Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

Persoonlijk

Henny Dormits herdenkt dat ze 75 jaar geleden de oorlog overleefde: ‘Er zijn meer goede dan slechte mensen’

oorlog-margriet.jpg

Henny (1929) is een van de ongeveer vijfduizend Joodse Nederlanders die levend de concentratiekampen tijdens de oorlog verliet. Ondanks alle gruwelijkheden die ze meemaakte, is ze nooit bang geweest. Dit jaar herdenkt ze dat ze 75 jaar geleden de oorlog overleefde.

“Hoe het komt dat ik nog zo kwiek ben? Weet jij het?”

Twee concentratiekampen

“Ik heb met mijn ouders en twee jaar oudere zus Lily, die ook nog leeft, in twee concentratiekampen gezeten tijdens de oorlog. Ik weet wat honger is. Toen we uit de oorlog terugkwamen – dat woord gebruik ik altijd: ‘terugkwamen’, een stom woord daarvoor eigenlijk – hadden we niets meer. Geen dak boven ons hoofd, geen geld; mijn vader had vijf zaken gehad en die waren allemaal ingepikt of weg, en er leefde nauwelijks nog familie; 65 familieleden hadden de oorlog niet overleefd. Maar ik had een heel bijzondere vader. Hij heeft er alles aan gedaan om mijn moeder, zus en mij een leuk leven te geven. We zijn naar Lugano, Parijs en Nice geweest, ’s avonds gingen we dansen op het Gevers Deynootplein in Scheveningen, waar we woonden. Ik heb mijn ouders nooit zien huilen. Gek, hè?”

Een goed huwelijk

“Mijn ouders hadden een geweldig huwelijk, maakten nooit ruzie. Moeder had straatvrees, we ondernamen nooit iets met haar. Mijn vader nam daarom een kindermeisje aan, Bep Kanis. Ze was 26 toen ze bij ons kwam en is altijd bij ons gebleven, een man heeft ze nooit gehad. Ze was ontzettend lief. We waren haar alles en noemden haar ‘juffie’. Op zondag nam ze ons mee naar haar eigen moeder, dan gingen mijn ouders bridgen. Mijn vader speelde in de hoofdklasse. Soms speelden ze thuis met vrienden en deed mijn moeder mee. Zij maakte veel fouten, dan zei vader: ‘Janny, wat kan jij toch lekker koken!’ Dan wist ze dat ze iets stoms had gedaan. Zoals veel Haagse Joden woonden we eerst bij de synagoge in de binnenstad. Op mijn achtste verhuisden we naar Scheveningen.”

Voor Joden verboden

“Voor de oorlog was ik er helemaal niet van bewust dat ik Joods was, we gingen nooit naar de synagoge. Maar van gevluchte Duitse Joden begreep mijn vader dat we niet veilig waren, mochten de Duitsers ooit Nederland bezetten. In mei 1940 gebeurde dat dus. Met het hele gezin zijn we naar de Scheveningse haven gegaan om te kijken of we mee konden met een vissersboot naar Engeland. Het lukte niet. Omdat er de eerste maanden niets gebeurde, waren we maar wat blij dat we hier waren gebleven, want we hoorden dat sommige boten met vluchtelingen waren gezonken. Ons leven ging verder. Maar vanaf begin 1941 werd de een na de andere beperkende maatregel doorgevoerd. Opeens stonden overal bordjes: ‘Voor Joden verboden.’ Kon ik het park niet meer in of mocht ik niet meer met de tram. Met mijn niet-Joodse vriendinnetjes mocht ik niet meer omgaan, ik snapte er niets van.”

Lees ook:
Iet (89) zat tijdens de oorlog in een jappenkamp: ‘Continu was er angst’

Gele davidster

“Gelukkig trokken de meesten zich daar niets van aan. Vanaf mei 1942 moesten we een gele davidster op onze kleding dragen. Op straat werd ik door het zoontje van een NSB’er bespuugd. Ik vond dat afschuwelijk, maar liep gewoon door, want mijn vader had gezegd: ‘Als iemand je uitscheldt of duwt, niets terugdoen. Denk erom!’ Ook moest ik naar een Joodse school in de Duinstraat, maar dat was heel gezellig. Steeds meer klasgenootjes verdwenen echter, de klas werd kleiner en kleiner.”

Valse dooppapieren

“Via het verzet kon mijn vader valse dooppapieren regelen. Daarop stond dat we in 1938 waren gedoopt in de protestantse kerk. Elk zondag ging ik met mijn zus naar de jeugddienst in de Kloosterkerk in Den Haag. Ik was nooit naar een synagoge geweest, maar dit vond ik heel leuk. Omdat we niet meer met de tram mochten, moesten we lopen. Twintig minuten. Een niet-Joodse tweeling uit de buurt die daar ook naar toeging, liep mee. Vonden ze gezellig. Ik besefte toen al: er zijn slechte en goede mensen. Toch waren die dooppapieren geen garantie voor onze veiligheid: eind 1942 kregen we een oproep om ons te melden.”

Onderduikadres

“Mijn vader vond toen een onderduikadres bij een jong echtpaar, Jan en Diny Geradts op de Valkenboskade in Den Haag. Als Joden mochten we tijdens de oorlog na acht uur ’s avonds niet meer over straat. We scheurden onze sterren van de kleding en verlieten in het pikkedonker ons huis om erheen te gaan. Alles lieten we achter; dat is wat, hoor. Een koffer konden we niet meenemen, dat zou opvallen. Ik droeg daarom verschillende kledingstukken over elkaar. Vader en Lily liepen voorop, ik met moeder erachter; niet te dichtbij, maar wel genoeg om elkaar te zien, want alles was verduisterd. Ik was voor het eerst doodsbang. Wat stond ons te wachten?

Het echtpaar was geweldig. Achter in hun huis hadden ze drie kamertjes voor ons ingericht. Juffie bracht nog wat spulletjes over uit ons eigen huis, zoals boeken en spelletjes. Ik heb me er nooit verveeld. We hebben er vijf maanden gezeten, toen zijn we verraden. Waarschijnlijk zijn de Duitsers een jongen gevolgd die vlees naar onderduikadressen bracht. We werden overgebracht naar de Scheveningse gevangenis. Daar verscheurde een Nederlandse SS’er onze dooppapieren en riep: ‘Jullie gaan allemaal naar het concentratiekamp!’”

Lees ook:
Wil (82): ‘Ondanks de akelige oorlog heb ik ook veel liefde en vriendschap gevoeld in die tijd’

Hartsvriendin

“Anderhalf jaar zaten we in Westerbork. Het bleek dat er in de kerk in Den Haag kopieën waren van onze dooppapieren en Juffie bracht die naar Drenthe. Zo kwamen we daar in een speciale barak terecht van gedoopte Joden. Ook in Westerbork gingen we naar de kerk. Ik kreeg er een hartsvriendin, Selma. Ze is haar hele leven mijn steun en toeverlaat geweest. Met Lily had ik toen nauwelijks contact, ze kreeg al snel een vriend en was daar erg druk mee. Selma en ik zaten in de buitendienst.

Met leeftijdsgenoten moesten we twaalf uur per dag hooien en aardappels rooien. We werden bewaakt door geüniformeerde jongemannen. Soms greep een van hen een meisje in de lunchpauze en verdween met haar in het hoge gras. Ik had er nog geen benul van wat daar dan gebeurde. Vanwege onze uitzonderingspositie keken andere Joodse geïnterneerden ons met de nek aan, we werden gehaat.”

Op transport

“Elke dinsdag vertrokken er treinen naar het oosten en wij stonden niet op de deportatielijsten. Als ordonnans moest ik helpen bij die transporten. Ik heb zo veel familieleden zien vertrekken die geen dooppapieren hadden. Ik heb ze in die beestenwagens geduwd, hun koffers aangegeven. Het moest snel, snel, snel, er werd weinig gezegd. En daarna zwaaiden we ze uit en riepen: ‘Daag! Tot ziens!’ Op de wagons stonden plaatsnamen als Auschwitz of Sobibor. We hadden geen idee waar dat lag en wat daar gebeurde. Hoe konden we weten dat ze twee dagen later al vergast zouden zijn?”

Theresienstadt

“Pas in Theresienstadt, waar we in september 1944 naartoe werden gebracht omdat Westerbork werd ontruimd vanwege de nadering van de geallieerden, hoorde mijn vader van iemand dat er in andere kampen mensen werden vergast. We zeiden: ‘Potverdorie, wie vertelt je zo’n rotverhaal?’ Dat we naar Theresienstadt moesten, was natuurlijk een ongelooflijke domper. De bevrijding leek zo dichtbij, we hadden al feest gevierd in het kamp. Mijn vader had gezegd: ‘We zullen het er minder hebben dan in Westerbork.’

In goederenwagons, met op de grond strozakken en in hoek emmers voor je behoefte, waren we er in een dag of drie naar toegebracht. Onderweg hoorden we soms vlakbij bommen vallen. Ik heb doodsangsten uitgestaan. Theresienstadt was, hoewel een modelkamp, inderdaad de hel vergeleken bij Westerbork. Weinig eten, veel sterfgevallen. Op een dag zou het Zweedse Rode Kruis langskomen, daarom werd een deel van het kamp opgeknapt. Alles moest worden geschilderd, er kwam een kleuterklasje met mooie gordijntjes. Met andere meisjes moest ik het crematorium leegruimen. Als beloning zouden we een stukje brood met boter krijgen. We moesten acht uur lang de lichaamsresten uit de ovens in schoenendoosjes aan elkaar doorgeven, soms viel er een doosje uit onze handen en lagen de botjes en het as op de grond. Dan lachten we maar. ‘Wat doen we nou, haha?’ We waren onbewust al zo gehard.”   

Lees ook:
Waarom de psychische gevolgen van de oorlog na 75 jaar zijn nog altijd merkbaar zijn

Uitwisseling

“In februari 1945 ruilden de Duitsers onze groep van twaalfhonderd gedoopte Joden met Zwitserland voor medicijnen. In een luxe trein met eten en drinken werden we erheen gebracht. Voor de grens stonden we lang te wachten omdat de papieren in orde gemaakt moesten worden. Op een moment gingen de slagbomen omhoog en reden we Zwitserland binnen. Dacht je dat iedereen toen op de banken stond de dansen? Welnee, het was doodstil. Niemand besefte dat we vrij waren. We stapten uit de trein en een Zwitserse militair legde zijn hand op mijn schouder. Ik verstijfde helemaal. Als een soldaat in Westerbork dat deed, dan wist je hoe laat het was. We moesten veertien dagen in quarantaine. Ik ging er weer naar school, maar leren lukte me niet meer.”

‘Waar moesten we heen?’

“In juli dat jaar zijn we teruggegaan naar het inmiddels bevrijde Nederland. We stapten uit op station Holland Spoor in Den Haag. Waar moesten we heen? We hadden niets meer. Toevallig kwam mijn vader een vriend tegen en vroeg of hij bij hem mocht bellen. Hij belde mijn onderduikouders en die zeiden: ‘Kom hierheen, jullie kamertjes zijn er nog.’ Zo lief. Een paar maanden later konden we in het huis van een niet teruggekeerde Joodse familie trekken.

Niet iedereen was blij ons weer te zien. Ik liep met mijn moeder in de Spuistraat en bij een wegversmalling stootte ze per ongeluk een man aan. Hij draaide zich om en zei: ‘Goh, hebben ze jou niet vergast?’ Ik stond perplex. Later heb ik gedacht: ik had hem ondersteboven moeten gooien. Mijn vader was zijn vijf zaken kwijt, maar hij bouwde snel een groothandel in kalfs- en lamsvlees op. Hij leverde aan de Holland-Amerika Lijn en ik ben de administratie gaan doen. Ik had een goed leven. Door die kamptijd heb ik mijn jeugd overgeslagen. Al die leuke dingen die jongeren doen op die leeftijd, had ik gemist.”

Klein- en achterkleinkinderen

“In 1955 ben ik gehuwd met een Joodse man. Helaas liep dat huwelijk op een mislukking uit, maar hij schonk me een lieve dochter en zoon. Helaas is mijn dochter op haar 27ste bij een verkeersongeluk omgekomen. Dat is het allerergste wat ik in mijn leven heb meegemaakt. Ze was net getrouwd, onvoorstelbaar. Maar mijn zoon is er altijd voor me, hij is geweldig, net als mijn schoondochter. Ik heb drie kleinzoons en twee achterkleinkinderen. Het is een heerlijk gevoel om vrij te zijn.”

‘Meer goede dan slechte mensen’

“Nachtmerries heb ik nooit gehad, niemand van ons. Dat komt door mijn verstandige vader, denk ik. Door hem heb ik me altijd veilig gevoeld, ook in het kamp tijdens de oorlog. Hij heeft mij ook geleerd dat er meer goede mensen zijn dan slechte. Veel Nederlanders hebben hun leven voor ons gewaagd. En ook niet alle Duitsers waren slecht, zei hij. Sinds twintig jaar vertel ik mijn verhaal op scholen en zeg dan altijd: je mag niemand veroordelen om zijn afkomst, geloof of kleur. Een mens is een mens. Er zijn goede en slechte.

De kinderen vragen me de gekste dingen, zoals: ‘Heeft u Hitler weleens gezien?’ Maar ook: ‘Had u een huisdier?’ Na afloop komen veel van hen me bedanken: ‘Wat bijzonder dat u dit vertelt zonder dat u huilt.’ Ik zeg altijd tegen ze: ‘Je weet pas wat vrijheid is, als het je wordt afgenomen. Ik hoop dat jullie dat nooit meemaken. Want vrijheid is alles.’”

Artikelen van Margriet.nl ontvangen in je mailbox?
Schrijf je in op margriet.nl/nieuwsbrief.   

Tekst | Bram de Graaf
Fotografie | Mariel Kolmschot

Ook interessant