Nieuws

Waarom de psychische gevolgen van de oorlog na 75 jaar zijn nog altijd merkbaar zijn

waarom-psychische-gevolgen-van-oorlog-na-75-jaar-zijn-nog-merkbaar-zijn.jpg

Vrijheid is een groot goed en dus vieren we die vrijheid uitgebreid, 75 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog. We kunnen daarin niet voorbijgaan aan de psychische (en soms ook fysieke) schade die destijds is aangericht, omdat die nog altijd gevolgen heeft.

Zo blijken ouderen die de oorlog van dichtbij meemaakten een grotere kans te hebben op psychische klachten als een depressie en een angststoornis. Ook hebben ze een groter risico op het krijgen van hart- en vaatziekten en diabetes type 2.

Psychische gevolgen

Soms komen de klachten pas later in het leven naar voren, na lang in de overlevingsstand te hebben geleefd. Traumatherapeut Margriet Wentink ziet in haar praktijk geregeld mensen die pas laat in het leven met hun oorlogstrauma aan de slag gaan. “Het zit in ons mensen om pijn te vermijden. Pijn van een oorlog is vaak zo groot dat het voor overlevenden noodzakelijk is om die ergens ver weg te stoppen. Bovendien willen mensen vlak na een oorlog hun blik op de toekomst richten en een volgende generatie niet belasten. Na de oorlog waren we toch vooral bezig met de wederopbouw. Niet alleen van huizen en steden, maar ook een maatschappij waarin veel mensen niet terugkeerden.”

“Iedereen stond voor de opgave het leven an sich weer op te pakken: werk en woonruimte vinden, een gezin stichten, kinderen grootbrengen. Maar ‘wegstoppen’ kan uiteindelijk voor chronische stress zorgen. Het kost energie om een deksel op een put te blijven drukken. Onverwerkte oorlogservaringen blijven in iemand aanwezig zoals niet-geëxplodeerde mijnen in een mijnenveld. Daarmee loopt iemand het risico dat herinneringen – soms in hevigheid – worden geactiveerd op onverwachte en ongewenste momenten. Juist in deze tijd van 75 jaar herdenken. Met zo veel aandacht in de media en alle boeken die verschijnen – of bijvoorbeeld op 4 en 5 mei bij vliegshows, militaire oefeningen of tijdens de jaarwisseling met al het vuurwerk – zien we vaak dat oorlogservaringen die lagen te sluimeren in iemands herinnering wakker worden geroepen. Soms gaan mensen dan op hoge leeftijd alsnog in therapie.”

Ieder zijn eigen verhaal

Oorlogservaringen verschillen sterk van elkaar, ook al hebben mensen dezelfde oorlog meegemaakt. Margriet Wentink: “Was je een kind, een man of een vrouw, was je dagelijks blootgesteld aan onderdrukking en terreur zoals in een concentratiekamp, moest je onderduiken of leefde je in een relatief rustig dorp waar genoeg te eten was? Veranderde de stad waarin je woonde in een ruïne als gevolg van bombardementen? Moest je vluchten of kon je in je eigen huis blijven wonen?

En ook niet onbelangrijk: aan welke kant stond je? Ging je bij het verzet of sloot je je aan bij een onderdrukkende ideologie? Na de Tweede Wereldoorlog is pas geleidelijk erkenning gekomen voor al die verschillende facetten en voor welke impact deze hebben op mensen en welke psychische gevolgen ze op de lange duur hebben. Aanvankelijk werd bijvoorbeeld gedacht dat jonge kinderen niet zo veel last zouden hebben van de oorlog, omdat ze zich de gebeurtenissen toch niet meer kunnen herinneren.”

“Wat we nu allemaal weten over de psychische gevolgen van een oorlog, wisten we de eerste decennia na die oorlog allemaal nog niet. Heel veel mensen hebben zich helemaal niet erkend gevoeld als het gaat om de impact die de oorlog op hen heeft gehad. De Joodse mensen die overleefden en terugkeerden vanuit de concentratiekampen en onderduikadressen niet. De vergeten groepen zoals Roma, Sinti, homo’s en communisten die naar concentratiekampen zijn gevoerd niet. Jonge mannen die in Nederlands-Indië hebben gevochten niet. De bevolkingsgroepen die na de oorlog uit Nederlands-Indië naar Nederland kwamen niet. Vaak gaan er zo’n tachtig jaar overheen voordat er openlijk over gesproken kan worden. Twee of drie generaties dus. De meeste overlevenden zijn er dan niet meer, dus komt het aan op de paar mensen die het nog kunnen navertellen.”

Meer bewustzijn

Wat ook meespeelt, is dat we nu de tijd, kennis en middelen (denk: televisie, films) hebben om met dit collectieve trauma aan de slag te gaan. Over hoe verstrekkend de gevolgen van trauma kunnen zijn groeit het bewustzijn. En die verstrekkende gevolgen gelden zeker niet alleen voor de Tweede Wereldoorlog, maar voor álle oorlogen. Dus ook voor bijvoorbeeld de oorlog in Nederlands-Indië, de oorlog in voormalig Joegoslavië en de talloze oorlogen in andere gebieden van de wereld. Iedereen kent de beelden van de totaal verwoeste steden in bijvoorbeeld Syrië of andere landen in die regio.

Margriet Wentink: “Ze gelden voor elke vorm van langdurige onderdrukking die gepaard gaat met geweld. Of dat geweld nu wordt uitgevoerd door een andere natie of binnen de eigen staat. Het gaat over levensgevaarlijke dreiging, bommen die op je stad vallen, honger, armoede, verkrachtingen soms, martelingen en ook over de manier waarop het dagelijks leven ontwricht is. Namelijk, omdat er geen infrastructuur meer is, je kunt niemand vertrouwen, scholen en winkels zijn gesloten en grote groepen (jonge) mannen zijn afwezig in de samenleving omdat zij opgeroepen worden voor de strijd.”

Volgende generaties

“Al die vreselijke dingen resulteren in een enorme aantasting van je basisgevoel van veiligheid. Elke dag vrezen voor je leven is zeer traumatiserend.” De vraag is dan ook: hoe doe je dat, verder leven na een oorlog? Wentink: “Afhankelijk van wat je meemaakte in de oorlog, kan het ook gebeuren dat mensen niks en niemand meer vertrouwen, denken dat alles tegen hen gebruikt kan worden. Dat maakt hun wereld klein, want ze geven weinig meer prijs aan een ander. Sommige overlevenden worstelen met ‘survivor guilt’: waarom heb ik deze oorlog overleefd en mijn familie/partner/goede vriend niet? Dit kan zich uiten in slachtofferschap, maar juist ook in een tomeloze inzet voor een ander. Zij ‘moeten’ het dan heel erg waard maken dat ze leven, het op die manier ‘goedmaken’.”

Dat oorlogstrauma’s ook grote invloed hebben op de volgende generatie(s) moge duidelijk zijn. Marianne des Bouvrie, dochter van een in het jappenkamp getraumatiseerde moeder, schreef het boek De oorlog van mijn moeder in mij. Want opgroeien bij een moeder (of vader) die door een oorlog of kampervaringen is getraumatiseerd, betekent opgroeien in de schaduw van groot leed. Des Bouvrie beschrijft de soms moeizame, vaak leerzame en intense weg die ze ging om zichzelf te ontdekken en te ontwikkelen. In het boek komen situaties voor die onbeduidend lijken, maar waar heel veel leed achter schuilgaat.

Tweedegeneratie-oorlogsslachtoffers

Zo beschrijft ze dat zij als kind graag elastiekjes wilde om staarten te maken in haar lang wordende haren. Maar die elastieken werden door moeder niet gekocht en Mariannes haren werden in plaats daarvan afgeknipt. Haar moeder wilde niet dat Marianne ‘meisjesachtig’ was, want dat betekende een risico op misbruik. Mariannes moeder was in het kamp verkracht. Veel tweedegeneratie-oorlogsslachtoffers worstelen met het gevoel dat zij alles goed moesten maken wat hun ouders is aangedaan. Over wat er in de oorlog plaatsvond werd thuis weinig gesproken of in bedekte taal.

Wentink: “Ik zie veel vrouwen en mannen die in hun jeugd en soms ook daarna nog op eieren hebben moeten lopen om zo het mijnenveld van hun ouder(s) maar niet te triggeren. Getraumatiseerde mensen kunnen plotseling een kort lontje hebben en woede, verdriet of angst komen als donderslag bij heldere hemel tevoorschijn. Die onberekenbaarheid, die dreiging maakt het heel onveilig voor een kind. Daarom passen ze zich maar aan. Of kinderen mochten hun talenten niet ontwikkelen, want je moest vooral niet opvallen; dat stond immers gelijk aan gevaar.”

‘Verboden onderwerpen’

“Soms zijn tweedegeneratie-slachtoffers hun innerlijk kompas helemaal kwijtgeraakt en weten ze niet meer wie ze zelf zijn en wat ze willen in het leven. Omdat ze steeds bezig zijn geweest met hoe het met hun ouders ging. Er zijn kinderen die voortdurend de oorlogsverhalen moesten horen en leerden: wat jij meemaakt telt niet, het haalt het niet bij het verdriet en het lijden dat wij hebben meegemaakt.”

“Maar ook kinderen die juist niets hoorden, die de ‘verboden onderwerpen’ stilzwijgend in de ruimte voelden hangen en intuïtief wisten dat ze naar bepaalde namen, familieleden of thema’s nooit moesten vragen. Er zijn kinderen van verzetshelden en van NSB’ers die nog jarenlang de gevolgen droegen van de rol die hun ouders speelden in de oorlog. En dan zijn er oorlogsslachtoffers die een kind krijgen omdat ze hopen dat dit kind hun tekort aan liefde zal opvullen. Maar een kind kan dat niet; om zelf iemand te worden heeft een kind juist nodig dat het geliefd is om wie hij is.”

Uit het isolement

Het is dan ook belangrijk dat er (nog meer) oog komt voor de psychische gevolgen van oorlogen in het algemeen. Ook voor de tweede en soms zelfs derde generatie. Het is belangrijk dat de verhalen verteld (blijven) worden en dat we ons bewust zijn van hoe de pijn doorsijpelt. Wentink tot slot: “Laten we zorgen dat we vaker kijken of er achter bepaalde problematiek wellicht een (oorlogs)trauma schuilgaat. De psychische en lichamelijke gevolgen van oorlogstrauma kunnen heel divers zijn. Iemands leercapaciteit of geheugen kan worden aangetast.”

“Of het vermogen om gezonde relaties aan te gaan; de spanningen in een gezin kunnen mensen overvragen. Er kan sprake zijn van arbeidsongeschiktheid. Het kan zijn dat een kind elke nacht wakker wordt omdat een vader of moeder schreeuwend de zoveelste nachtmerrie beleeft. Onverwerkt trauma zet mensen in een gevoel van isolement en tast het begrip aan van zichzelf, de ander en de samenleving. Laat iedereen, ook leraren en artsen, minder kijken naar symptomen en meer naar wat er ónder die symptomen ligt.”

Tekst | Marije Kolk
Beeld | iStock

M18-Cover-HR-JPG-1

Dit artikel is eerder verschenen in Margriet 18– 2020 Dit nummer terug lezen? Ga dan naar Magazine.nl.

Ook interessant