3 donorkinderen vertellen: ‘Ik wil weten waar ik genetisch vandaan kom’

Deel dit artikel:

Steeds meer kinderen van anonieme spermadonoren zijn op zoek naar hun biologische vader. De kans dat die zoektocht iets oplevert, is dankzij de opkomst van DNA-databanken groter geworden. Carola (55) en Ties (40) weten als geen ander hoe belangrijk het is om te weten van wie je afstamt.

“Ik had een heel lieve vader en toch heb ik altijd geweten dat er iets niet klopte,” zegt Carola Derks (55). Ze is één van de naar schatting veertigduizend kinderen die voor 2004 zijn verwekt met behulp van een anonieme spermadonor. Tot 2004 hoefde, nee, mócht je als donor jezelf niet bekend maken. De heersende gedachte in dit tijd was: wat niet weet, wat niet deert. Het ging erom dat je als kind liefdevol werd opgevoed, dan zou het allemaal wel goedkomen…

Toen ik twaalf jaar oud was, heb ik hem gevraagd

Carola: “Veel ouders hebben nooit aan hun kind verteld hoe het zat, maar onderschat kinderen niet. Een kind kan een vermoeden hebben, doordat het bijvoorbeeld karakterologische of uiterlijke verschillen ziet, en daar erg onder lijden.” Ze weet het uit eigen ervaring. “Ik voelde me anders, al is het lastig daar woorden aan te geven. Mijn moeder had toen ik klein was al eens gezegd: ‘We waren zo blij met jou dat we naar Amsterdam zijn gegaan voor nog een kindje.’ Ik begreep dat niet en toen ik doorvroeg, zei mijn vader dat mama een hormoonbehandeling had ondergaan. Daar was, zo zei hij, mijn zusje uit voortgekomen. Toen ik twaalf jaar oud was, heb ik hem gevraagd: ‘Ben ik een donorkind?’ Hij ontkende.”

Gegevens opvragen

Sinds 2004 kan anoniem doneren niet meer. Althans, niet in Nederland. Toen trad de Wet Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting in werking. Donoren van sperma, eicellen en embryo’s worden sindsdien landelijk geregistreerd. Een stichting beheert de gegevens en verstrekt die op verzoek aan belanghebbenden. Als een kind zestien is, kan het de gegevens opvragen. Carola kwam er pas vier jaar geleden achter dat zij kind is van een donor. “Niet lang voor mijn vaders dood heb ik hem nogmaals gevraagd: ‘Ben ik een donorkind?’ Hij antwoordde: ‘Nee. Ik ben jouw vader.’ Maar een hulpverlener met wie mijn vader had gesproken, is zijn boekje te buiten gegaan en heeft mij de waarheid verteld. Dat zit zo: mijn moeder is toen ik achttien was overleden aan borstkanker. Toen mijn zus zes jaar geleden een voorstadium van borstkanker kreeg en ik hetzelfde kankergen als zij bleek te hebben, kwam ik in een genetisch onderzoek terecht. Toen is mijn vader in paniek geraakt, hij dacht: nu gaan ze de vaderlijke lijn bekijken en komen ze erachter. Die zorgen deelde hij met die hulpverlener. Toen hij zei: ‘Jouw vader is niet je biologische vader’ viel alles op z’n plek.”

Schaamte en angst

Carola neemt het haar vader niet kwalijk dat hij niet de waarheid sprak. “Vroeger was het allemaal zo anders. Als je steriel was, mocht niemand dat weten. Laat staan dat er openlijk werd gesproken over het feit dat je als stel ‘gebruikmaakte’ van ander zaad. Er was veel schaamte en angst. Ik vind het wel jammer dat hij het niet heeft gezegd. Als hij dat wel had gedaan, had ik geantwoord: ‘Ik beschouw jou als mijn vader en ik hou veel van je.’ Je bent vader of je bent het niet, daar hebben genen dan weer weinig mee te maken. Je wordt geen ouder door genen door te geven, je wordt ouder door te kiezen om ouder te zijn. Dat heeft met liefde te maken.”

DNA-test

Na zijn dood meldde Carola zich aan bij de Fiom KID-DNA Databank (KID staat voor Kunstmatige Inseminatie met Donorzaad, red.). Ze stond DNA af, maar daar kwam geen match uit. Een paar maanden geleden stuurde ze DNA op naar de Amerikaanse DNA-databank Ancestry. Dat zorgde voor een verrassing. “Ik heb kortgeleden gehoord dat ik een halfzus heb en ik ga haar ontmoeten! Ook ben ik erachter gekomen dat ik heel veel neven en nichten heb in Amerika.”

Duidelijkheid

En haar biologische vader? “Die blijkt te zijn overleden. Gek genoeg vind ik dat niet eens zo erg. Het gaat mij erom dat ik weet wie hij was, dat ik weet waar ik genetisch gezien vandaan kom. Ook voor mijn dochter. Mijn vader was een Amerikaan. Hij was een collega van gynaecoloog Leo Swaab, die zeer begaan was met mensen die geen kinderen konden krijgen. Als één van de eerste artsen in Nederland voerde hij KID uit en hij vroeg daarvoor donoren in zijn directe omgeving. Helaas zijn alle gegevens vernietigd toen hij met de praktijk stopte.”

Zoekend naar overeenkomsten

Carola is blij dat ze ongeveer weet hoe het is gegaan. “Je hoort zo veel nare verhalen. Neem die Jan Karbaat, de vruchtbaarheidsarts die in het geheim zijn eigen zaad gebruikte… Natuurlijk is het jammer dat ik mijn biologische vader nooit zal spreken. Ik ben benieuwd wat ik in hem had herkend. Zo ben ik muzikant en hadden mijn ouders niks met muziek. Misschien hij wel? Maar vooral had ik hem willen bedanken voor wat hij heeft gedaan. Zonder hem was ik er niet geweest.” Carola’s zus, met wie ze opgroeide, blijkt van een andere donor te zijn dan Carola. Zij is nog op zoek naar haar biologische vader.

Antwoorden op identiteitsvragen

Volgens Margriet Wentink, gespecialiseerd in het ontstaan en de behandeling van psychisch trauma, kan iemands psychische, emotionele en fysieke welzijn sterk worden beïnvloed door het kennen van de waarheid over zijn of haar afkomst en familiegeschiedenis. Margriet: “De behoefte aan antwoorden op identiteitsvragen als wie ben ik en waar kom ik vandaan, is heel verklaarbaar. Niet voor niets luidt een deel van de zin die in het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind: ‘Het kind heeft het recht zijn of haar ouders te kennen….’ Kinderen die een goede band met hun moeder en opvoedvader hebben, gaan niet zo zeer op zoek naar een vaderfiguur, maar wel naar herkenning en hun eigen identiteit: ‘Als ik van iemand anders afstam dan mij altijd is voorgehouden, wie ben ik dan eigenlijk? Welke eigenschappen en kenmerken heb ik van mijn biologische vader geërfd, heb ik halfbroertjes en -zusjes en zal ik mij in hen herkennen?’

Weten dat er iets niet klopt

Kinderen die daarover lang in het ongewisse zijn gelaten, kunnen daar hevig onder lijden, of erger: ze lopen het risico op identiteits- en stemmingsstoornissen.” Veel KID-kinderen hebben volgens Margriet al op jonge leeftijd vragen en het vage gevoel dat er iets niet klopt, ook al worden zij met nog zo veel liefde omgeven. Als zij niet de antwoorden krijgen die passen bij hun gevoelens en hun innerlijke weten, is dat verwarrend. “Hoe moet zo’n kind gaan vertrouwen op zijn eigen gevoel, op zijn eigen intuïtie, als de volwassenen waarvan het afhankelijk is hem of haar iets anders voorhouden dan de waarheid? Wie moet het kind geloven? Zichzelf? Of de volwassenen die beweren het te weten? Vaak lost een kind dat op door een tijdlang de volwassenen op hun woord te geloven en zijn eigen ‘weten dat er iets niet klopt’ te onderdrukken.

Vertrouwensbreuk

Afhankelijk van de relatie met de moeder en de opvoedvader bij wie het kind opgroeit, kan het voor het kind een enorme vertrouwensbreuk zijn op het moment dat de waarheid wel wordt verteld of na lang speuren aan het licht komt. Te weten dat een deel van je leven op een leugen berust, of te beseffen dat je je biologische vader nooit meer kunt leren kennen, kan een grote schok zijn.”

Dat laatste weet ook Ties van der Meer (40), uit eigen ervaring. Hij is kind van een anonieme zaaddonor en voorzitter van Stichting Donorkind (een stichting die opkomt voor de belangen van donorkinderen).

Een tv-programma over erfelijkheid

Al jaren is hij op zoek naar zijn biologische vader. “Mijn ouders zijn gescheiden toen ik een jaar of drie was. Mijn oudere broer is geadopteerd uit Colombia. Ik was vijf toen mijn moeder, broer en ik een tv-programma keken over erfelijkheid. Volgens mijn moeder heb ik op dat moment gevraagd: ‘Ga ik dan ook op papa lijken?’ Ze dacht: nu moet ik alles maar eens gaan vertellen. Ik ben blij dat mijn moeder vond dat ze dit niet verborgen hoorde te houden.”

Geheim houden

Ties komt naar eigen zeggen uit de tijd waarin artsen er zo’n beetje op aandrongen alles maar geheim te houden. “De artsen gingen destijds op een veel te grote stoel zitten. Ik hoor nu nog weleens iemand die vertelt dat de arts heeft gezegd: ‘Och, het is ook niet per se nodig dat een kind dit weet.’ Hoe durft zo’n arts dat te zeggen? Het probleem is dat er medisch zo veel kan, maar dat er vaak pas in een veel later stadium naar de psychologische consequenties wordt gekeken.”

Zoeken naar biologische ouders

In de lagereschooltijd was Ties nog niet zo bezig met zijn afkomst. “Als kinderen vroegen: ‘Waarom is je broer donker en ben jij wit? zei ik: ‘Hij is geadopteerd en ik ben van de spermabank.’ En dan ging iedereen verder spelen. Voor ons was het heel normaal.” Maar tijdens de puberteit werd Ties heel nieuwsgierig naar zijn biologische vader. Had hij halfbroers- of -zussen en hoe zou zijn vader eruitzien? Ties: “Ik wilde weten hoe ik zou gaan worden als man. Mijn geadopteerde broer kreeg als hij vertelde dat hij uit Colombia kwam, vaak als reactie: ‘Dan wil je vast wel een keer naar dat land om op zoek te gaan naar je biologische ouders?’ Ik kreeg te horen: ‘O, jij weet dan dus niet wie je vader is en daar ga je natuurlijk ook niet achter komen.’ Dat deed pijn. Niemand bedacht dat het best onrechtvaardig voelt dat een arts heeft bedacht dat ik daar geen recht op heb.”

Volgens Ties draait het allemaal om vrijheid en autonomie. “Je wilt weten wie je bent en waar je vandaan komt maakt daar onderdeel van uit. Als je ouders daar niet eerlijk over zijn, doet dat iets met je. Je kunt het gevoel krijgen dat je er dus niet toe doet. Je recht van bestaan wordt je voor een deel ontnomen.”

Van donorkind naar zaaddonor

Zelf was Ties rond zijn dertigste gedurende enkele jaren zaaddonor. Hij was toen, net als nu, single. Hij had de keuze om te doneren niet gemaakt als dit anoniem had gemoeten. Met drie van zijn (meer dan vijftien) biologische kinderen heeft hij contact. Ties: “Juist ik weet hoe belangrijk het is om te weten wie de donor is. Door te doneren kwam ik ook dichter bij mijn vader, omdat we zo iets met elkaar gemeen hebben.” Het ene kind ziet hij vaker dan het andere. Alles gaat in overleg met de moeder, moeders of vader en moeder, want rechten heeft hij als donor niet. Maar daar zit Ties niet zo mee. “Ik vind het geweldig dat ik mijn best kan doen om de kinderen te geven waar ze bij mij behoefte aan hebben, zoals iedere vader dat denk ik wil. Heel bijzonder.”

Met het feit dat de donor niet anoniem zou blijven was ze blij

Een van de kinderen van Ties is de nu driejarige Raaf, zoon ook van Marianne Schurink (39). Marianne is blij dat ze Ties heeft gevonden en haar kind zijn vader niet hoefde te onthouden. Ze meldde zich vier jaar geleden bij de fertiliteitsafdeling van het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam omdat ze graag een kind wilde, maar geen partner had. Marianne: “Mijn biologische klok was hard aan het tikken.” Met het feit dat de donor niet anoniem zou blijven was ze blij.

Donorkind

Belang van eerlijkheid tegenover je kind

“Ik vind dat een kind moet weten waar de andere vijftig procent vandaan komt.” In het ziekenhuis had Marianne gesprekken met een psycholoog die het belang van eerlijkheid tegenover je kind benadrukte. Marianne: “Ze zei dat het belangrijk is om de donor te benoemen. Zelfs als het kind nog heel klein is. Ik heb vanaf Raafs geboorte gezegd dat er een man is die ervoor heeft gezorgd dat hij er is en die heel blij is dát hij er is.”

‘Ties werd geïnterviewd als voorzitter van Stichting Donorkind.’

En toen was er die avond dat Marianne naar Nieuwsuur keek en Ties daar te gast was. Een avond die ze niet snel zal vergeten. “Ties werd geïnterviewd als voorzitter van Stichting Donorkind. Hij vertelde dat hij zelf ook had gedoneerd, in het AMC. Ik herkende dingen van Raaf; de ogen, de vorm van zijn hoofd, de manier van kijken. Dat was wel even schrikken. Ik heb Ties nog diezelfde opgezocht op internet. Ik dacht: als ik niks doe en hij is de vader van Raaf, wat dan? Stel dat er iets met Ties gebeurt dan zou Raaf later kunnen zeggen: ‘Jij wist al die tijd wie mijn vader was en je hebt me niet met hem in contact gebracht.’ Dat wilde ik niet op mijn geweten hebben.

Donorpaspoort opgestuurd

Via Messenger heb ik Ties een bericht gestuurd: ‘Ik heb je gezien op televisie en ik denk dat jij de donor van mijn kind zou kunnen zijn. Wil je dat samen met mij uitzoeken?’ Hij reageerde vrij snel en was positief. Ik heb hem delen van het donorpaspoort (de gegevens die je als moeder krijgt als het kind is geboren, red.) opgestuurd en ja, hij was de vader. Ties is niet veel later naar ons huis gekomen. Raaf was toen twee en wist nog niet echt wat het begrip ‘vader’ inhield. Ties was gewoon een aardige meneer die met hem kwam spelen. We zien elkaar nu minimaal een keer in de maand. Bij mij, bij hem of we gaan met z’n drietjes iets leuks doen; naar de dierentuin of naar het strand. Vorig jaar kwam Raaf thuis van de peuterspeelzaal en zei: ‘Ik heb geen papa.’ Nu kan ik hem vertellen: ‘Je hebt wel een papa en dat is Ties.’ Dat is fijn, maar het belangrijkst vind ik dat zij de mogelijkheid hebben hun eigen relatie met elkaar op te bouwen.”

Beeld | Esther Gebuis
Tekst | Marijke Kolk

Dit artikel verscheen eerder in Margriet 2018-48. Je kunt deze editie nabestellen via magazine.nl.

 

 

 

 

 

 

 

Artikelen van Margriet ontvangen in je mailbox? Schrijf je in op margriet.nl/nieuwsbrief.