Persoonlijk

Lettie Noorlander (62) raakte ernstig verbrand: ‘Ik durfde niet naar mezelf te kijken’

brandwonden.jpg

In een factie van een seconde was het gedaan: een steekvlam trof Lettie in 2011 in haar gezicht en hals en aan haar linkerarm en hand. Het herstelproces van haar brandwonden duurde bijna drie jaar.

“Ik bleek veel sterker dan ik had gedacht.”

Spiegel vermijden

“In het ziekenhuis wilde ik mijn brandwonden niet zien. Ik wist dat ik dan enorm zou gaan piekeren. Over de behandeling. Over mogelijke blijvende littekens. Over het verlies aan zelfstandigheid als ik mijn hand en arm niet goed meer zou kunnen gebruiken. Dus sloot ik mijn ogen als mijn verbanden werden verwisseld en vermeed ik de spiegel als ik naar de wc ging. Maar na een paar dagen moest ik er van de dokters en verpleegkundigen toch aan geloven. Het was belangrijk voor de verwerking, zeiden ze. Met veel moeite richtte ik mijn blik op mijn hand. Die zag er nog erger uit dan ik had verwacht. Mijn huid leek wel een stuk rauw gehakt. Pas veel later heb ik de foto’s van de rest van mijn oorspronkelijke wonden bekeken. Dat was een rare gewaarwording; ik herkende mezelf nauwelijks terug. Als ik de beelden van toen vergelijk met hoe ik er nu uitzie, ben ik er wonderbaarlijk goed vanaf gekomen.”

In brand

“Het gebeurde op een mooie avond in april. Met een grote groep vrienden was ik in de tuin van een van hen aan het barbecueën. Voor de gezelligheid had iemand een bio-ethanolbrander op tafel gezet. Toen die dreigde uit te gaan, besloot de achttienjarige dochter van mijn beste vriendin hem bij te vullen. Onbedoeld kneep ze te hard in de fles brandstof en spoot die direct op mij. Automatisch weerde ik de straal af met mijn linkerarm. Maar ik kon niet voorkomen dat de vloeistof behalve op mijn arm en hand ook in mijn hals en gezicht kwam. Omdat ze door de vlam heen had gespoten, vloog ik direct in brand.

Toevallig hadden verschillende aanwezigen een diploma voor bedrijfshulpverlening. Zij wisten dus precies wat ze moesten doen; een geluk bij een ongeluk. Eén van hen gooide zijn jasje over me heen om het vuur te doven. Daarna hebben ze me op de grond gelegd, mijn kleren opengeknipt en natte doeken over me gedrapeerd, die ze steeds met water overgoten. Dat bleven ze doen, tot de brandweer en ambulance er waren, die de hulpverlening overnamen. De pijn was zo overweldigend, dat ik hem op dat moment niet eens voelde. Ik denk dat je brein in zo’n geval uit zelfbescherming een deel uitschakelt. Verder kreeg ik van de ambulancebroeders al snel een infuus met morfine.

Intensive care

In het brandwondencentrum van het Maasstad Ziekenhuis stond een heel team op me te wachten. Ze maten al mijn verwondingen op, brachten ze in kaart en maakten er foto’s van. Zestien procent van mijn totale huidoppervlak bleek verbrand, met allemaal tweede- en derdegraads brandwonden. Verpleegkundigen smeerden de aangetaste stukken huid in met een speciale zalf en zwachtelden me in. Daarna ging ik naar de intensive care.”

Transplantatie

“24 uur per dag kreeg ik morfine. Daarmee was de pijn draaglijk, zes op een schaal van tien. Totdat de verpleegkundigen mijn verbanden kwamen verwisselen. Dat moest elke dag gebeuren. Ik kan niet in woorden uitdrukken hoe verschrikkelijk het was. Voor elke verbandwissel kreeg ik een extra dosis pijnstilling, maar die haalde weinig uit. De verbanden plakten aan mijn brandwonden. Elke dag weer moest ik daarom eerst een uur in bad om ze los te weken. Vervolgens haalden verpleegkundigen met watjes de oude zalf van mijn brandwonden. Hoe voorzichtig ook, het voelde alsof ze met grof schuurpapier tekeergingen. Daarna werd alles opnieuw ingesmeerd en ingezwachteld.

Na een week waren nog niet alle brandwonden dichtgegaan. Om infectie te voorkomen, moesten de open plekken worden bedekt met gezond vel van een ander lichaamsdeel. Met een soort kaasschaaf haalde een chirurg een grote lap vel van mijn rechterbovenbeen. Die knipte hij in stukjes en bevestigde ze met 265 nietjes op mijn hals, arm en hand. Na de operatie moest ik nog drie weken in het ziekenhuis blijven om te herstellen. Ook toen gingen de verbandwissels elke dag door.

Mijn gezicht was het minst erg verbrand, dus daar was een huidtransplantatie gelukkig niet nodig. In plaats daarvan zat er een speciale zalf op, die in de loop van de weken van wit naar zwart verkleurde. Beetje bij beetje haalden de verpleegkundigen het hard geworden zalfmasker eraf. Wonderbaarlijk genoeg kwam daaronder nieuwe huid te voorschijn. Weliswaar vuurrood, maar zonder littekens. De opluchting was overweldigend.”

Revalidatie

“Vier weken na het ongeluk mocht ik naar huis. Maar daarmee was ik er nog lang niet. Een half jaar lang moest ik steeds terug naar het ziekenhuis om de brandwonden opnieuw te laten zalven en verbinden. Eerst drie keer per week, later twee keer. Al die tijd bleef ik morfine gebruiken, anders was de pijn niet te doen. Pas toen alle wonden goed waren genezen, kon ik aan de eigenlijke revalidatie beginnen. In het ziekenhuis was ik al voorzichtig gestart met fysiotherapie voor mijn hand. De muis daarvan was ernstig beschadigd, waardoor ik mijn duim niet goed kon gebruiken en moeilijk dingen kon vastpakken. Vanaf het begin ben ik daar heel fanatiek mee gaan oefenen. Als ik straks maar weer kan autorijden, dacht ik steeds – mijn auto is mijn zelfstandigheid.

Lees ook:
Anna’s man Huib heeft MS: ‘Toegeven dat iets niet meer gaat, is misschien wel het lastigste’

Alle behandelingen die volgden waren geen pretje, maar ik greep ze met beide handen aan. Alles wat ik kon doen om het resultaat te verbeteren, was meegenomen. Gelukkig hielpen ze ook daadwerkelijk. Inmiddels kan ik alles weer met mijn arm en hand doen. Alleen als het koud is, voel ik nog dat de huid wat strakker staat.”

Niet zielig

“Tijdens het hele herstelproces was nazorgverpleegkundige Anneke van het brandwondencentrum mijn steun en toeverlaat. Twee jaar lang ging ik regelmatig bij haar langs. Dan beoordeelde ze niet alleen mijn huid, maar praatten we ook over hoe het met me ging. Ze hield in de gaten of ik niet te snel te veel ging werken en of ik geen last kreeg van nachtmerries of herbelevingen. Uiteindelijk wilde ze het begeleidingstraject niet beëindigen, voordat we samen de foto’s van mijn verbrande lichaam hadden bekeken. Hoe moeilijk ook, ik ben toch blij dat ik dat heb gedaan. Het heeft me geholpen om te accepteren wat me is overkomen.

Ik heb me trouwens wel lang verzet tegen het idee dat ik een brandwondenpatiënt ben. Ik weet nog dat ik met mijn zoon naar een dag van de Brandwonden Stichting ging. Daar was ook een plastisch chirurg, die een lezing hield. Ik was van plan hem te vragen wat er nog te doen was aan een lelijke plek in mijn nek. Maar toen ik daar allemaal mensen zag die veel ernstiger verbrand waren dan ik, durfde ik niet meer. In vergelijking met hen zag ik er heel normaal uit. Dan moest ik me ook niet aanstellen, vond ik. ‘Jij bent net zo goed een slachtoffer,’ zei mijn zoon. Zelfs na al die jaren vind ik dat een lastig idee. Ik wil niet zielig zijn.”

Mazzel

Ondanks dat ik het in het begin heel moeilijk vond om naar mijn eigen wonden te kijken, heb ik me nooit voor mijn lichaam geschaamd. Het was een ongeluk waar niemand iets aan kon doen. En ik heb enorme mazzel gehad dat ik zo goed ben hersteld. Ik doe dus geen extra moeite om mijn hals en arm te bedekken. En ik loop ook gewoon in badpak.

Vreemd genoeg heb ik nog de meeste moeite met het litteken van de huidtransplantatie op mijn been. Dat is een groot, wit vlak dat – in tegenstelling tot mijn verbrande huid – niet kleurt in de zon. Ik vind het vooral lastig te verkroppen dat mijn been ‘kapot’ is gemaakt, terwijl daarmee niets aan de hand was. Het was natuurlijk voor een goed doel, maar toch klopt dat gevoelsmatig niet.”

Sterker

“Wat ik na die fatale avond nooit had kunnen vermoeden, was dat deze hele ervaring me zo veel sterker zou maken. Vroeger was ik best bedeesd, nu deins ik nergens meer voor terug. Zo heb ik vorig jaar op mijn 61ste nog mijn taxipas gehaald, iets wat ik altijd al wilde. Ik kan zo veel meer dan ik dacht, weet ik nu. Dat geeft zelfvertrouwen.

Met mijn beste vriendin en haar dochter heb ik nog altijd goed contact. We hebben het nooit echt uitgepraat, maar dat hoeft van mij ook niet. Het meisje deed het niet expres, dus ik neem haar niets kwalijk. Het schuldgevoel was voor haar al moeilijk genoeg.”

Tekst | Marte van Santen

Dit interview verscheen eerder in Margriet 33-2020. Deze editie nabestellen kan via magazine.nl.

Yeah, Margriet is genomineerd voor Website van het Jaar 2020!
Help jij ons winnen? Stem dan snel

Ook interessant