Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

Persoonlijk

Gerie (35) overleefde de nieuwjaarsbrand in Volendam: ‘Ik dacht: het is zover, ik ga dood’

gerie-35-overleefde-de-nieuwjaarsbrand-in-volendam.jpg

Gerie Smit was twintig jaar geleden in Café de Hemel in Volendam, waar de desastreuze nieuwjaarsbrand uitbrak. “Mijn littekens zijn zichtbaar, maar er zijn genoeg mensen met littekens vanbinnen en die zie je niet.”

“Ik ben een overlevende van de Volendambrand. Slachtoffer noem ik mezelf niet, ik heb een hekel aan dat woord. Zielig ben ik evenmin. Ja, die nacht is een zwarte pagina in mijn leven. Het was vreselijk om zoiets mee te maken. En ja, die littekens heb ik levenslang. Maar ik heb een leuk leven en een fijne jeugd gehad. Mijn littekens zijn tenminste zichtbaar. Er zijn ook genoeg mensen met littekens vanbinnen en die zie je niet.”

Nieuwjaarsbrand

“Het was oudjaarsavond. Ik was vijftien en zat met een paar vriendinnen in de kroeg. Na twaalven besloten we naar De Hemel te gaan om daar vrienden een gelukkig nieuwjaar te wensen. Ook wist ik dat de jongen op wie ik verliefd was daar zou zijn. Binnen was het erg druk. Mijn vriendin besloot daarom meteen weer weg te gaan. Ik bleef. Ik had tenslotte een missie. Op het moment dat de boel in de hens ging, stond ik te zoenen met die jongen. Voor ik het wist, lag ik op de grond. Toen ik bijkwam en zag dat alles donker was, dacht ik: het is zover. Ik ga dood. Hoe weet ik niet, mijn laarzen zaten aan de vloer vastgeplakt, maar het lukte me op te staan. Iemand riep ‘Blijf liggen, de brand is nog niet uit!’ en toen viel ik weer weg. De minuten die daarop volgden, ben ik kwijt.”

Derdegraads brandwonden

“Mijn eerste herinnering is dat ik buiten was, op de dijk. De brandweer en ambulances waren er nog niet. Mensen vroegen verschrikt wat er met mij was gebeurd. Mijn gezicht was zwart en mijn haar stond overeind. Ik zag de vellen op mijn handen zitten en wist: deze blaren kon mijn moeder niet oplossen, daarvoor moest ik ‘even’ naar het ziekenhuis. Mijn voorhoofd prikte en daar baalde ik van, maar verder had ik nergens pijn. Later bleek waarom. Daar waar het prikte, was ik tweedegraads verbrand. Op mijn rug, armen, benen en handen zaten derdegraads brandwonden. Die gingen tot aan mijn zenuwen, waardoor ik niets voelde. Dat iedereen om mij heen het uitschreeuwde, vond ik dan ook maar aanstellerij. Zo’n pijn deed het toch niet?”

Ambulance

“Ik wilde vooral slapen. Ik was moe en had het koud. Inmiddels reden de ambulances af en aan, maar mij lieten ze zitten. Urenlang. Ik snapte het wel. Er waren te veel slachtoffers, ze moesten keuzes maken. Eerst de gewonden die er het ergst aan toe waren en daar hoorde ik niet bij. Dat mijn rug ernstig verbrand was, viel niemand op. Ik zat op een kruk met mijn rug tegen de muur. Achteraf bleek dat als ik eerder was gekoeld, ik er beter van af was gekomen. Nu had de hitte alle tijd gehad om door te smeulen in mijn lijf. Op een gegeven moment was ik het wachten zat. Ik wilde naar huis. Oké, eerst nog even naar het ziekenhuis, maar in elk geval zo snel mogelijk weg van de dijk.”

“Toen ik ging schreeuwen en riep dat ik doodging, werd ik meegenomen door een ambulance. Samen met een klasgenootje. Hij lag aan de beademing, ik zat ernaast op een krukje. Nog steeds had niemand door hoe ernstig ik eraan toe was. Tegen mijn klasgenootje zei ik dat het jammer was dat de avond zo moest eindigen, het was juist zo gezellig geweest. Ook in het ziekenhuis had ik nog praatjes en protesteerde ik toen mijn spijkerbroek en truitje werden opengeknipt. Daarna werd het stil. Doodstil. Drie weken later werd ik wakker. Het eerste wat ik zag, waren alle kaarten om mij heen met daarop de tekst ‘Word maar snel weer beter’.”

Moeder

“Praten kon ik niet, ik zat aan de beademing. Bewegen lukte ook niet. Mijn handen waren vastgebonden aan het bed en mijn lichaam was als een mummie ingepakt. Mijn moeder vertelde dat ze mijn moeder was en dat ik in het VU-ziekenhuis lag. Het was haar opgedragen deze zin elke keer als ze bij me was te herhalen. Gek werd ik ervan. Ik wist heus wel dat ze mijn moeder was. En dat ik in het ziekenhuis lag, was mij ook duidelijk. Ik wilde andere dingen horen. Informatie krijgen. Weten wat er was gebeurd. Waar mijn brandwonden zaten en wat mijn vooruitzichten waren. Als ik wist waar ik aan toe was, dan wist ik tenminste waarvoor ik ging vechten. Maar mijn ouders hadden de opdracht gekregen om niets te vertellen. De artsen vonden het beter om te wachten. Ik moest eerst beter worden.”

Open kaart spelen

“Ondertussen gingen de gedachtes met mij aan de haal. Ik dacht: óf iedereen is er goed uitgekomen en ik ben de enige stumper die in het ziekenhuis is beland óf iedereen is dood en ik ben de enige overlevende. Achteraf begreep ik waarom ze me alle informatie onthielden – ik was veel te ziek en er bestond nog steeds een kans dat ik dood zou gaan – maar op dat moment vond ik het onzin. Ik werd er opstandig van. Tot mijn vader inzag dat het echt beter was om open kaart te spelen. Pas toen, ik was inmiddels van de beademing af, kreeg ik te horen hoe ik eraan toe was, hoeveel doden er waren gevallen en dat een van hen mijn buurjongen en een ander mijn klasgenootje was. Hoe pijnlijk ook, voor mij was het goed om dat te weten. Het gaf me grip op de situatie.”

Gerie (35) overleefde de nieuwjaarsbrand in Volendam

‘Het kon erger’

“De eerste keer dat ik mijn naakte lichaam zag, was ik opgelucht. Door de afdruk van het ruitjespatroon van de huidtransplantatie op mijn huid zag ik eruit als een krokodil en het leek alsof er met een kaasschaaf over mijn bovenbenen en billen was gegaan, zo vaak was mijn huid daar getransplanteerd. Toch vielen de littekens mij mee. Mijn schouders en bovenarmen zagen er niet best uit en ook mijn linkerhand was toegetakeld, maar het kon erger. Dat had ik wel gezien bij mijn kamergenoten op zaal.”

Strijd en lol

“De weken dat ik na de ic op zaal lag met andere gewonde Volendammers was, hoe gek het ook mag klinken, een mooie tijd. Omdat we allemaal in hetzelfde schuitje zaten, konden we elkaar steunen. Daarbij hadden we veel lol. Mét elkaar en óm elkaar. In plaats van zielig te liggen zijn, gingen we de strijd aan. Wie kon wat als eerst? Lopen bijvoorbeeld. Of met mes en vork eten. Op een psycholoog aan mijn bed zat ik niet te wachten. Ik voelde me voorgelogen door hulpverleners die dachten te weten wat het beste voor mij was. Daarbij wilde ik niet als klein en zielig worden neergezet en voelde ik geen enkele behoefte om te bespreken hoe zwaar ik het had. Mijn enige wens was beter worden. Zo snel mogelijk. En daar had ik geen ‘gepsychologiseer’ voor nodig.”

Naar huis

“In maart mocht ik naar huis. Mijn moeder huilde toen ze mijn lijf zag. ‘Zo gehavend heb ik je niet op de wereld gezet.’ Maar die littekens waren wel mijn laatste zorg. Ik wilde mijn leven oppakken. Naar school, naar atletiek, wielrennen. Maar ja, ik woog nog maar veertig kilo en was na tientallen operaties veel te zwak. Mijn frustraties reageerde ik thuis af – mijn ouders hebben in die tijd behoorlijk wat met mij te verstouwen gehad – en op school. Het idee van een slachtofferklasje voor gym vond ik bijvoorbeeld belachelijk.”

Loskomen van het stigma

“Ik wilde niet steeds in dat hokje worden gestopt. Ik zat dan ook niet te wachten op allerlei praatsessies met lotgenoten. Zulke sessies waren er trouwens ook voor onze ouders, zelfs voor opa’s en oma’s werden speciale bijeenkomsten georganiseerd. Het was nog net niet zo gek dat onze hond ook werd uitgenodigd om zijn verdriet te delen. Heus, ik snap dat het goed bedoeld was, en het zal zeker ook veel mensen hebben geholpen, maar voor mij hoefde het niet. Hetzelfde gold voor de activiteiten die wij, ‘de slachtoffers’, kregen aangeboden. Wederom goed bedoeld, maar ik werd kriegel van die privileges. Ik wilde loskomen van het stigma ‘bijzonder’ of ‘zielig’. Ik wilde weer ‘gewoon Gerie’ zijn. Maar daarvoor moest ik nog even geduld hebben.”

“Tot na mijn eindexamen, toen ik in Amsterdam ging studeren. Tijdens de introductieweek leerde ik iemand kennen in een rolstoel, iemand zonder arm, een meisje van 1 meter 40 en een jongen van 2 meter 30. Eindelijk. Er waren meer mensen die ‘iets’ hadden. Natuurlijk word ik nog weleens nagestaard. Maar waar ik voorheen aankondigde wat er met mij was gebeurd, wacht ik nu tot mensen op mij afstappen als ze een vraag over mijn littekens hebben.”

Een boek uitgebracht

“Tien jaar geleden werd mijn boek uitgebracht. Vrienden en familie waren verbaasd dat ik een boek had geschreven over het onderwerp waar ik eigenlijk niet meer mee wilde worden geassocieerd. Het schrijven was voor mij niet therapeutisch, het ontstond uit verveling. Mijn man Cornell was aan het werk en om de tijd te doden, ging ik schrijven. In no-time was er een boek. Een boek waarmee ik hoopte anderen bij wie het leven plotseling stilstond te kunnen helpen. Inmiddels ben ik aan het nadenken over een tweede boek.”

‘Nieuwjaarsbrand heeft het hele dorp geraakt’

“Ook loop ik met plannen rond voor een documentaire. Ik wil het verhaal vertellen van de mensen die niet eerder zijn gehoord. Die nieuwjaarsbrand heeft het hele dorp geraakt. Niet alleen ons met littekens of de mensen die dierbaren hebben verloren, maar bijvoorbeeld óók mijn vriendin die de bewuste nacht naar buiten was gegaan omdat ze het te druk vond in Café de Hemel. Zij heeft de paniek gevoeld, schreeuwende mensen gehoord, lijken gezien. Daarover praatte ze niet. Ze had geen recht van spreken, vond ze, zij leefde nog en had geen brandwonden. Het is belangrijk dat ook deze mensen hun verhaal kunnen vertellen.”

Twinig jaar geleden

“Het is nu twintig jaar geleden. Ik hoop vurig dat ik dit jaar met oud en nieuw in een bomvolle kroeg sta en iedereen die mij lief is, mag omhelzen, maar ik vrees het ergste. In die zin brengt corona mij terug in de tijd, omdat het virus mij beperkt in mijn vrijheid. Net als twintig jaar geleden, na de nieuwjaarsbrand. Toen was het omdat ik ziek was, hulp nodig had bij het aankleden of douchen en niet de dingen kon doen die ik graag wilde doen. Nu kan ik dingen niet doen, omdat ze niet mogen of financieel niet haalbaar zijn. Cornell heeft twee jongerencafés in Volendam en het zijn financieel spannende tijden voor ons. Ik vrees dan ook dat we onze droom om over vijf jaar samen de wereld over te zeilen nog even moeten uitstellen. Ook dat uitzichtloze herinnert mij aan toen. Hoe lang gaat dit nog duren?”

Artikelen van Margriet.nl ontvangen in je mailbox?
Schrijf je in via margriet.nl/nieuwsbrief.    

Margriet 1

Dit artikel verscheen eerder in Margriet 2021-01. Dit nummer nabestellen kan via magazine.nl.

Tekst | Ymke van Zwoll
Fotografie | Marloes Bosch

Ook interessant