Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

Persoonlijk

Dolly (75) werd na de oorlog door haar ouders afgestaan: ‘Ik heb een mooier leven gekregen dan ik me kon wensen’

dolly-75-werd-na-de-oorlog-door-haar-ouders-weggeven.jpg

Als ondervoede baby werd Dolly Loots (75) aan het eind van de oorlog opgevangen in een pleeggezin. Tijdelijk, was het idee. Dat haar biologische ouders haar niet terug wilden, heeft haar niet bitter gemaakt: “Ik heb een mooier leven gekregen dan ik me kon wensen.”

“Onze vrijheid herdenken is belangrijk voor mij. Ook ga ik vaak met een paar kleinkinderen naar de Dodenherdenking. Een paar jaar terug mocht ik een krans leggen bij het Monument op de Dam. Daarvoor werd ik, als een van de ‘transportbaby’s’, uitgenodigd door het Comité ’40-’45. Ik heb geluk gehad, andere kinderen hebben het niet overleefd. Daar sta ik dan bij stil.”

Beladen

“Vroeger haalde ik mijn kinderen, als ze buiten aan het spelen waren, gewoon naar binnen voor de twee minuten stilte. Als andere buurtkinderen dan verbaasd vroegen waarom dat moest, zei ik: ‘Kom maar mee.’ Dan zette ik ze binnen voor de tv, zodat ze konden zien waarom we dat deden.”

“Bevrijdingsdag is voor mij niet extra beladen vanwege mijn geschiedenis, ik denk vooral aan de talloze mensen die het niet hebben gered. Joodse mensen, een paar kinderen die bij mij op de boot zaten en de soldaten die vochten voor onze vrijheid. Ik heb het geluk dat ik me altijd vrij voel. En dat ik een mooier leven heb gekregen dan ik me ooit had kunnen wensen toen ik als verwaarloosde, uitgehongerde oorlogsbaby op reddingtransport werd gezet.”

Hongertransporten

“Op 16 maart 1945 kwam ik vanuit Amsterdam met de boot aan in de haven van Enkhuizen. Ik was pas acht maanden oud en sterk ondervoed. Dat kwam deels door de hongersnood die er toen heerste, maar ook doordat mijn biologische ouders niet goed voor mij zorgden. Mijn opa en oma maakten zich zorgen om mij, waren bang dat ik het einde van de oorlog niet ging halen. En dus regelden zij dat ik mee kon met een van de hongertransporten die door verzetsheldin Truus Wijsmuller werden geregeld. Daarmee heeft ze het leven van talloze kinderen gered, waaronder dat van mij.”

“De boot waarop ik zat zou eigenlijk doorvaren naar Friesland. Maar er waren bombardementen rond het IJsselmeer en het weer werd slecht en mistig. De kapitein vond het te gevaarlijk om verder door te varen en legde aan in de haven van Enkhuizen. Er waren meerdere kleine kinderen aan boord die niets te eten hadden. Kranten werden als luiers gebruikt. De stadsomroeper ging door de stad, roepend om mensen die voor een dag of nacht voor een baby wilden zorgen; de volgende dag zou de boot verder gaan.”

‘Stinkende paardendeken’

“Mijn pleegouders, de familie Loots, hadden een boerderij waardoor zij genoeg te eten hadden. ‘Er benne kindertjes die honger hebben en wij hebben zat, ga er maar eentje halen,’ zei mijn pleegvader tegen zijn vrouw. Dat zij een uitgehongerde baby in huis namen, verbaast mij niets. Mijn ouders – zo noem ik ze liever in plaats van pleegouders – waren hartelijke mensen bij wie iedereen altijd welkom was. Een ander helpen, dat vonden ze belangrijk. Mijn moeder ging richting de haven, maar kreeg van een voorbijganger te horen dat er geen kinderen meer werden meegegeven vanwege de vele administratie die erbij kwam kijken.”

“Toch liep ze door. De huisarts stond op de boot en zag mijn moeder aankomen. ‘Wil jij er eentje meenemen?’ vroeg hij. De brug bij de haven was kapot gebombardeerd, mijn moeder klauterde over de brokstukken en stapte over het gat heen aan boord. De huisarts gaf haar een klein buideltje in een stinkende paardendeken. ‘Hier, neem dit mee, want ze haalt de avond niet,’ zei hij. Zo liep ze met mij naar huis. Onderweg gluurde ze af en toe in de deken om te kijken of er nog leven in mij zat. Het enige wat ze zag was één plukje haar vol luizen en twee grote, bruine ogen.”

Lees ook:
De Joodse Carla groeide op in een pleeggezin: ‘Op mijn twaalfde ontdekte ik de waarheid’

‘Wij hoeven haar niet meer’

“Tegen alle verwachtingen in, bleef ik wel in leven. Met theelepeltjes melk en water – dag en nacht, om de tien minuten – lapten mijn ouders mij op. Er werd besloten dat de kinderen die in Enkhuizen waren gestrand, de duur van de oorlog mochten blijven. Dus bleef ik bij de familie Loots. Van de bevrijding een paar weken later, weet ik natuurlijk niets meer. Ik was nog zo klein. Ik weet alleen dingen van horen zeggen. Zoals dat mijn biologische vader uit Amsterdam na verloop van tijd naar de boerderij kwam. Hij duwde een briefje in de handen van mijn moeder.”

“Dat briefje is verloren gegaan, maar er stond iets op met de strekking: ‘Wij hoeven haar niet meer, jullie mogen haar houden.’ Een verklaring gaf hij verder niet. Mijn ouders antwoordden eensgezind dat zij mij wél graag wilden houden. En daarmee was de kous af. Ik bleef op de boerderij en groeide op als een van hun kinderen. De andere kinderen, drie jongens en een meisje, waren al een stuk ouder, dus ik werd gezien als een nakomertje. Toen ik twaalf was, mocht ik met mijn vader mee naar de koemarkt. Aan een van de andere boeren stelde hij mij voor als zijn dochter. ‘Dat hoef je niet te zeggen, dat zie je zo wel,’ zei die man. Mijn vader straalde van oor tot oor.”

Biologische grootouders

“Ik wist niet beter dan dat dit mijn echte familie was. Toen ik een jaar of acht was, ben ik een keer naar Amsterdam gegaan om mijn biologische grootouders op te zoeken. Ik wist helemaal niet wie zij waren, ik dacht dat ik gewoon naar ‘een’ opa en oma ging. ‘Trek haar niet de mooiste kleertjes aan hoor, want als je zonder haar terug komt, kom je er niet meer in,’ had een van mijn broers gezegd voordat ik ging.”

“Hij was waarschijnlijk bang dat ze mij zouden houden, maar ik begreep niets van die opmerking. Het bezoek aan mijn grootouders was geen succes. Mijn opa tikte steeds met het broodmes op mijn arm. Als grapje bedoeld, maar ik werd er bang van en was blij toen we weer naar huis gingen.”

De waarheid

“Thuis werd nooit iets gezegd over mijn afkomst. Toch had ik weleens opmerkingen gehoord. Op school was tegen mij gezegd dat mijn ouders niet mijn echte ouders waren. Mijn moeder wuifde dat dan weg: ‘Die kinderen pesten maar wat.’ Pas op mijn veertiende kwam ik achter de waarheid. Ik had een identiteitsbewijs nodig, en daar kwam mijn geboortenaam op.

Hoe mijn ouders mij het precies vertelden, weet ik echt niet meer. Wel weet ik nog mijn reactie. Ik was in shock, kon het simpelweg niet geloven. Want zíj waren mijn echte ouders, broers en zus. Zíj waren mijn familie, zo voelde dat. Ik kan me niet herinneren dat ik overstuur was door het nieuws, maar misschien heb ik dingen ook weggestopt. Ik was totaal niet nieuwsgierig naar mijn biologische familie en zocht hen nooit op.”

Toestemming

“Dat veranderde toen ik negentien was en wilde trouwen met mijn verloofde Bart. Omdat je officieel pas vanaf je 21ste mocht trouwen, had ik toestemming van mijn biologische ouders nodig. Via via had ik het adres achterhaald en hun een brief geschreven. Samen met mijn moeder zat ik aan tafel, toen er ineens een man over het erf liep. Dat bleek mijn biologische vader. Het deed me niets om hem te zien.”

“Het was een klein, iel mannetje. Hij gaf me een hand en zei: ‘Dag juffrouw.’ Onvoorstelbaar, dat je daarmee je dochter na al die jaren begroet. Hij vertelde dat hij best voor toestemming wilde tekenen, maar hij waarschuwde me dat mijn moeder dat niet zou doen. De papieren moesten in Amsterdam worden getekend. Mijn biologische vader deed dat, zoals beloofd. Mijn biologische moeder negeerde mijn brief, dus zocht ik haar op in Amsterdam.”

Dwarszitten

“Het was niet emotioneel om haar te zien, want ik voelde geen enkele band met haar. Ze zag er haveloos uit, ik herkende mezelf totaal niet in haar. Ze zei dat ze zou tekenen, onder voorwaarde dat ze op de bruiloft uitgenodigd zou worden. Zó brutaal. Nooit had ze naar me omgekeken, en nu wilde ze dit afdwingen.”

“Toch ging ik akkoord, omdat ik per se wilde trouwen. Maar de dag voor de plechtigheid belde ze af: ze beweerde ziek te zijn. Een ijlbode is op de ochtend van de bruiloft naar Amsterdam gegaan voor haar handtekening, die ze gelukkig wel gaf. Maar dat je je dochter zo dwarszit op haar trouwdag, dat ging er bij mij niet in.”

Geen contact

“Ik heb na mijn trouwerij nooit meer contact gezocht met mijn biologische familie. Ik weet dat ik een oudere zus heb, die ook bij een pleeggezin is ondergebracht in de oorlog. Maar haar namen mijn biologische ouders wél weer in huis. Dat vond ik niet pijnlijk, want ik had híer mijn familie.”

“Ook mijn zus heb ik nooit opgezocht. Ik weet niet eens of ze nog in leven is. Mijn biologische ouders zullen inmiddels allang overleden zijn, maar ook daar heb ik nooit iets over gehoord. Ik voel totaal niet de behoefte om in het verleden te gaan spitten en familieleden op te zoeken.”

‘Hoe kun je?’

“Boos of gekwetst over het feit dat mijn biologische ouders mij hebben afgestaan, ben ik nooit geweest. Ik voelde vooral diep onbegrip en verbazing. Zeker toen ik zelf moeder werd en meteen zo intens veel van mijn kinderen hield. Toen mijn oudste dochter werd geboren, was zij mijn eerste biologische familielid. Dat was heel bijzonder voor mij. Soms keek ik naar haar en dacht: hoe kún je van zo’n kleintje, dat het dierbaarste in je leven hoort te zijn, zomaar afstand doen?”

“Dat is iets wat ik nooit zal begrijpen. Maar ik besef dat het destijds andere tijden waren en dat mijn biologische ouders het moeilijk hadden. Plus: als ze mij niet hadden afgestaan, was ik er waarschijnlijk niet meer geweest. En ik heb nu een prachtig leven. Bart en ik hebben drie dochters en een zoon, negen kleinkinderen en een achterkleinkind. Het liefst houd ik iedereen dicht bij me. Ze wonen hier ook allemaal in de buurt. Kom niet aan het spul dat van ons is, grap ik altijd beschermend.”

Naamsverandering

“Ik kon vroeger niet worden geadopteerd omdat mijn vader daarvoor net een jaar te oud was. Hun achternaam gebruikte ik altijd op school, maar officieel had ik nog gewoon mijn geboortenaam. Nadat ik was getrouwd, nam ik de naam van mijn man aan, maar soms – op officiële documenten – dook mijn meisjesnaam nog op. Dat stoorde me, want ik voelde me er totaal niet mee verbonden. Dat wás ik niet. Ik vond het een drama, ik wilde die naam niet horen of zien. Maar een officiële naamsverandering via de rechtbank kost enorm veel geld, en dat had ik niet.”

De Thuishaaldertjes

“Drie jaar geleden werd het stuk De Thuishaaldertjes opgevoerd in het theater van Enkhuizen. Deze musical ging over de kinderen die tijdens het oorlogstransport in Enkhuizen terechtkwamen. Dat was ook mijn verhaal, dus ik werd uitgenodigd voor alle voorstellingen. Al jaren was ik aan het sparen voor een naamsverandering, dat wisten veel mensen in de stad. Op een avond dat ik niet in het theater was, is er onder het publiek een inzamelingsactie geweest. Tijdens de laatste uitvoering werd ik op het toneel geroepen en kreeg ik het mooie bedrag overhandigd.”

Erkenning

“Ik ging stuk, de tranen stroomden over mijn wangen. Het was zo’n ontroerend, liefdevol gebaar. Eindelijk kon de procedure in gang worden gezet. Toen ik bevestigd kreeg dat ik voortaan echt Loots heette, betekende dat alles voor mij. Eindelijk erkenning. Mijn vader zei altijd: ‘Ik heb er een koe voor nodig dat jij onze naam krijgt.’ Het is voorbestemd geweest dat ik in Enkhuizen bij de familie Loots terecht kwam. Het heeft zo moeten zijn. Ik vind dat ik daarmee een lot uit de loterij heb getroffen.”

Tekst | Anne Broekman
Fotografie | Mariël Kolmschot

Ook interessant