Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

Persoonlijk

Maud (90) kwam na de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog naar Nederland

indonesische-onafhankelijkheidsoorlog-margriet.jpg

Maud Hendriks-Hemmes uit Doorn maakte de Japanse bezetting van Nederlands-Indië en de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog (1945-1949) mee. Ze is een van de ruim driehonderdduizend Indische Nederlanders die na de oorlog naar Nederland kwamen.

Luxe

“Een groot huis met galerijen en een enorme tuin. Een jongen die het eten opdiende, één voor de afwas en één voor de bedden. Een kokkie en een baboe. Als mijn twee jaar jongere zusje Reen en ik met de riksja naar school werden gebracht, reed zij er op de fiets achteraan. Het was heel luxe. Mijn vader, die accountant was bij de belastingdienst, kwam uit een gegoede familie die een suikerplantage beheerde. Hij had een witte Hollandse moeder en Indische vader. Het is allemaal weg. Een andere tijd.”

Blote voetjes

“Ik ben geboren op 9 juni 1930 in Soerabaja. Vanwege mijn vaders werk verhuisden we vaak. Ik vond dat niet leuk, want elke keer moest ik nieuwe vriendinnetjes maken. Reen kon dat veel beter, die is brutaler. Ik wachtte af: wie komt er naar mij? Het kwam altijd goed. Hoewel we naar christelijke scholen moesten – die waren voor welgestelde mensen – ging ik soms ook naar een openbare school als die dichterbij lag. Ik zat dan naast meisjes die op blote voetjes liepen, dat vond ik veel leuker. Aan Malang, een mooie stad op Oost-Java met brede bomenlanen, heb ik de meeste herinneringen. Het was er koel, want het lag hoger.

Vader

Ik hield veel van mijn vader: een stoere, mooie man. Hij had een Harley Davidson-motorfiets, dat maakte indruk. Mijn moeder, een echte Indische, viel als een blok voor hem. Hij haalde haar met die motor op van school, alle meisjes waren jaloers. Met mijn moeder botste ik vaak. We leken te veel op elkaar, allebei koppig. Als ik iets niet mocht, hield ik stug vast. En zij ook. Als mijn vader dan tussen de middag thuis was van zijn werk en hij in de garage sleutelde, ging ik bij hem zitten. In een hoekje keek ik toe, er werd niets gezegd. Hij wist hoe laat het was. Af en toe moest ik hem een stuk gereedschap aangeven. Het zijn momenten die ik koester.”

Lees ook:
Iet (89) zat tijdens de oorlog in een jappenkamp: ‘Continu was er angst’

Oorlog

“De oorlog kwam, veel veranderde. Scholen werden gesloten, witte Nederlanders moesten het kamp in. Wij, vanwege ons kleurtje, niet. Veel mensen in onze buurt werden uit huis gezet; daar trokken Jappen in. Over de spoorbaan achter ons huis reden geblindeerde treinen waarmee mensen naar kampen werden vervoerd, een naar gezicht. Ook mijn vader werd opgepakt. Hij was in die tijd chauffeur van een ziekenhuisarts en belandde in een krijgsgevangenkamp vlakbij. We gingen er met de fiets vaak langs. Hij zat dan achter het gazen hek onder een boom te wachten. We mochten niet met elkaar communiceren, maar hij streek dan door zijn haar om contact te maken.

Overleden

Op een dag was hij er niet, we maakten ons grote zorgen. Hij lag in de ziekenboeg, hoorden we. Niet veel later kwam het bericht dat hij was overleden, het had iets met zijn nieren te maken. Met hulp van enkele Jappen hebben we hem begraven. Mijn moeder was er kapot van, ze was haar grote liefde kwijt en is nooit hertrouwd. Een tante uit Batavia kwam een tijdje over met de trein om voor ons te zorgen.

Waterleiding afgesloten

Mijn moeder stond er alleen voor, er kwam geen geld meer binnen. De bedienden werden ontslagen, veel huisraad werd verkocht of geruild voor voedsel. Er kwamen andere mensen bij ons wonen, die uit hun huis waren gezet. De waterleiding was afgesloten, aan het eind van de straat was een pomp. Reen en ik moesten elke dag met emmers en teilen erheen, anders konden we niet koken en ons wassen. We waren hecht, zijn we nog steeds. Hebben veel steun aan elkaar. We sleepten elkaar door die moeilijke tijd.”

Maud (rechts) en haar zus

Bersiap

“Op een ochtend waren de Japanners verdwenen. Overal om ons huis lagen hun uitrustingstukken. Zou de oorlog voorbij zijn? Al snel werd duidelijk dat de oorlog toen voor ons pas echt begon, de Bersiap. Soekarno had op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid uitgeroepen en we bevonden ons in Republikeins gebied. Omdat we voor de oorlog welgesteld waren, vader voor de Nederlanders had gewerkt en wij een lichtere kleur hadden, werden we op straat uitgejouwd. Opgeschoten jongeren, de pemoeda’s, bedreigden ons met bamboesperen. Ze gingen iedere Europeaan en iedereen met een beetje wit bloed te lijf. Er waren ook goede Indonesiërs die hen in toom probeerden te houden. Ze zeiden dat het voor onze veiligheid beter was om naar een door hen bewaakt kamp te gaan. We hadden niets te kiezen, we moesten.

Vertrouwen

Mijn vriendin Roos was met haar familie teruggegaan naar hun plantage en pemoeda’s hebben hen allemaal vermoord; alleen Roos overleefde, omdat de baboe haar had verstopt. Voor we gingen, heeft mijn moeder een diep gat in onze tuin gegraven, waarin we ons kostbaarste spullen verstopten. Het tafelzilver, een versierde dolk van haar grootvader. Ik vond het allemaal heel verwarrend. Wie was een goede Indonesiër? Wie kon ik vertrouwen en wie niet? Ja, de goeden bewaakten ons, de slechten hingen in de hekken om het kamp naar ons te schreeuwen. Soms schoten ze op ons, dan moesten we rennen voor ons leven. De bewakers vuurden dan terug.

Kamp

In het kamp kregen we weinig te eten. Als er iemand stierf, gingen veel vrouwen mee naar de begraafplaats buiten om spullen te kopen of te ruilen. Moeder ruilde kleding met een schoonmaker in het kamp, dat moest stiekem, want anders werd hij gestraft. Ik zie hem nog in mijn vaders trouwpak onder zijn eigen kleren staan.

Opslagkamer

Een huis werd gebruikt als opslagkamer en op een nacht werd de deur daarvan opengebroken. Vrouwen stormden naar binnen en met mijn vriendinnetje Wya ging ik erachteraan om ook iets te pakken. Maar een bewaker ontdekte het en schoot naar binnen. Er was maar één uitweg, de voordeur. In de deuropening lag een gedode vrouw. We sprongen over haar heen en zijn weggerend.”

Lees ook:
Kitty (86) overleefde het Jappenkamp: ‘We hoefden niet meer te buigen of bang te zijn’

Pukkeltje

“We hebben ongeveer een jaar in dat kamp gezeten. Ik had weer geen school; er was één schoolboekje met Nederlandse gezegden, die kan ik sindsdien dromen. Toen kwam het bericht dat het kamp werd ontruimd, we zouden de volgende dag vertrekken. We mochten alleen meenemen wat we konden dragen, de rest moesten we achterlaten. Ook de honden. Ze werden allemaal afgemaakt. Mijn zusje is met onze pekinees Pukkeltje in de rij gaan staan; ik kon dat niet, want ik was dol op dat beest. Toen ze aan de beurt was, was het serum op. We hebben hem bij iemand achtergelaten die het zou regelen. Wat ik voelde, weet ik niet meer, misschien was ik al murw geworden van alle gebeurtenissen. Mijn moeder deed erg haar best om ons nergens mee te belasten.

Naar Batavia

De volgende dag werden we in vrachtwagens naar het station van Malang gebracht. Ik heb er geen moment aan gedacht dat het de allerlaatste keer was dat ik de stad zou zien. Op het station werden we opnieuw uitgejouwd door Indonesiërs. Sommigen probeerden ons aan te vallen en onze spullen te roven, maar we werden goed bewaakt. In een geblindeerde trein gingen we op weg. Uren reden we door de sawa’s en kwamen bij een vliegveld. In een hangar sliepen we op onze bagage en wachtte op wat ging komen. Toen het licht werd, vertrokken mensen in groepjes met een toestel. De laatste vlucht zou naar Batavia gaan, daar woonde mijn moeders familie. Het vliegtuig was van canvas, zag er krakkemikkig uit. Ik vond het vreselijk eng en was zo blij toen we in Batavia landden.”

Dansen in Batavia

“In Batavia beleefde ik misschien wel de mooiste periode van mijn leven. Met z’n drieën deelden we een kamertje bij familie. Ik kon weer naar school en je merkte er nauwelijks iets van gevechten. Er waren veel soldaten, ook uit Holland. En een aandacht dat ik van die mannen kreeg! Het was altijd feest; overdag les en ’s avonds naar het zwembad waar een bandje speelde en gedanst werd. Ik danste met iedereen. Mijn moeder ging vaak mee en hield me goed in de gaten. Ik werd voor het eerst verliefd, had een paar vriendjes. Keuze zat, haha.

Huwelijksaanzoek

Op een moment kreeg ik een huwelijksaanzoek en toen vond moeder het welletjes. Ze heeft via mijn vaders kantoor geregeld dat we naar Nederland konden. Hij had nog recht op groot verlof en daarom konden we met het vliegtuig, terwijl de meesten met de boot moesten. Er werd niet aan mij gevraagd wat ik wilde, we gingen gewoon. Moeder is nog naar Malang gereisd om de begraven spullen op te halen. Ze was net op tijd, want de grond was al overal omgewoeld; ze waren duidelijk op zoek geweest.

Afscheid

In Batavia bleef oma achter, we namen afscheid en ik heb haar nooit meer gezien, ze is daar overleden. We vlogen van vliegveld naar vliegveld om te tanken; Bangkok, Ceylon, we waren dagen onderweg. Zo kwamen we zomer 1948 in Nederland. Ik had geen idee wat ik moest verwachten en liet alles gelaten over me heen komen. In Indië hadden we op school veel les over Nederland gehad, ik kende alle provincies en hun hoofdsteden. Ik had altijd Nederlands gesproken, nauwelijks Maleis.

Den Haag

We kwamen in een pension in Den Haag terecht. Elke avond aten we in de keuken Hollandse pot. Ik vond dat niet erg. Voor mijn Hollandse oma werden in Indië altijd aardappelen, groente en vlees gekookt, terwijl wij Indisch aten. Ze wilde altijd met me ruilen van bord, ik was er gek op. In Den Haag heb ik op een meisjesschool, waarop veel Indische leeftijdsgenootjes zaten, mijn diploma gehaald.”

Indische jongeren

“Niet alle Hollanders waren aardig. Sommigen konden het niet uitstaan dat wij als repatrianten extra etensbonnen kregen. Soms werden we uitgescholden of riepen ze ons na. Ik kreeg opmerkingen over mijn huidskleur, soms gebeurt het nog. Ik heb daar veel last van gehad. Moeder zei dan: ‘Niets van aantrekken. Die Hollanders zitten uren in de zon om een beetje bruin te worden en jij hoeft dat niet.’ Maar het heeft er wel voor gezorgd dat ik nog altijd voorzichtig ben met mensen, terughoudend. In Den Haag trok ik daarom veel met Indische jongeren op. Elk weekend fietsten we naar Scheveningen om tot midden in de nacht te dansen.

Getrouwd

Zo ontmoette ik Ruud, die op de marine-officiersopleiding in Den Helder studeerde. Tijdens de oorlog had hij in een jongenskamp gezeten, zijn vader had in Japanse mijnen moeten werken. Ruuds ouders waren in Indië achtergebleven, daarom logeerde hij in het weekend bij zijn tante in Den Haag met wiens zoons ik veel om ging. Ruud was goed voor me. We kenden elkaars verhaal, maar we hebben er nooit veel over gepraat. We zijn in 1956 getrouwd, in 1957 werd onze eerste dochter geboren. Daarna kwam er nog een dochter en een zoon. Als marineofficier werd Ruud telkens uitgezonden, dan gingen we mee. We hebben in Nieuw-Guinea, op Curaçao en in en het Midden-Oosten gewoond. En in Nederland altijd in Doorn, waar de marinierskazerne ligt en ik nog steeds woon.

Lees ook:
Henny Dormits herdenkt dat ze 75 jaar geleden de oorlog overleefde: ‘Er zijn meer goede dan slechte mensen’

Koken

Op zijn vijftigste mocht Ruud al met pensioen, waarna we veel uitstapjes hebben gemaakt. Ik ben nooit terug geweest naar Malang of Java, ik was bang dat het een teleurstelling zou worden; het land is zo veranderd. We hebben in Nederland als Indische mensen geleefd; met verjaardagen veel eten met familie en vrienden. Ik heb wat afgekookt, terwijl ik daar eigenlijk helemaal niet van houd. Na Ruuds overlijden negen jaar geleden heb ik dat nooit meer zo uitgebreid gedaan.

Trots op mijn moeder

Ik mis het samenzijn, maar ben blij dat ik nog op mezelf woon, want ik houd er niet van als ze tegen me zeggen hoe laat ik dit of dat moet doen. Ik heb een prima leven gehad, daar en hier. Hier en daar heb ik wat gebreken, maar verder mag ik niet klagen. Van nare herinneringen heb ik geen last, mijn moeder heeft dat goed gedaan. Ook al was onze verhouding niet goed, ik ben trots op haar.”

Artikelen van Margriet.nl ontvangen in je mailbox?
Schrijf je in op margriet.nl/nieuwsbrief.

Tekst | Bram de Graaf
Fotografie | Mariel Kolmschot

Margriet 03


Margriet 03 ligt nu in de winkel! Een extra dik nummer in het teken van body positivity, zelfvertrouwen en zelfacceptatie. Ook lees je een openhartig interview met Tjitske Reidinga, 59x zo houd je je relatie leuk en spannend én een aantal verre familierecepten.Haal het nummer snel in huis of bestel ‘m online zonder verzendkosten.

Ook interessant