Persoonlijk

Flu (53) werd doof geboren, op haar 40e kon ze voor het eerst horen

flu-werd-doof-geboren-op-haar-40e-kon-ze-voor-het-eerst-horen.jpg

Hoewel Flu van Raamsdonk (53), moeder van twee kinderen, doof is geboren, voelde haar leven altijd compleet. Tot ze op haar veertigste een CI-gehoorimplantaat kreeg. “En die vogeltjes buiten, dat geluid vond ik toch een herrie!”

Flu: “Ik was negen maanden oud toen mijn moeder merkte dat er iets niet klopte. Soms reageerde ik niet als ik in de box lag. Af en toe wel, maar dat kwam dan waarschijnlijk door een trilling of een zuchtje wind. Een reactie op geluid kan het niet zijn geweest: ik ben namelijk doof geboren. Zonder hulpmiddelen hoor ik niks. Het gekke is dat mijn oudere zus ook geen goed gehoor heeft. Zij is slechthorend. Hoe dit kan weten we niet, want onze beide ouders horen gewoon goed.”

Gehoorkastje

“Als peuter kreeg ik een gehoorkastje. Ik had dit apparaatje om mijn nek hangen met een draadje naar mijn oren. Het doorbrak de stilte met wat gebrom in de verte alsof er achter een muur wordt gesproken. Niet veel misschien, maar voor mij toch heel waardevol. Vanuit het ‘niets’ was er ‘iets’. Iemand verstaan was helaas nog steeds niet mogelijk.”

“Tot mijn veertigste ben ik daarom volledig afhankelijk geweest van liplezen. Ook toen ik het gehoorkastje mocht vervangen door normale gehoorapparaten, hoorde ik hoogstens wat lage klanken. Tegenwoordig noemen we liplezen ‘spraakafzien’, want je kijkt naar méér dan alleen naar iemands lippen en mond. Ook het gezicht lees ik af.”

Taal- en spraakachterstand

“Spraakafzien was niet makkelijk als kind. Denk maar eens aan de woorden ‘paard’ of ‘baard’. Aan iemands mond kon ik geen verschil aflezen. Ik moest dus echt weten waar het verhaal over ging om het te kunnen volgen. Gesprekken zeiden mij als kind helemaal niets. Taal, het spreken, met iemand praten: ik vond het allemaal niet interessant.”

“Spelen was vele malen leuker. Ik liep hierdoor een grote taal- en spraakachterstand op. Ik zei bijvoorbeeld ‘jaja’ voor ‘baby’, of ‘hape titten’ voor ‘ga maar zitten’. Vaak moest ik eerst iets ‘zien’ voordat ik begreep waarover het ging. ‘Ah, de dierentuin, dáár gingen we dus naartoe!”

“Ik kan terugspreken!”

“Ik heb mij nooit zielig gevoeld. We spraken aan tafel gewoon met hele zinnen. Geen telegramstijl als ‘Flu, thee – pakken’. Gewoonweg ‘Flu, wil je een kopje thee pakken?’ Ook al verstond ik niet alles, ik kreeg de informatie wel ‘binnen’. Ik werd niet anders behandeld, behalve dat mijn ouders tegen bezoek zeiden dat ze me moesten aankijken wanneer ze tegen me praatten.”

“Door deze normale communicatie heb ik toch, uiteindelijk, een hele behoorlijke spraakontwikkeling doorgemaakt. Voor een dove spreek ik ongelooflijk goed, wordt mij vaak gezegd. Daar heb ik veel geluk mee gehad, want hierdoor is de wereld van de horenden toegankelijk voor mij. Ik kan terugspreken!”

CI- gehoorimplantaat

Speciaal onderwijs

“Wel zat ik op speciaal onderwijs voor slechthorenden en spraak-taalproblemen, met kleine klasjes van maximaal vijf kinderen. Mijn zus kon wel naar het reguliere onderwijs in de buurt, maar ik moest elke dag helemaal vanuit Leersum naar Utrecht. Ik benijdde weleens het gemak van kinderen die op de fiets naar school gingen.”

“Zij konden ook met elkaar spelen, want ze woonden tenminste bij elkaar in de buurt. Eigenlijk hoorde ik op een dovenschool te zitten, maar dan moest ik intern en dat wilden mijn ouders niet. Ik was een van de weinige dove meisjes tussen slechthorenden. Hierdoor was ik ook de stilste. Mijn doofheid stond mij desondanks niet veel in de weg, ik wist niet beter.”

Lippenstift en meidendingen

“Pas toen ik tien jaar werd, werd ik nieuwsgierig naar andere mensen. ‘Wat zeggen zij eigenlijk? Waar hebben ze het over?’ Ik begon te merken wat het betekende dat anderen wél konden horen. Ik herinner mij nog goed dat ik een keer in de manege was. Ik stond gefascineerd naar een groepje meisjes te kijken. ‘Waar zou het over gaan? Waar praten ze zo uitvoerig over, dat moest vast heel belangrijk zijn.’ Een van de meisjes zag mij staan en betrok mij erbij. De meiden wisten dat ik doof was en deden hun best me in het gesprek te betrekken.”

“Tot mijn grote verbazing ging het helemaal nérgens over. Onzin-onderwerpen over lippenstift en meidendingen. Dat soort gesprekken kende ik helemaal niet. Als ik mensen weleens vroeg waar het over ging, dan hoorde ik geregeld: ‘Joh, niets belangrijks, hoor Flu.’ Nu wilde ik voortaan ook de ‘niet belangrijke dingen’ horen! Roddels, kletspraat, lol. Het liefst wilde ik ook alle grapjes verstaan, hoewel daar vaak de lol vanaf ging als ik om een herhaling vroeg.”

“Is dit alles wat je hoort?!”

“Na jarenlang flinke afstanden voor school te hebben afgelegd, was ik opgelucht dat ik op een gegeven moment op de fiets naar school kon. Ik ging de mavo doen in een klas met horenden. Ik verstond natuurlijk helemaal niks, maar iedereen accepteerde mij. Ik vond het een verademing om niet in zo’n klein strikt klasje te moeten zitten. Hier was het dynamisch. Per les was er een leerling die me hielp de les te volgen.”

“Op een dag liet ik de klas via een geluidsopname horen wat ik hoorde. De klas was stomverbaasd. ‘Is dit alles wat je hoort?!’ Ze hadden nooit kunnen bedenken dat ik eigenlijk ‘niks’ hoorde. Schijnbaar dachten ze door mijn houding, waarbij ik me nooit zielig of gehandicapt heb gevoeld, dat ik nog best wat meekreeg. Voortaan keken ze me beter aan tijdens de pauzes en spraken ze minder binnensmonds. Omgaan met een gehoorbeperking voor iemand die hoort, is natuurlijk wennen.”

Lees ook: Leonieke: ‘Na 17 jaar kon mijn dochter voor het eerst praten’

Wennen

“Ook mijn man moest dat leren. Toen we elkaar leerden kennen, sprak hij binnensmonds. Hij had ook nog eens een baard en snor. Dat maakt het extra lastig voor mij om af te lezen. Hij stak niet onder stoelen of banken dat hij moeite voor me wilde doen, want op de tweede afspraak had hij zijn baard en snor afgeschoren. Samen naar een lawaaiig café, dat ging niet, en in de auto moest hij wennen dat er niet werd gesproken. Ik kon hem niet aankijken dus liplezen ging niet. Later losten we dit op met een spiegeltje in de auto.”

Kinderwens

“Onze kinderwens was ook even een ding. Hans was bezorgd of het erfelijk was. Moesten we misschien onderzoek doen? Ik gunde mijn kinderen enorm dat ze zouden horen, maar stel dat ze doof zouden zijn, dan hebben ze het beter bij mij dan bij wie dan ook, toch? Moeten we hierom kinderloos blijven?”

“Gelukkig kunnen we stellen dat onze beide kinderen goed horen. Mijn doofheid heeft mij als moeder geen grote beperkingen gegeven. Wanneer de baby huilde, haalde Hans haar in bed en zo kon ik haar voeden. Overdag lichtte de babyfoon op als de kleine wakker was. Voor alles was een oplossing en mijn leven voelde compleet.”

CI- gehoorimplantaat

“Toch stond er een grote verbetering voor de deur. Ik had werk gevonden als psychologisch medewerker bij Kentalis, de instantie voor gehoor- en spraakproblemen. Het was in 2006, ik was veertig jaar, toen een paar collega’s mij tipten op het cochleair implantaat, CI kortgezegd. Dat is een inwendig en uitwendig apparaatje, zo groot als een euro, met een draadje eraan en 22 elektroden. Die elektroden vervangen kapotte trilhaartjes waardoor ik weer zou kunnen horen.”

“Eerst twijfelde ik: waarom zou ik mij laten opereren? Een-op-een gaat het converseren toch goed? Ik was zelfs trots dat ik soms meer ‘meekreeg’ dan een horende. Dat had ik bewezen in mijn opleiding tot psychologisch medewerker. Als enige had ik tijdens een rollenspel de vinger op het probleem weten te leggen. Ik gebruikte andere zintuigen. Ik kon mij trouwens ook niet voorstellen dat ik met een CI-apparaatje wél een groepsgesprek kon volgen. En ‘die vogeltjes horen’, wat moet ik daarmee? Ik miste die niet. Telefoneren, oké, maar ik heb toch ook WhatsApp? ”

Overstag

“Ik ging pas overstag toen ik een andere dove vrouw ontmoette. Zij was ontzettend blij met haar CI. Ze vertelde dat gesprekken zoveel makkelijker gingen, dat ze alles sneller verstond, ook als het donker was en iemands mond niet kon aflezen. En vooral dat ze minder moe was.”

“Toen was ik om. Ik wist: hoe ouder ik zou worden, hoe meer energie het ging kosten anderen te volgen. Ik besloot ervoor te gaan, maar ik was wel een beetje bang dat het fout zou gaan. Ik wilde dat kleine beetje geluid dat ik kon horen niet kwijtraken.”

CI- gehoorimplantaat

Geluiden toelichten

“Op de dag dat de CI werd aangeklikt, vond ik het verschrikkelijk. Ik had het gevoel dat ik minder hoorde dan met mijn vorige gehoortoestel. Mij werd uitgelegd dat ik moest ‘revalideren’. Per week werd het CI bijgesteld en ik wist letterlijk niet wat ik hoorde. Hans moest telkens alle geluiden toelichten. Ritselende papieren, spetters van koken, het vegen van een bezem. Het fladderen van een vlinder tegen het raam. En die vogeltjes buiten, dat geluid vond ik toch een herrie!”

“Ik weet nog op vakantie in Zwitserland, waar we al meer dan twintig jaar komen, dat ik vroeg wat die hoge kreten toch waren? Het bleken de ‘beroemde’ bergmarmotten te zijn die ik nog nooit had gehoord. Maar ook het getrippel van hondenvoeten op onze houten vloer; ik had nooit geweten dat hun nagels de grond raken, ik dacht alleen hun voetkussentjes. Zelfs mijn eigen ademhaling vond ik raar. ‘Hans, wat hoor ik nu weer, het klinkt als tsss tsss tsss.’ Het bleek domweg het schillen van de aardappelen te zijn wat Hans op dat moment aan het doen was. ’s Avonds was ik hartstikke moe van alles te verwerken, maar ik hield mijn CI trouw de hele dag in. Ik moest en zou eraan wennen.”

Verrijking

“Ik weet nog dat mijn dochter en ik een stevige discussie hadden. Ze mocht iets niet van mij, waarop ze met haar hoofd naar beneden hangend ‘stomme mama’ mompelde. Ik riep meteen: ‘dat hoorde ik, dame!’ Verrast keken we elkaar aan en vlogen in elkaars armen. Het was de eerste keer dat ik kon ‘spraakverstaan’: horen zonder liplezen.”

“Na zes jaar vind ik alle geluiden geen lawaai meer. Ik kan beter filteren. Achtergrondgeluiden zijn naar de achtergrond gegaan, waar ze horen. Het blikkerige geluid van ritselende bladeren aan de bomen of het tikken van een klok, het stoort me niet meer. Voor mij is het CI-apparaat een verrijking.”

Schakelen tussen twee werelden

“Gesprekken volgen gaat stukken makkelijker, ik kan makkelijker aansluiten in een gesprek of een praatje maken met mensen die ik niet ken. Met een gehoorapparaat hoorde ik twintig procent, nu met het CI zeventig tot tachtig procent, als de rest van de omgeving tenminste stil is. Dat is veel voor iemand die vanaf geboorte doof is. Alleen tijdens een vergadering maak ik nog gebruik van een gebarentolk, om niks te missen.”

“Als er drie à vier mensen met elkaar praten gaat het wel, maar meer is ook met een CI lastig. In het algemeen gaat alles makkelijker, gesprekken, televisiekijken, praten in de auto. Ook mijn ouders die ver weg wonen en niet whatsappen kan ik nu bellen. En tijdens mijn werk kan ik als geen ander tussen twee werelden schakelen, die van de horenden en de doven.”

Ik bén niet mijn handicap, ik héb een handicap

“Veel mensen kijken anders tegen een doof iemand aan. Zij zien dat ‘doof zijn’ als de persoon zelf. Ik heb altijd gezegd: hé, wacht ik bén niet mijn handicap, ik héb een handicap. Ik ben Flu, je moet alleen een beetje rekening met mij houden. Sinds mijn CI hoef ik dat veel minder vaak te zeggen en geniet ik zelfs in het voorjaar van het kwetteren van de vogels. Dat is zeker geen herrie meer.”

Tekst | Eva van Dorst-Smit
Fotografie | Mariel Kolmschot

Dit artikel verscheen eerder in Margriet 05, 2020. Het hele nummer lezen? Dat kan! Bestel ‘m hier.

Ook interessant