Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

Persoonlijk

Adelheid Roosen (61): ‘Ik blijf een deugniet’

adelheid-roosen.jpg

Extravert, een tikkeltje ‘wild’ en vooral levenslustig, bevlogen en nieuwsgierig: Adelheid Roosen mag dan de zestig zijn gepasseerd, ze is het allemaal nog steeds en toch… het vóélt rustiger. Tijd om eens bij te praten.

Adelheid Roosen rookt buiten nog even een sigaret, de bruuske wind ten spijt. Ze is graag buiten, zegt ze, ze kan gemakkelijk een uur lang op een bankje in het park of op de hoek van de straat zitten. Kijken naar mensen, nippend van haar meeneemkoffie, een gesprek aangaan, praten, lachen, de wereld omarmen. We moeten niet zo bang zijn voor elkaar, dat is al jaren haar boodschap. Dat het vechten tegen de bierkaai is, dat er vandaag de dag liever wordt gehamerd op onderlinge verschillen, dat doet haar niets. Het maakt haar alleen maar strijdbaarder. ‘Doe lief, wees aardig, leer te begrijpen’, dat is het gospel van artistiek leider, actrice, theater- en documentaire-maakster Adelheid Roosen. En dat ondanks haar alleszins onprettige eigen jeugd – of misschien wel dankzij.

Die boodschap van jou – het lief zijn voor elkaar, wederzijds begrip vinden – verpakte je voorheen in een meer uitgesproken vorm dan tegenwoordig. Het is minder ‘luidruchtig’.

“De vorm is misschien veranderd, maar de essentie niet. In mijn jeugdigheid was ik meer in paniek, onzeker, en dat werd versterkt door de kritiek die ik kreeg op wat ik zei. Daar schrok ik van. Ik had ook niet het vocabulaire en de vanzelfsprekendheid om in interviews uit te leggen wat ik precies bedoelde.”

Je voelde je aangevallen.

“Ik was getraind in buitengesloten worden, omdat ik als kind al lastig werd genoemd. Dat was mijn pijnpunt. Het was een wond, waar ik keer op keer op werd geraakt. Dat verlamde soms, maar vaker werd ik er juist vuriger van. Bovendien was het gejuich groter dan de kritiek; ik heb me daardoor ook geliefd gevoeld door wildvreemden.”

Hebben die meningen van anderen er ook toe bijgedragen dat je tegenwoordig een zachtere kant van jezelf laat zien?

“Niet als een bewuste strategie. Je leert dingen als je ouder wordt. Ik leerde bijvoorbeeld op mensen af te stappen die mij veroordeelden of hadden gekwetst. Niet om het ze te verwijten, maar om ze uit te leggen wat het met me had gedaan. Ik voelde het in mijn keel, in mijn stem, mijn benen, ik was zo verlegen. Maar ik zei het. Dat het me pijn had gedaan, dat ik ’s nachts in bed had liggen huilen. Daar heb ik nog nooit een slecht gesprek aan overgehouden. Maar het blijft lastig, merk ik, hoe mensen je beschouwen. Het komt nog steeds voor dat mensen die voor het eerst met me werken na een week zeggen dat ik ‘eigenlijk heel lief’ ben. Die eigenschap hadden ze blijkbaar niet met mij geassocieerd.” (lacht)

Je had lange tijd dat aura om je heen: te artistiek, te gedreven, te moeilijk, te wild

“Ja, hoe mooi is dat, wat een prachtwoorden! En ja, soms pijnlijk, maar je leert om te gaan met het temperament dat je hebt. En ik leerde inzien dat het voor een groot deel het probleem van de ander is en niet per se het mijne. Evengoed zeg ik het inmiddels wel altijd, als ik met nieuwe mensen werk: ‘Ik ben heel benaderbaar, hoor.’” (lacht) “Wat ook echt zo is: ik ben niet de artistiek leider op een afstand. Ik ben mét mensen, werk met ze samen.”

Toch lijkt het me pijnlijk om jezelf na al die jaren nog steeds te moeten verdedigen.

“Nee, want ik verdedig mezelf niet om mijn temperament, dat is wie ik ben. Bovendien zijn er zo veel liefhebbers van dat temperament; die waardering is in balans met de kritiek. Ik ben er vooral verbaasd over dat best veel mensen mijn autonoom onafhankelijke gedrag als een bedreiging zien. Terwijl dat voor mij de weg naar vrijheid is. Ik ben voor niks anders op aarde dan om mijn mens-zijn uit te kristalliseren. Dit bedoel ik geenszins dreigend of somber, maar als ik dat niet zou kunnen doen, hoef ik hier niet meer te zijn.”

Je hebt mensen die vinden hun leven niet geslaagd als ze geen kinderen hebben gekregen. Die zien kinderen krijgen en opvoeden als hun ‘taak’.

“Ik heb me daar ook echt een jaar van mijn leven door laten afleiden, door de vraag of ik misschien ook kinderen moest krijgen. Eigenlijk puur omdat mijn omgeving aangaf dat dat iets was wat je moest doen. Als je geen kinderen wilt, moet je dat ook altijd uitleggen. Terwijl ik denk: leg jij mij eerst eens uit waarom ik ze wél zou moeten willen. Maar dat mag niet, want kinderen krijgen is vanzelfsprekend. Weet je, ik heb nooit gedacht dat ik géén kinderen zou krijgen, omdat ik als jong kind diezelfde vanzelfsprekendheid mee kreeg: je bent een meisje en als je ouder wordt, krijg je kinderen. Maar het gebeurde gewoon niet. En dat voelde voor mij heel natuurlijk. Ik hoefde voor mezelf helemaal geen reden te hebben om geen kinderen te willen.”

Je zei ooit dat je moeder een gruwelijke hand van opvoeden had. Had dat er ook mee te maken?

“De strenge hand van mijn moeder was zo aanwezig dat ik vanaf mijn geboorte in een soort gevangenschap terechtkwam. Mijn moeder was de cipier. Je kunt het nooit exact nagaan, maar het zou goed kunnen dat dat bepalend is geweest. Mijn zus heeft ook geen kinderen.”

En dan kom je vervolgens terecht op een nonnenschool, waar ook met harde hand wordt geregeerd.

“Ja, ik had een ongelukkige jeugd, zwierf in mijn eentje door de duisternis, zo voelde het. Niet eens zozeer tijdens die jeugd zelf, maar vooral later, toen ik naar de Akademie voor Expressie door Woord en Gebaar ging. Dat was zo’n groot geluk, dat kon ik bijna niet bevatten. Ik stapte de duisternis uit en kwam in een blauwe hemel. Dat kunstonderwijs heeft veel rechtgetrokken, in balans gebracht. Er was ineens een wereld waarin ik mezelf kon ontvouwen, het bevrijdde me.”

Mocht je zomaar naar die school van je ouders?

“Nee, mijn moeder had alles uitgestippeld. Haar beide dochters moesten naar de universiteit, Frans studeren, eventueel nog iets anders. Dat was het, daar was geen ontkomen aan. Ik was dus ook niet bezig met mijn toekomst, want al het andere wat ik zou willen was onmogelijk. Dat het lukte heb ik te danken aan een gymleraar op de middelbare school. Een stille man, fysiek heel ferm. Hij heeft iets in mij gezien, iets wat ik zelf nog helemaal niet zag. Ik deed van alles buiten school om, niet alleen omdat ik een ADHD-persoon was, maar ook om elke dag zo laat mogelijk weer in die gevangenis van mijn moeder te stappen. Hockey, dansles, paardrijden, badminton, tennis, alles. Als ik maar weg was.

Die gymleraar suggereerde op een gegeven moment, schijnbaar vanuit het niets, dat ik eens moest nadenken over kunstonderwijs – hij was ook decaan. Hij gaf me wat folders mee en ik vond dat ontzettend lief, maar ik heb daar verder niet van liggen dromen in mijn bed. Het was immers geen optie. Tot die man op een avond ineens voor de deur stond. Hij is op eigen houtje naar mijn ouders gegaan, heeft aan mijn mimiek iets gevoeld, iets gezien. Hij legde het bij mijn ouders neer en door die stap begon het bij mij te borrelen: misschien, eventueel, wellicht is dit een mogelijkheid…

Ik ben uiteindelijk stiekem auditie gaan doen, terwijl ik al Frans studeerde, en ben aangenomen. Vervolgens ging ik stiekem naar die school, maar dat werd ontdekt. Ik was volkomen in paniek, want mijn ouders wilden niet betalen en de gedachte dat ik van de Akademie af zou moeten was verschrikkelijk. Maar het werd geregeld, daar op school – alleen al daarom was het daar zo geweldig. Ik ben vervolgens wel een tijd gebrouilleerd geweest met mijn ouders.”

Toch maakte je een integere, prachtige documentaire en voorstelling over en met je moeder, toen ze leed aan de ziekte van Alzheimer.

“Toen mijn moeder ziek werd, voelde ik een ontiegelijke levensvreugde. Dat klinkt raar, maar ik bedoel niet dat ik blij was omdat ze ziek was; ik zag voor het eerst een scheurtje in haar façade ontstaan. Alsof er een steentje tegen een grote porseleinen vaas knalde: hij staat nog overeind, die vaas, maar je weet dat alles gebroken is, dat er niks voor nodig is om hem in een miljoen stukjes uiteen te laten vallen. Om een mens zo ongetemd te zien, dat vond ik prachtig. Er was niks meer over van de gevangenisdirecteur die ze ooit was. Dat vond ik een cadeau van het leven, van mijn moeder aan mij.”

Was dat het moment dat je het afsloot voor jezelf, met die voorstelling en documentaire?

“Dat was al eerder gebeurd. Zo ergens halverwege de dertig wisten mijn zuster en ik dat we de moeder in deze vrouw nooit zouden krijgen of vinden. Zo realistisch waren we inmiddels wel. Mijn vader heeft mijn zus en mij op een gegeven moment nog wel gevraagd of hij op ons kon rekenen als hij er niet meer was. Hij was – zoals altijd – helder en kort van stof, maar we begrepen dat hij ons aansprak op onze levenseer. Dat als hij zou komen te overlijden, dat wij die taak dan op een integere wijze zouden volbrengen, dat wij dan voor mammie zouden zorgen. Wij hebben toen allebei tegen mijn vader gezegd dat we dat zouden doen. Omwille van hem.”

Geloof jij in een leven na de dood?

“Dat is zo’n ruime mogelijkheid dat ik alle termen die daar in ons vocabulaire voor zijn niet adequaat genoeg vind. En ‘niks’ vind ik al helemaal niet fantasievol. Vertel jij mij dan maar wat ‘niks’ is. Kijk naar onze aarde, hangend in dat stelsel van planeten en sterren… Niets? Nee joh. Ik heb er ook een absolute nieuwsgierigheid naar, naar die buiteling, straks, na mijn laatste adem. Zou je nog ergens in een momentum terechtkomen? En dan, dat niets, wat is dat dan? Het is niet de hoop dat ik wil blijven bestaan, die behoefte heb ik niet, maar ik ben nieuwsgierig naar de weg daarnaartoe.”

Hoe bevalt het leven je als zestiger?

“Ik vind het fijn, omdat het simpeler wordt. Het leven is niet zo ingewikkeld als we denken wanneer we jonger zijn. De ontdekking daarvan, dat is een complexe weg, maar de essentie is simpel: mensen zijn, willen en denken over het algemeen allemaal hetzelfde. De elegantie van de liefde willen we allemaal ervaren.”

En fysiek?

“Dat is iets anders… Als je op je twintigste iets krijgt, denk je: fok, ik kan niet naar voetbal vanavond. Maar je gaat ervan uit dat je beter wordt, en snel ook. Dat is gek, nu, dat je beseft dat het eindig is. Ik ben nu 61 en dan ga je rekenen: misschien haal ik 81, nog twintig jaar… En dan denk je terug aan de periode veertig tot zestig en hoe lang dat was. En dan blijkt dat gelukkig nog een hele klap tijd.” (lacht) “Wat ik wel leuk vind aan ouder worden is om dingen weg te geven. Mijn computer, agenda en telefoon heb ik echt nodig, anders word ik gek, maar de rest kan weg. ‘Vind je dat schilderij mooi? Hier, neem maar mee.’ Dat vind ik tof.”

En ben je op je 81ste nog steeds de extraverte, wilde vrouw die we kennen?

“Ik blijf een deugniet, ja. Niets zo leuk als zonder kaartje naar het theater gaan en dertig seconden voor de voorstelling begint stiekem naar binnen te piepen. Je kunt me met niets gelukkiger maken, ik ben dol op burgerlijke ongehoorzaamheid.” (lacht) “Dat zal de glimlach op mijn gezicht verklaren, straks, als ik een lijk ben!”

Tekst|Marcel Langedijk
Fotografie | Ester Gebuis
Styling|Esther Loonstijn
Visagie|Carmen Zomers

Dit interview stond eerder in Margriet 21. Dit nummer nabestellen? Dat kan hier.

Ook interessant