mijn postuur.”

Siebelink haalt de fiets uit de schuur, een ouderwets, opvallend groen exemplaar.

“Kijk, hij heeft mijn naam er nog in gegraveerd. Ik fiets er een paar keer per week een tochtje van veertig kilometer mee.”

Zet u wel een helm op?

“Nee, ben je gek, dat is geen gezicht. Het gaat toch om de schoonheid, of niet?”

U kunt zich opvallend goed in uw vrouwelijke personages verplaatsen. Hoe doet u dat?

“Dat gaat eigenlijk vanzelf, ik vind het helemaal niet moeilijk om vanuit het vrouwelijk perspectief te schrijven. Misschien omdat ik zelf ook wel veel feminiene trekjes heb. De eigenaar van boekhandel Donner in Rotterdam noemde mij eens de vrouwelijkste schrijver van Nederland, daar herken ik me wel in. En ik vind het ook heel leuk om over vrouwen te schrijven; ik heb dat veelvuldig gedaan, zoals in Margaretha, Vera en natuurlijk Margje, over mijn moeder.”

Wat voor relatie had u met uw moeder?

“We hadden een sterke band, en veel contact. We deden het voor mijn gevoel echt samen. Mijn vader was kwetsbaarder dan mijn moeder, en had meer steun nodig. Mijn moeder stond veel steviger en realistischer in het leven dan hij. Zij hield het gezin op de rails. Ze had niets met zijn geloof, maar verder stond ze achter mijn vader. Qua liefde zat het goed, ze hadden een goed huwelijk.”

U bent ook al heel lang samen met uw vrouw, Gerda. Wat typeert jullie relatie?

“Ik kende Gerda al van de kweekschool; ze viel mij op. Maar niet alleen mij, ze had veel vriendjes. Toen ik MO Frans ging studeren en zij MO Nederlands troffen we elkaar bij de ingang van een school in Arnhem, waar een bijzondere lezing was. Zij had geen idee wie ik was, maar zo kregen we contact. Ik wilde haar per se hebben, deed daar echt mijn best voor. Toch is het ook vaak aan en uit geweest, ik vond het lastig me te hechten. Maar langzaamaan werden we toch steeds hechter. We hebben drie kinderen, en zes kleinkinderen. Maar wat ons typeert? Ach, de liefde, het is iets ongrijpbaars, laat zich moeilijk vangen in woorden. Als ik probeer het te beschrijven, schiet ik toch tekort.’

Even is hij stil, denkt weer rustig na, en zegt dan broodnuchter: “Ik heb Gerda ook gewoon hard nodig, ze is bijvoorbeeld veel beter digitaal onderlegd dan ik.”

Wat voor een vader bent u?

“Een heel makkelijke vader! Ik stond heel veel toe, er was weinig wat niet mocht. Ik zat altijd op mijn kamertje, was veel bezig met het schoolwerk, en zat daarnaast vaak te typen. Maar mijn deur stond altijd open. Het was een gezellig huishouden, er werd altijd veel muziek gemaakt en er kwamen veel kinderen over de vloer. En ook nu komen onze kinderen met hun kinderen vaak langs, soms allemaal tegelijk, de honden mee, heel gezellig. Ik houd van die reuring.”

MT46 M46 interview jan siebelink Beeld

Het calvinisme van uw vader lijkt bij u ver weg. Heeft dat u toch niet echt aangeraakt?

“Jawel, dat zit diep in mij. Dat merk ik vooral in het feit dat ik altijd iets moet doen, moet presteren. Ontspannen achterover leunen vind ik lastig. En dan die gedachten over de dood dus. Mijn vader was heel bang dat hij als hij doodging zou worden beoordeeld, en toch onvoldoende goed zou hebben gedaan. Na je dood is er een instantie die nog met je na wil praten, dat zit ook in mij. Doe ik het wel goed? Ben ik wel voldoende op de ander gericht? Moet ik niet beter en sterker in God geloven? Dat houdt mij bezig.”

Het klinkt als een last.

“Dat valt mee. Maar toen ik over mijn vaders geloof schreef, had dat veel impact, het benauwde mij zeer. Bij het schrijven van de slotscène van Knielen had ik letterlijk geen adem meer. Dat was angstaanjagend. Volgens de longarts was er fysiek niets met mij aan de hand. Daarna werd het minder. Ik heb mijn vaders lijden naar mezelf toegehaald, er woorden voor gevonden, en het daarmee kunnen loslaten. Zelf eer ik het geloof. Ik heb er moeite mee als mensen honend over religie praten. In de westerse wereld sijpelt de transcendente dimensie weg, alles is maakbaar. Dat is natuurlijk helemaal niet waar, kijk naar de wereld van nu. Bij mij is er altijd een verlangen, een hunkering naar dat er toch nog iets is buiten het zichtbare en meetbare. Ik heb een sterk gevoel voor de mystieke kant van het leven. Verder kom ik ook niet.”

MT46 M46 interview jan siebelink Beeld

Jans favorieten

Schaduwkind

“Het boek Schaduwkind van P.F. Thomése is mij altijd zo bijgebleven. Het boek gaat over het verlies van zijn dochtertje Isa. Thomése slaagt erin het meisje in taal te laten voortbestaan. Het is een soort getijdenzang, elk woord is raak. Heel mooi en indringend.”

Lathyrus

“Mijn tuin is een bron van inspiratie voor mij. Er groeit zo veel, van kruisbessen en Golden Delicious tot de mooiste bloemen. De lathyrus was de lievelingsbloem van mijn vader, en heeft daardoor ook weer een speciale betekenis voor mij. Hij ruikt zo heerlijk. Als hij van de een op de andere dag in bloei staat, doet me dat echt wat.”

Maserati

“Ik heb niet per se veel met auto’s, maar door het succes van Knielen had ik ineens geld. Ik kon zomaar iets exorbitants doen. Ik heb toen een speciale Maserati gekocht, met een Ferrari-motor en rode velgen. Ik heb hem inmiddels weer verkocht, maar het was heerlijk daar een tijdje in te rijden.”

Deirdre EnthovenMarloes Bosch.

Op alle verhalen van Margriet rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@margriet.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden