Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

Nieuws

Gedichten van Marjan

Vriendschap
Vriendschap is zwijgen, niets zeggen
Maar een arm om je schouders leggen
Vriendschap is in iemands leven
Vreugd en verdriet meebeleven
Vriendschap is niets vragen
Maar gewoon helpen te dragen
Vriendschap is even gauw bellen
Om de laatste nieuwtjes te vertellen
Vriendschap is praten en vertrouwen
Dat de ander de mond kan houden
Vriendschap is durven tonen
Welke gevoelens in je wonen
Aan goede vriendschap komt geen end
Waar ter wereld je ook bent
Vriendschap is een kostbaar kleinood
Dat met je meegaat tot in de dood
En , heb je echte vriendschap gevonden
Legt ze een pleister op vele wonden
Daarom is het zo fijn
Om goede vrienden te zijn.
Anoniem

Ingestuurd door Loes Fekkes

Gebed voor ….. (vul maar in):
Heer, ik weet dat u geen wonderen doet
U bent geen tovenaar waardoor de ziekte wijken moet.
U kijkt wel uit. Stel dat U een smekeling zou verhoren,
dan was het einde zoek, zat u mooi met de gebakken peren.
Nee, Heer, met mijn smeekbeden zal ik u beslist niet storen.
Het zou bovendien oneerlijk zijn als U
de dood van hogerhand zou keren,
tegenover al die tobbers die kreperen in
een van godvergeten hongerland.
Maar Heer, verhinder niet, dat door
stom toeval of speling van het lot,
dat ….. beter wordt.

Ingestuurd door Annie van Dijk

Gesloten boek
Het sneeuwde
op de dag dat je ons verliet.
Op het moment dat ik nog heel diep
in een andere wereld was
en geen weet had van jouw afscheid.

Het sneeuwde op de dag
dat ik eindelijk en totaal onverwachts
de pijn van het gemis voelde
en mijn tranen als sneeuw bevroren
in de hoeken van mijn ogen.

Monique Manshanden

Voor een dag van morgen
Wanneer ik morgen doodga,
vertel dan aan de bomen
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan de wind,
die in de bomen klimt
of uit de takken valt,
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan een kind,
dat jong genoeg is om het te begrijpen.
Vertel het aan een dier,
misschien alleen door het aan te kijken.
Vertel het aan de huizen van steen,
vertel het aan de stad,
hoe lief ik je had.

Maar zeg het aan geen mens.
Ze zouden je niet geloven.
Ze zouden niet willen geloven dat
alleen maar een man alleen maar een
vrouw
dat een mens een mens zo liefhad
als ik jou.

Hans Andreus

Witte wolken
Dwarrelen dwaas
Dwars door de hemel
Zonder geraas

Alexandra van Zanten-van Hogendorp

Mijn foto
Heb jij er eens bij stilgestaan dat de tijd zo vlug kan gaan
Nou ik zag vanmorgen pas, ik ben niet meer die ik eens was.
Keek in de spiegel en dacht nou, ben jij dat nu die oude vrouw
Je had toch steeds een gladde huid en nu de strakheid is er uit
Wat is er met m’n ogen loos, of kijk ik nu zo bar en boos
Lang lopen kan ik ook niet meer, want dan doen m’n benen zeer
 
Toch staat dat vestje mij nog goed, ik krijg warempel nieuwe moed
Zoveel moois nog in mijn leven, er zijn er veel die om mij geven
Ik voel me goed ik woon hier fijn, zoveel om dankbaar voor te zijn
Ik heb alles wat ik hebben wou, ik ben ‘n hele rijke vrouw
Ik ben tevree wis en waarachtig, ik ben nog even negenentachtig.
 
Enny Linssen  

Oude Mensen (2)
in deze ogen staat het allemaal geschreven
het stralend blije en het hulpeloos geschrei
het zijn de achteruitkijkspiegels van een leven
dat altijd schommelt tussen droevig zijn en blij

Toorn Hermans
Uit: Fluiten naar de overkant
Uitgeverij Elsevier 1980

Drakenhart
Drakenhart en drakenbloed
Door mijn ziel stromend
Tranen zo zwart als roet

Engelhart en engelbloed
Door mijn lichaam stromend
Mijn liefde voor eeuwig zoet

Mensenhart en mensenbloed
Is waar mee ik het mee moet doen
Het geeft iemand moed

Takkenhuid en een stijf gevoel
De regen laat mij groeien
Voor altijd bedaart en koel

Glazenhuid en een koud gevoel
Mijn geweten is stil en kalm
Iedereen snapt wel wat ik bedoel

Stalenhuid en een sterk gevoel
niemand zal mij kunnen kwetsen
als een zomeravond  kalm en zwoel

Geschreven door Eric


De blauwbilgorgel
Mijn vader was een porgel,
Mijn moeder was een porulan,
Daar komen vreemde kind’ren van.
Raban! Raban! Raban!

Ik ben een blauwbilgorgel
Ik lust alleen maar korgel,
Behalve als de nachtuil krijst,
Dan eet ik riep en rimmelrijst.
Rabijst! Rabijst! Rabijst!

Ik ben een blauwbilgorgel,
Als ik niet wok of worgel,
Dan lig ik languit in de zon
En knoester met mijn knezidon.
Rabon! Rabon! Rabon!

Ik ben een blauwbilgorgel
Eens sterf ik aan de schorgel,
En schrompel als een kriks ineen
En word een blauwe kiezelsteen.
Ga heen! Ga heen! Ga heen!

Cees Buddingh
Uit: ‘Ik wou dat ik twee hondjes was’.
Nederlandse nonsens- en plezierdichters van de 20ste eeuw bijeengebracht en ingeleid door Vic van de Reijt.
Uitgeverij Bert Bakker 1989

Klap
Wakker,
maar ik hou mijn ogen dicht
bang voor de pijn,
bang ook om wimpers op te slaan,
om weer te weten dat er
vannacht geen
toverstokje langs is gegaan
om er nieuw leven in te wekken.

Wakker,
niet op willen staan,
maar hoe lang ik ook zal wachten
uiteindelijk moet ik
de naakte waarheid aan.

Dus wakker,
oog oplaan

klap open en
klap dicht
want daar
is een klap met licht
frontaal in mijn gezicht.

Oog weer dicht
om te bekomen,
want het licht is
te hard om
meteen te vangen

om

Te licht
om te vangen in
dit gedicht.

Wat heb je vandaag gedaan?

Alleen maar gekeken
hoe het licht langzaam
in mijn gezicht verder is
open gesprongen,
uur na uur scherper
lijnen trekkend.

Lopend langs kanalen,
de zon wit blinkend zien stralen,
de fietser op de pedalen,
en steeds maar een pontje op en neer.

Kindjes met open gezichten
richten zich verwonderd
op mijn donkere zonnebril,
… vreemde mevrouw.

Het vroor bijna kraakhelder
op deze warme winterdag
met al dat licht
en mijn gezicht.

Vermoeid ben ik van het
kijken en ja
het staren naar…
en weten wat is miste
toen het mistte
van de staar.

Zacht vermoeid,
rustig
want als ik morgen wakker word
weet ik
dat het licht weer
klapt in mijn gezicht.
En dan
zal het gewoon
even wennen zijn.

Met steeds minder pijn.

Ingestuurd door: Wieke Gaus

Weet je hoe mooi je was?
denk aan mij, in stralende zon
hoe ik was, toen ik alles nog kon.

Dit wilde jij op je afscheidsbrief.

Maar weet je mijn lief zusje
hoe mooi je was
in je laatste dagen?
geen ijdelheid of tooi
dat kon je niet verdragen
gewoon is goed,
dat is wat je zei;
de maskerade is voorbij

maar oh, wat was je mooi
zo puur, doorzichtig,
je ware ik, je liet het mij zien,

geen feest was zo groots
als deze waarheid
je was omgeven
door zuiverheid,
en de kracht van liefde
die jou omgaf,
was, een hemels aureool,

je was mooi, zo mooi.

voor mijn zusje, in dierbare herinnering.
Ingestuurd door: Lijda Zieleman

Rotterdam
Te Rotterdam ben ik geboren
onder de adem van de Maas
en liep in mijn eigen stilte
te midden van het straatgeraas.
Van zwaarbespannen sleperswagens
ben ik er passagier geweest.
Door heel de stad heb ik gezworven
maar aan de kaden toch het meest.
Daar lag aan de stoet uit aller streken
de klipper en de keulenaar,
het driemastschip, zijn tuig ten hemel
en de ertsboot breed en zwaar,
de Lloyd-vloot met provincie-namen
alle elf, als ik me niet vergis
de Caland en de Lady Tyler,
de Scholten, die gebleven is.
Daar lagen zij voor alle verten
gereed met elk in zijn eigen pracht.
’t Is of ik nog zijn stem hoor loeien
ten afscheid van de winternacht.

Maar dit ook is, wat uit die jaren
het weerzien mij te binnen brengt,
dat alle geuren uit de wereld
daar met elkander waren gemengd.
Naar koffie rook het bij de Draaisteeg,
aan ‘t Oude Hoofd naar teer en touw,
naar copra langs de Spoorweghaven,
naar reuzel bij het Poortgebouw,
naar huiden op de Terwenakker
en aan het Haringvliet naar kaas.
Dan was weer de lucht van gist of olie
en dan van jute weer de baas,
dan waren het de specerijen
uit Bombay of Batavia.
Naar schapen rook het op de Boompjes,
naar uien op de Spaanse Ka.
Aan ‘t Nieuwe Werk geurden citroenen
en bij het Entredepot tabak.
Kortom, er valt geen reuk te ruiken,
die aan dit havenbeeld ontbrak.

Maar later, toen ik op mijn tochten
in aller Heeren landen kwam,
kon het mij dikwijls overvallen:
hier ruikt het net als in Rotterdam!
En daarmee kwam dan in zijn volheid
dat ene beeld mij voor de geest
waartegen zich ons leven tekent:
de stad, waar men kind is geweest.
Het is of vanuit deze haven
iets over heel de wereld drijft,
waardoor ge, waar u ‘t lot mag voeren,
toch altijd in haar omtrek blijft.
Het is, of met haar water
en wind, zij ons heeft opgevoed
in ruimte en vergezicht, de kusten
van onze toekomst tegemoet.
Vaart ge naar Sidney of naar Kaapstad,
naar Kobe of naar Baltimore,
vaart ge onder alle hemelbreedten,
vaart ge alle wereldzeeën door,
nooit voelt gij u geheel verlaten,
als hier uw mens-zijn aanvang nam,
door wat van kindsbeen af uw eigen
en lief was. Dat is Rotterdam.

Jan Prins (1876-1948)
Ingestuurd door Marja Drescher, voor haar moeder.


DAG MAM
Daar zit mijn moeder in het zonnetje te soezen
Haar rimpelhandjes stil gevouwen in haar schoot
Op tafelzeiltje staan gezellig de tompoezen
Straks komt de koffie heeft de zuster ons beloofd
Ik zeg ik hou van je mam en streel haar handen
En zie de tranen in haar ogen branden
Mijn moeder knikkebolt en mompelt dat is lief
Ik laat haar drinken en voer kleine hapjes eten
Het een na ’t andre stuk verdween uit haar archief
Maar ik wil niet geloven dat ze mij ook is vergeten

Daar zit mijn moeder in het zonnetje te dromen
Zo af en toe knikt ze me vriendelijk toe
Ze vindt het aardig dat die vreemde langs wil komen
Maar wil vandaag niet met me praten, ze is moe
Ze dwaalde urenlang door eindeloze gangen
Op zoek naar antwoord op een onbestemd verlangen
Mevrouw De Goede gilt en krijst. Zij moet in bad
Meneer Van Dalen vloekt op zusters die passeren
Maar mam zit stil van pijn, haar schouderblad
Brak door een duw van een der dames of meneren

Daar zit mijn moeder in het zonnetje te zweten
Ze krijgt haar rolstoel echt geen meter meer opzij
Mevrouw De Bruin zit naast haar tulpen op te eten
Meneer Van Dalen ontsteekt net in razernij
Hij gooit zijn schoenen naar haar hoofd. Mam kan niet bukken
De Bruin mept terug, die heeft gelukkig nog haar krukken
Mams hoofd doet zeer. Haar rechterwang wordt langzaam blauw
Ze streelt met lege ogen woordeloos mijn handen
Ik fluister in haar oor dag mam, ik hou van jou
En voel de tranen in mijn eigen ogen branden

Daar ligt mijn moeder in het zonnetje te wachten
Waarop precies dat is haar zelf niet goed bekend
Ze is verdwaald in haar gedachten
Mijn moeder is dement
Daar ligt mijn moeder in het zonnetje te wachten
Misschien wel op het toverwoord waarvan ik wou
Dat het verdwalen zou in haar gedachten:
Dag mam, ik hou van jou.

MARJAN VAN DEN BERG
Uit: ‘Ze is de vioolmuziek vergeten’, uitgegeven door Van Reemst uitgeverij


hij schreef een klein gedichtje
het had niet veel om handen
maar het had iets van een lichtje
dat in het donker brandde

GEDICHTJE

TOON HERMANS
1916-2000

Uit: ‘Fluiten naar de overkant’, uitgegeven door Elsevier te Amsterdam/Brussel.

H2 O JÉ

naar ’t Amerikaans

In Connecticut
in een waterput
verdronk m’n tante Eefje.

Nog jaren later
dronk oom ’t water
uitsluitend door ’n zeefje.

JOHN O’MILL

Uit: ‘Ik wou dat ik twee hondjes was’, Nederlandse nonsens- en plezierdichters van de 20ste eeuw. Bijeengebracht en ingeleid door Vic van de Reijt, uitgegeven door Bert Bakker te Amsterdam.

Hans Lodeizen

als ik nu ga zal het zachter
zijn, in de wind, in de huizen,
zal het hart zachter proeven aan
de zonnebloemen en aan de lange
stem die uit de kamer hangt
in de tuin vol nachtegaalgezang

als ik nu ga zal het minder
wreed in je schouder bijten en
ook plezier op je lichaam leggen
als veel fruit op een schaal als
ik nu ga zal het regenen de
wind zal sprookjes weven in
de avond als ik nu ga zal
het zomer zijn voor het garen

maar ik lig nog aan je armen
verankerd in de haven van de
stad maar ik ben nog bij je
maar mijn stem glijdt nog over
je als een strijkstok maar ik
houd toch van je dat weet je
maar ik slaap nog op je borst

ik ben nog niet heengegaan
de treinen zijn allemaal vertrokken
ik ben nog niet heengegaan
de kaartjes zijn verkocht
de koffers zijn ingestapt
ik ben gebleven

als ik nu ga zal het zachter
zijn, in de wind, in de huizen.
en toch, ofschoon
de wind nu is gaan
liggen, en het bos wuift
en knikkebolt,
nu dat de slaap als
een harp klinkt en
de kinderen zingen
leg ik mijn elleboog op de
donkere middag en huil

muziek vallend door het bos
als herfstbladeren een lied
gezongen door de sopraan der eiken
vang de lange buit

maar om weg te gaan
voordat het uur een vlinder is
die opvliegt en verdwijnt.
HANS LODEIZEN (1924-1950)
Uit: HET INNERLIJK BEHANG
Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam 1974.

HELDER EN PUUR

Elke dag reik ik naar je uit
Ik lijk je niet te vinden
Verstopt van binnen zo complex
Complex als een storm
De woeste wind neemt je mee

Storm ga toch liggen
Laat haar zijn
Als ik toch de wereld was
Ik zou je de lente geven
De zon op je laten schijnen
De stralen kruipen in je
Ze maken je helder en puur
Je hart vult zich met liefde
Je ziel leegt zich van pijn

Waar ben je?
Laat mij bij je zijn

LINDE DE MOS

Ook interessant