Voorpublicatie Obsessie Jet van Vuuren Beeld Ester Gebuis
Beeld Ester Gebuis

PREMIUM

Lees de eerste 11 hoofdstukken van ‘Obsessie’ van Jet van Vuuren

Al jaren is Jet van Vuuren een bekende naam in het land van Nederlandse schrijvers. Haar nieuwste thriller, Obsessie, ligt in de winkel. Na het verongelukken van haar man, een piloot, blijft Laura achter met een onverwacht grote schuldenlanst. Ze wordt gesteund door enkele huisgenoten uit haar studententijd. Maar hoe zuiver zijn hun motieven? Benieuwd naar het verhaal? Hieronder lees je alvast de eerste elf hoofdstukken.

Enkhuizen – vrijdag 4 februari. Bij een ongeval met een eenmotorig sportvliegtuigje is de enige inzittende om het leven gekomen. De identiteit van de man is nog niet vastgesteld. Omstreeks halfvijf in de middag kreeg de politie van Enkhuizen melding dat een vliegtuigje, dat was opgestegen vanaf vliegveld Teuge met bestemming Texel Airport, was neergestort in het IJsselmeer. Hulpdiensten waren snel ter plaatse, maar konden de piloot niet meer redden. Vermoed wordt dat hij een noodlanding heeft willen maken. Er is een politieonderzoek gestart naar de oorzaak van dit dodelijke ongeval.

Bijna drie maanden later

Hoofdstuk 1

De uitnodiging van Dirk lag gisteren op de deurmat. Het was zo typisch iets van Dirk om geen appje of mailtje te sturen maar een ouderwetse ansichtkaart. Alle huisgenoten noemden Dirk de romanticus. Dirk die gedichten schreef, Dirk die van vogels hield en tientallen boeken over dat onderwerp had, Dirk die schriftjes vol tekende met bijzondere snavels en veren en die later een blog bijhield met natuurfoto’s. Dirk, de jeugdvriend van haar broer Paul en de huisgenoot van vroeger met wie ze al dertig jaar bevriend was.

Laura glimlachte. Ze had in weken niet geglimlacht. Ze draaide de ansichtkaart om. Peinzend herlas ze de datum van het lustrumdinertje. Vandaag over twee weken. Misschien dat ze dan wat meer in de stemming was, nu stond haar hoofd beslist niet naar feestjes. Ze zette de uitnodiging terug op de schoorsteenmantel. Naast het lijstje met de foto van Kees en de andere kaarten, de vele condoleances die ze had gekregen na diens overlijden. Nu alweer bijna drie maanden geleden.

Ze voelde tranen prikken achter haar ogen. Kees was heel geliefd, hij had in tegenstelling tot haar altijd een massa vrienden om zich heen gehad. Het was niet eerlijk om iemand die zo in de kracht van zijn leven stond te moeten verliezen. Kees, die altijd boordevol plannen zat en dit jaar nog voor hen een huis in Frankrijk wilde bouwen. Kees, die haar vanaf de eerste dag dat ze elkaar de liefde verklaarden op handen droeg. Kees, die zelfs na tien jaar huwelijk nog iedere dag tegen haar zei dat hij van haar hield en dat ze de mooiste vrouw van de wereld was.

‘Niet gaan janken!’ Laura sprak zichzelf bestraffend toe en alsof ze het tegen een dreinend kind had vervolgde ze op strenge toon: ‘Klaar! Vandaag wordt er niet gejankt.’ Kees zou het niet gewild hebben dat ze er zo ellendig onder was. Kees was een man die het leven vierde. Telkens opnieuw verbaasde hij haar met zijn levenslust. Meer dan tien jaar waren ze samen, tot dat daar op die koude dag in februari abrupt een einde aan kwam. De eerste uren na het bericht van Kees zijn dood, was ze voornamelijk in shock geweest. De mensen van de recherche die langskwamen om het haar te vertellen, hadden haar zoveel persoonlijke vragen gesteld, dat het leek alsof zij schuldig was aan de dood van Kees.

Pas na vijf dagen, toen alles rondom de uitvaart was geregeld, kwamen de niet te stuiten tranen. Vanaf dat moment overviel haar op elk willekeurig uur van de dag die hevige pijn van verdriet en wilde ze het liefste de hele dag samen met een foto van Kees in bed kruipen. Ze leefde in een vacuüm waarin ze geen hap door haar keel kreeg. Ze vermagerde en haar kleren flodderden om haar lichaam. Toch dwong ze zichzelf na een tijdje om door te gaan en niet te blijven hangen in dat lamgeslagen gevoel. Dingen uit het verleden waar ze nooit meer aan gedacht had, waren tijdens de uitvaart van Kees naar boven gekomen. Herinneringen aan haar leven in het studentenhuis die ze had weggestopt.Alsof het nooit gebeurd was, die bijzondere periode in haar leven die achteraf zo verwoestend was geweest. Jarenlang had ze gedaan alsof het niet bestond, zodat ze er nooit meer aan hoefde te denken, aan die ene dag dat Cindy uit het leven stapte. Toen Kees verongelukte kwam alles weer naar boven. De beelden en de signalen die ze indertijd gemist had en niet te vergeten; dat vreselijke schuldgevoel.

En nu was er die kaart van Dirk, wanneer hadden zij elkaar voor het laatst gezien? Dat moest na de vorige reünie geweest zijn, toen ze gingen vogelspotten. En daarna nog een keer op het verjaardagsfeest dat Kees voor haar had georganiseerd. Zo lang geleden al? Een lichte huivering ging door haar heen. Alleen, ze was weer alleen. Hoe was dat ook alweer? Een leven zonder partner. Ze trok de mouwen van haar vest tot over de knokkels van haar handen en sloeg haar armen over elkaar. Ze keek om zich heen. De ruime woonkamer bepaalde voor het merendeel de smaak van Kees. Veel stalen en leren meubels, een piano, stereo-apparatuur, zijn platencollectie, een bonte verzameling abstracte schilderijen – waar zij ook niets mee had – alles baadde in het voorjaarslicht van de lentezon. Alles ademde nog steeds de aanwezigheid van Kees.

Kees was dood. Het licht in haar leven was voorgoed gedoofd. De maand april kon nog zo zonnig en stralend beginnen, voor Laura was alles inktzwart. Opnieuw drong zich een gedachte op, ze zag Cindy weer voor zich. Was het toen ook niet zo’n prachtige, zonnige dag? Geen dag om te sterven… Ze moest stoppen met denken aan vroeger, ze had genoeg aan het heden. Er moesten nog zoveel zaken worden geregeld. Kees had haar altijd buiten zijn werk en financiën gehouden. Daar zou zij zich de komende tijd op moeten storten. Met de nalatenschap van Kees en het herinrichten van het huis. Als ze zich daar nou maar op focuste, dan kwam ze vanzelf wel in de stemming voor een feestelijk etentje.

Hoofdstuk 2

Het weekend zat erop, een nieuwe week diende zich aan. Sinds ze geen vaste baan meer had regen de dagen zich als vanzelf aaneen en maakte het weinig verschil of het zaterdag, zondag of welke dag dan ook was. Laura wist nog precies wanneer en waar ze Kees ontmoette. Het was op een vrijdagavond, rond de klok van zes uur dat hij de studio binnenliep. Zij zat indertijd in de redactie van een talkshow waar die avond Kees te gast was. Het was een hectische baan. Live televisie maken, betekende voortdurende stress.

Daar was hij, een lange man met een brede, zelfverzekerde lach. Om zijn schouder hing een openstaande kalfsleren tas waaruit boeken staken. Hij was pezig, had een rossig stoppelbaardje, een potloodsnor en dik bruin borstelig haar. Hij droeg een vale okerkleurige sjaal om een zwarte coltrui en de grijze pantalon die losjes om zijn benen wapperde, mocht dan te groot lijken, de broek was duidelijk met zorg gekozen.

Toen deze man haar met zijn katachtige groene ogen aankeek, was het alsof Laura door de bliksem werd getroffen. Kees noemde zichzelf een avonturier en was net terug van een wereldreis die hij solo in een eenmotorig vliegtuigje had gemaakt. Hij had over die reis een boek geschreven. De vrijheid van vliegen, en toen hij een exemplaar uit zijn tas haalde en dat Laura aanreikte, was ze op slag verliefd.

Kees was vierendertig, zij vijf jaar ouder. Ze had een paar korte, moeizame relaties gehad. Kees had met gemak iedere andere, jongere vrouw kunnen krijgen. Een mooiere, intelligentere, in ieder geval vruchtbare vrouw die hem een gezin had kunnen schenken. Hij koos voor haar. Het werden de beste jaren van haar leven. Ze moest er zojuist weer aan denken toen ze de boekenkast van Kees leeghaalde. Om iets omhanden te hebben was ze begonnen zijn spullen uit te zoeken. Die kon ze dan later verkopen of naar de kringloop brengen.

De meeste van zijn boeken gingen over reizen en vliegtuigen. Kisten, zoals hij ze steevast noemde. ‘Kees, kerel, daar lig je dan, in je allerlaatste kist,’ had een van zijn vrienden op de uitvaart gezegd. De woorden waren goed bedoeld maar klonken Laura nogal wrang in de oren. Ze had het altijd vreselijk gevonden dat Kees vloog. Hoe vaak hij ook had beweerd dat vliegen minder gevaarlijk was dan autorijden, zij was altijd blij als zijn kist weer veilig op de grond stond.

Terwijl ze een stapeltje boeken in een verhuisdoos liet glijden, moest ze onwillekeurig denken aan hun begintijd. Ondanks verwoede pogingen van Kees om samen de lucht in te gaan, waren die keren op één hand te tellen. Ze wist nog hoe ze een keer de Waddenzee overstaken en Kees de ene na de andere vreugdekreet uitte. Zij had niets gezien. Doodsbang en verstijfd, had ze naast hem in zijn vliegtuigje gezeten. Een lichte schok ging door haar heen toen ze besefte dat als zij was meegegaan op die vlucht naar Texel, ze dit rouwproces nooit had hoeven doormaken. Dan waren ze samen verongelukt…

Ze stond op en keek op de klok. Tijd om te stoppen. Ze klopte haar handen af, schoof de boekendozen opzij en stapte eromheen. Iedere dag rond de klok van vijf mocht ze van zichzelf een glas witte wijn. Niet eerder. Ze had zichzelf weer tot een zekere regelmaat gedwongen. Niet op bed blijven liggen en niet zwelgen in dat grote verdriet. Kees zou het niet gewild hebben. Kees, Kees, steeds vaker was ze woest op hem. Waarom liet hij haar hier zo ellendig achter in dit grote huis? Het was niet eerlijk.

Ze sloot de deur van zijn kamer en liep de overloop op naar de trap. Halverwege haar gang naar beneden zoemde de telefoon in haar broekzak. Ze hield haar pas in en aarzelde. Vlak na Kees’ dood was de telefoon onafgebroken gegaan. Sommige mensen belden haar direct via de video. Ze was toen zo argeloos om meteen op te nemen en vervolgens in een mooi en uitgerust gezicht te kijken. Het contrast met haar eigen ingevallen wangen, wallen en bloeddoorlopen ogen kon niet groter zijn.

De afgelopen weken was het stil geworden. Ze tastte naar het toestel en toen ze hem tevoorschijn haalde zag ze dat het niet een van Kees zijn vrienden was die belde, maar haar vroegere huisgenoot. De man die jarenlang op haar liefde had gewacht, haar tot vervelens toe het hof had gemaakt en ten slotte genoegen had moeten nemen met louter vriendschap.

Dirk.

Hoofdstuk 3

‘Je klinkt niet goed,’ zei Dirk. Dirk had meteen alles door. Er was geen man op de wereld die een vrouw zo goed wist aan te voelen als Dirk. Softie, noemde Cindy hem. Loser, als hij er niet bij was. ‘Klopt, ik… eh, ik heb slecht geslapen,’ antwoordde Laura. Dat was niet gelogen. Woelend in het donker, tastend naar een lichaam dat daar nooit meer zou liggen, verruilde ze praktisch iedere nacht het koude bed voor de bank in de woonkamer. Dan rolde ze zichzelf in een deken en keek ze zonder dat er iets tot haar doordrong de ene na de andere serie op Netflix. Soms luisterde ze naar muziek. Er was keus genoeg.

Kees had niet alleen een passie voor vliegtuigen; zijn liefde voor muziek was minstens zo groot. Soul, pop, punk, rhythm-and-blues, hiphop, techno, chansons, schlagers of nederpop, je kon het zo gek niet bedenken of Kees had het in huis. Ze konden uren naar muziek luisteren of samen dansen.

‘Zo, hoe gaat het met je gevleugelde vriend? Verjaagt hij nog steeds met zijn motorgeronk de luchtschatten op Texel?’ Dirk had het niet op Kees. Eigenlijk keurde hij geen enkele man in Laura’s leven goed, maar iemand die het luchtruim durfde te verontreinigen met een vliegtuig, stond in Dirks ogen gelijk aan een misdadiger. Hoe had ze ooit zo stom kunnen zijn om voor deze man, juist déze man, een piloot te vallen? In de lucht hoorden vogels, geen stinkende motoren. Dat Kees in een zweefvliegtuigje geen enkele vogel kwaad deed, wuifde Dirk weg.

‘Ik… eh, ik ben wat grieperig. Bel je over ons lustrum?’ vroeg Laura. Ze besefte dat ze nog niet op de uitnodiging van Dirk had gereageerd. Het paste niet bij haar om geen teken van leven te geven als iemand contact met haar zocht. ‘Ook, maar voordat we elkaar daar tussen de anderen treffen, zou ik je weer eens voor mezelf willen hebben. Het is veel te lang geleden dat we samen op het wad zaten. Of krijg je dan problemen met die snorremans van je?’

Kees had al jaren geen snorretje meer. Maar dat wist Dirk niet. Hij had Kees hooguit driemaal ontmoet. Vlak voor haar huwelijk een paar keer en vier jaar geleden toen ze vijfenveertig werd en Kees een groot feest voor haar georganiseerd had. Ze had toen nog met Dirk gedanst… waarna hij ineens…

‘Laura? Ben je er nog?’ ‘Eh, ja. Ik ben wat druk geweest de laatste tijd… ik eh…’ Een leugen. Ze zat al een jaar zonder werk. Als je een journalistieke baan bij de tv had, moest je knokken om je plek te behouden. Het afgelopen jaar werd ze links en rechts ingehaald door jonge gastjes met veel bravoure. Wat had zij al die tijd gedaan? Druk zijn met niets. Kees had haar herhaalde malen gerustgesteld wanneer ze zich zorgen maakte over haar slinkende spaarrekening. Ook zonder haar inkomen zouden ze het prima redden, verzekerde hij haar. Als piloot verdiende hij ruim boven modaal. Zonder ooit naar Kees zijn financiën te vragen – er was altijd genoeg voor vakanties, hun mooie huis in het Gooi en nieuwe kleren voor Laura – voelde Laura zich toch te afhankelijk worden van Kees. Vlak voordat Kees crashte, was zij uitgenodigd voor een gesprek bij een uitgeverij. Degene met wie ze een afspraak had, had er alle begrip voor dat ze afbelde. Hij wenste haar sterkte, maar daar bleef het bij.

‘Dit weekend blijft het mooi weer, wat denk je ervan? Je kunt niet alleen maar werken, hè?.’ ‘Dit weekend? Het etentje met het huis, bedoel je?’ ‘Nee, dat is volgend weekend. Texel, bedoel ik. Jij en ik weer eens samen in mijn hut.’ Dirk lachte. ‘We slapen apart hoor, zeg dat maar tegen hem.’

Laura hapte naar adem. Haar longen leken te worden samengeperst, moest ze zeggen dat Kees dood was? Ze was inmiddels de hal overgestoken en opende de deur naar de woonkamer. ‘Dirk, ik moet je iets vertellen,’ begon ze. Ze schraapte haar keel en net toen ze dacht de juiste woorden te hebben gevonden zag ze vanuit het raam aan de straatkant iemand voor haar huis stilstaan. Het was een gezette man van middelbare leeftijd met zwart glimmend haar. Hij droeg een te krap, donker colbert op een spijkerbroek. Hij zag er nogal verhit uit, zijn haar plakte tegen zijn voorhoofd. Nadat hij de aktetas die hij in zijn hand hield onder zijn arm klemde, haalde hij een zakdoek uit zijn zak en depte daarmee zijn gezicht. Hij keek op zijn telefoon, wierp een blik op Laura’s huisnummer en stapte toen doelgericht op haar voordeur af.

Hoofdstuk 4

‘Sorry, Dirk, er staat iemand voor de deur, ik ga even opendoen. Ik spreek je later, oké?’ Laura verbrak de verbinding. De dingdong van de deurbel galmde door het huis. ‘Saved by the bell,’ mompelde Laura terwijl ze haar telefoon wegstopte. Ze liep de hal in naar de voordeur, maar voordat ze opendeed wachtte ze even. Wie was die man op haar stoep? Had ze zin in een Jehova’s getuige, een brenger van het goede nieuws? Hij zou zeggen dat ze troost kon vinden in het geloof. Juist nu, nu het noodlot haar zo vreselijk en ongenadig had getroffen.

Ze deed de voordeur op een kiertje open. ‘Ja?’ vroeg ze met ergernis in haar stem. ‘Dag mevrouw, Jacobs, neem ik aan?’ Laura knikte een beetje, ze wilde zeggen dat ze Van der Linden heette, maar ze trok alleen haar wenkbrauwen op. De naam van Kees stond op het naambordje naast de deur. Ze had in de tien jaar dat zij hier nu woonde nooit haar eigen naam eraan toegevoegd.

‘Ik ben Witteveen, gerechtsdeurwaarder.’ De man liet een legitimatiebewijs zien met een zwart-witfoto erop. Laura keek naar de pasfoto die zo onscherp was dat het net zo goed iemand anders kon zijn. ‘Ik heb een dagvaarding voor u,’ vervolgde de man, terwijl hij het plastic mapje in zijn binnenzak wegstopte en zijn aktetas opende om er een envelop uit te halen. ‘Voor mij? Een dagvaarding? Maar…’ ‘We hebben u hier een bericht over gestuurd.’

Laura keek de man onderzoekend aan. Ze had na de dood van Kees voornamelijk condoleancekaarten geopend, het bericht moest aan haar aandacht zijn ontsnapt. ‘Kan ik even binnenkomen?’ zei Witteveen. Op zijn voorhoofd parelden zweetdruppels. Ter hoogte van zijn buik ontbrak een knoop op het krappe colbert. Laura kneep haar ogen tot spleetjes, schudde haar hoofd en gaf een zetje tegen de deur. Iedereen kon wel zeggen dat hij een bericht had gestuurd. Ze zou wel gek zijn om deze vreemde kerel binnen te laten.

‘Het is belangrijk, mevrouw.’ De man drukte de envelop in Laura’s vrije hand. ‘Sorry, ik ben niet geïnteresseerd,’ zei Laura terwijl ze de envelop met tegenzin aanpakte. De deur ging verder dicht. De man zette zijn voet ertussen. Verdorie, zie je wel, dacht Laura, deden soort types dat niet…? ‘Ik denk dat u niet helemaal begrijpt waar ik voor kom,’ ging de man verder. Hij legde zijn hand om de klink. ‘Uw man heeft schulden, ik kom namens de schuldeisers beslag leggen op…’ De man keek met een kritische blik naar het huis. Laura liet de deur iets vieren. Schulden? Kees en schulden? Laura lachte. Kees die altijd aan het werk was, in de lucht zat en een lange wachtlijst had voor vlieglessen. Wanneer was hij eigenlijk thuis?

‘U moet zich vergissen, mijn man is…’ Niet thuis wilde ze zeggen. Van schrik liet ze de deurklink los. Er drukte opeens een zwaarte op haar die haar de adem benam. Ze voelde hoe het bloed wegtrok uit haar gezicht. Met open mond staarde ze naar het papier in haar hand. Ze las de naam van Kees en hun adres. Schulden? Beslaglegging? ‘Mag ik nog even uw legitimatie zien?’ vroeg ze. Haar stem beefde. Ze probeerde het gevoel dat er iets van waar was, van dit onaangekondigde bezoek, weg te drukken. Maar ze kon niet voorkomen dat de bourgondische levensstijl van Kees door haar hoofd flitste.

Ze zag de dozen met technologische snufjes in de hal staan. Iedere week kwam er wel weer wat nieuws binnen op audiogebied. Doorgaans vertederde haar dat. Haar man met zijn hobby. Nu overviel de twijfel haar. Stel, dit was waar… Ze keek niet naar de foto op het legitimatiebewijs toen Witteveen dat nogmaals omhooghield, maar staarde naar de uitdrukkingsloze blik in de man zijn ogen. Hij had fletse, diepliggende ogen. Zijn huid was grauw en dat vette plakhaar tegen zijn voorhoofd maakte hem er niet sympathieker op. Laura trok de deur wat verder open, haar hart bonsde in haar keel toen ze achteruit stapte.

‘Komt u binnen,’ zei ze.

Hoofdstuk 5

Laura zat tegenover Witteveen aan de eettafel. Ze had intussen de envelop opengemaakt en met ongeloof naar het bedrag gekeken dat moest worden opgehoest. Kees had meer dan drie ton aan schulden. Hoe moest ze ooit aan zoveel geld komen? Ze dacht aan het misgelopen sollicitatiegesprek. Ze was niet in loondienst, ze had geeneens een uitkering… Ze kon niet geloven dat het waar was. Kees had jarenlang op de pof geleefd. Hoe had hij kans gezien om dit zo te laten oplopen? Zonder dat zij daarvan wist? De laatste aanschaf, een Range Rover Velar Plug-in Hybrid, die hij kort voor zijn dood via een bevriende piloot had gekocht, hoorde bij de grootste uitgaven.

‘Mijn man is overleden,’ zei Laura schor. Witteveen trok even met zijn mond. Hij fronste, zocht iets op in zijn telefoon en pakte daarna zijn zakdoek om zijn voorhoofd te deppen. ‘Is er een levensverzekering?’ vroeg hij. De uitdrukking op zijn gezicht toonde geen enkele emotie, laat staan compassie. Laura haalde vertwijfeld haar schouders op. Ze was indertijd bij Kees ingetrokken. Zijn huis was daar geschikter voor, en toen ze na een tijdje besloten te trouwen, was dat uit liefde, zonder aan verzekeringen te denken.

Maar wat ging het deze kerel aan hoe haar privéleven in elkaar stak? ‘Ik zou dat moeten uitzoeken,’ zei ze. ‘Onze accountant kan me daar vast bij helpen.’ ‘Wie is uw werkgever?’ vroeg Witteveen. ‘Ik… eh… ik werk freelance. Ik schrijf voor bladen, werk bij de tv en…’ ‘Mooi, dan kunt u dus met gemak de schulden op u nemen. Bij de tv is het toch goed verdienen heb ik begrepen?’

Laura’s mond viel open. ‘Eh, ja… er is genoeg geld… ik… eh… nogmaals ik zal onze accountant…’ Laura’s stem brak. Ze wist hoeveel geld ze zelf bezat, niet meer dan een paar duizend euro. Zo nu en dan ving ze woorden op die Witteveen aan de hand van een papier dat hij voor zich op tafel had gelegd opsomde. Achterstallige aflossingen van de hypotheek, diverse aanmaningen van online aankopen, abonnementen, persoonlijke kredieten, verkeersboetes…

‘Ik neem aan dat u de erfenis zuiver heeft aanvaard?’ Laura knikte afwezig. ‘Dan bent u als directe erfgenaam verantwoordelijk voor de schulden,’ zei Witteveen. Hij wreef over zijn maagstreek en keek alsof hij pijn had. Peinzend zette hij met een rode pen een cirkel om een van de bedragen. ‘Het persoonlijke krediet kan misschien worden kwijtgescholden, maar verder, tja,’ Witteveen zuchtte. Hij noemde een termijn waarop hij een antwoord van haar accountant verwachtte en tikte met de rode pen op het papier. Door een waas van tranen staarde Laura naar de pen, haar enige gedachte was: waar moet ik heen als ik dit huis kwijtraak?

‘… daarna zal het huis worden geveild en op de bankrekeningen wordt beslag gelegd. Net als op die Range Rover en sommige spullen die hier staan.’ Witteveen wees op de tv en de audioapparatuur van Kees, hij maakte notities en nam met zijn mobiel een paar foto’s. Laura kon niet geloven dat dit echt gebeurde. Dit was nog steeds haar huis. Al was ze dan begonnen met het opruimen van Kees zijn spullen. Op de schoorsteenmantel stonden de condoleances die ze had ontvangen.

‘Ik wil dit niet,’ zei ze. Haar stem won aan kracht. Ze stond op. ‘U moet nu weggaan,’ zei ze. Witteveen stond op. Hij stopte zijn telefoon in zijn zak, pakte zijn rode pen en legde daarna zijn vlakke hand op het papier. ‘Hier staat alles in. Lees het goed door. Binnenkort gaat dit alles onder de hamer,’ zei hij streng. Laura keek hem ijzig aan, ze zei niets. Even stonden ze tegenover elkaar in een ongemakkelijke stilte. ‘Heeft u familie waar u naartoe kan?’ vroeg Witteveen. Hij draaide zich om en liep de hal in. Laura keek naar de gekromde rug in het smoezelige colbert. Maakte het deze man iets uit of zij ergens naartoe kon? Zou hij zelf ffamilie hebben, vroeg ze zich af. Een vrouw, kinderen, huisdieren? Witteveen opende de deur en stapte het tuinpad op. Laura bleef in de deuropening staan, de zon scheen fel naar binnen. Om haar heen floten vogels, de bloesem van de seringenboom wierp een zoete geur over de tuin. Een merel scheerde laag over het gazon.

Laura volgde de vogel met haar blik en moest aan Dirk denken. Hij was de laatste persoon die ze op dit moment op de hoogte wilde brengen, maar haar broer Paul deelgenoot maken van dit vreselijke nieuws, was een nog slechter idee. Ze sloot de deur, pakte haar telefoon en scrolde door het menu van recent gebelde nummers. Ze las de namen van een paar vriendinnen en van wat verre nichten en neven, ze zag meteen de thuissituatie met drukke gezinnen voor zich opdoemen. Ze wachtte even, ademde toen heel diep in en drukte op het nummer van Dirk.

Hoofdstuk 6

‘Als jij zegt met welke boot je aankomt, dan pik ik je op aan de kade,’ zei Dirk. Hij klonk heel opgewekt. Hij had het niet met zoveel woorden gezegd, maar Laura kon aan zijn stem horen dat hij blij was dat ze zijn uitnodiging aannam om het weekend bij hem op Texel door te brengen. Laura sloot de lamellen voor de ramen. Ze wilde niet nog eens overvallen worden door een wildvreemde kerel met slecht nieuws. Ze vroeg zich af hoe ze de spullen waar ze gehecht aan was kon redden van de veilinghamer.

De knoop in haar maag trok strakker, als ze dacht aan het weekend bij Dirk. Maar Dirk had haar ooit aan een kamer in Amsterdam geholpen waardoor haar leven een nieuwe wending had gekregen. Dirk zou haar opnieuw helpen, dat wist ze zeker. ‘Ik eh… kijk nog even naar de vertrektijden,’ zei ze. Ze had een escape nodig. Dirk was een goeierd, maar voordat ze het wist ging hij weer alles voor haar regelen. Ze was niet meer dat meisje en het zusje van zijn vriend van vroeger, ze was nu bijna vijftig, een vrouw van middelbare leeftijd die een heel leven verder was.

Dirk noemde de uren van de oversteek op. Hij wilde weten of ze ’s morgens nog steeds niets at en haar koffie zwart dronk. ‘Dan haal ik geen melk, maar ook geen verse bolletjes voor ons ontbijtje,’ zei hij met een overdreven spijtige toon in zijn stem. Laura lachte. Dirk was een schat, een kruising tussen een zorgzame broer die ze nooit had gekend en een geliefde die haar nooit zou loslaten ook al was ze nog zo bot tegen hem.

‘Haal je maar niks in je hoofd,’ zei ze. ‘Je weet wat ik voor je voel,hè?’ ‘O, gaan we weer op die toer? Nou, laat dan maar. We zijn inmiddels dertig jaar verder en mevrouw wil nog steeds niet accepteren dat er nou eenmaal mannen zijn die tot hun laatste snik van een vrouw blijven houden, ook al wijst het domme wicht hem keer op keer af. Zo’n sukkel ben ik. Maar alsjeblieft, laat me dat nou zijn, liefje. Ik weet dat je de voorkeur geeft aan die gladjakker van een piloot, maar heus, je was beter af geweest met mij, trouwe hond als ik ben.’

Laura kromp ineen. Ze zette de telefoon op de speaker en legde hem op de glazen salontafel. Ze greep naar haar borst waarin dat beklemmende gevoel weer de kop op stak en ze even geen lucht kreeg. In de stilte die viel hoorde ze Dirk zuchten. Na een paar seconden vroeg hij of ze er nog was. ‘Laura?’ ‘Ja, ja… ik eh…’ ‘Zeg, gaat het wel met je? Ik merk het meteen als er iets met je is, dat weet je. En ik voel dat het niet goed gaat. Wat is er? Is hij het? Komt het door hem?’

Laura dacht dat ze zou stikken. Ze keek naar de tafel waarop de telefoon lag. Een stapeltje post dat ze vanochtend uit de bus had gehaald lag ernaast. Boven op de enveloppen lag een tijdschrift over luchtvaart. Op de adreswikkel stond: Dhr. K. Jacobs. Ze moest het abonnement opzeggen. Net als al die andere dingen die ze nog moest regelen. Kees, hoe kon je?! Ze schraapte haar keel. ‘Je hebt gelijk, het gaat niet goed met me, en… eh… ja, het komt door hem… door Kees. Hij…’ ‘Fuck! Ik wist het, is hij slecht voor je? Is hij vreemdgegaan? Hij heeft je toch niet de bons gegeven, hè? Daar ben je veel te goed voor, verdomme, wat een klootzak. Ik had het kunnen weten. Sterker nog, ik wist het! Laura, ik heb je gewaarschuwd, zo’n vent is niet te vertrouwen. Waarom heb je niet naar me…’

‘Dirk, het is niet wat je denkt.’ Laura’s stem brak. ‘Haha, o nee? Laat me niet lachen, dat zeggen dit soort kerels…’ ‘Hou op!’ Laura had de telefoon weer opgepakt. Ze schreeuwde tegen het toestel. Alle frustraties van haar vorige gesprek met die Witteveen kwamen naar boven. Ze schopte tegen de tafel. Het glas van het blad trilde vervaarlijk, nog even en het brak doormidden. Ach, wat maakte het uit, alles ging toch naar de veiling en ze had deze designtafel nooit mooi gevonden. Kees had er veel voor betaald. Hij trok altijd heel gemakkelijk zijn creditcard… en zij maar denken dat hij genoeg geld had. Hoe stom. Kees liet haar met schulden achter.

Ze ademde heel diep in en opende haar mond. ‘Dirk,’ zei ze schor. Ze wachtte even en liet een stilte vallen. En toen ze er zeker van was dat Dirk echt naar haar luisterde, vervolgde ze op fluistertoon: ‘Kees is dood.’

Hoofdstuk 7

De dagen vlogen voorbij. Laura had de hele week niet stilgezeten. In dat opzicht had het bericht over de verborgen agenda van Kees haar in één keer wakker geschud; hoe lief hij ook was, haar man was niet heilig. Opgejaagd door gedachten aan schuldeisers had ze meteen hun accountant ingelicht en gevraagd of hij haar uit de brand kon helpen. De man zou haar zo snel mogelijk laten weten wat hij voor haar kon betekenen. Maar dan moest ze wel laten zien welke schulden en onbetaalde rekeningen er waren en wat de inkomsten van Kees waren geweest.

Die vraag zorgde voor nieuwe problemen, ze kon niet meteen bij Kees zijn bankrekeningen en na het bellen met verschillende instanties zou openheid hierover ook weer de nodige tijd kosten. Om niet passief af te wachten had ze alvast haar meest persoonlijke dingen in dozen gedaan. Voor de curator waardeloze spullen, voor Laura een belangrijk deel van haar leven. Foto’s en brieven uit haar studententijd, plakboeken vol krantenknipsels over de meest uiteenlopende onderwerpen, alles werd bewaard. In dat opzicht leek ze een beetje op Dirk en kon ze maar weinig weg doen.

Tijdens het inpakken van de plakboeken en het lezen van sommige brieven, vergleed de tijd. Laura kwam foto’s tegen van Cindy en haar als twee discomeisjes en feestnummers. Roken, drinken en daarna dronken en slingerend op de fiets door de stille stad naar huis. Het werd de rode draad in haar leven. Ze had zich in de stad eindelijk vrij gevoeld. Weg van dat benauwende, gereformeerde dorp waar ze vandaan kwam en waaraan ze als de jongste en het enige meisje in een gezin met zes jongens, geen fijne herinneringen had. Haar broers waren een stel pestkoppen die haar het leven zuur maakten. Toen ze ging studeren woonden er nog twee van hen thuis. Frank die niet helemaal spoorde en bijna tot zijn veertigste bij hun moeder bleef, en Paul de techneut die vier jaar ouder was dan Laura en in een garage werkte.

Inmiddels waren er nog drie over. Met geen van hen had Laura contact. Voor zover ze wist, was Paul gescheiden. De laatste keer dat ze hem zag was twee jaar geleden op haar verjaardagsfeest. Hij was toen met Dirk meegekomen. Dirk en Paul, dikke vrienden. Onwillekeurig bleven Laura’s gedachten steken bij Dirk en de liefde. De liefde die kwam en ging en maar zelden serieus werd voor Laura. Aantrekken en afstoten en niet altijd zonder liefdesverdriet, zoals bij Cindy.

Laura schoof de laatste doos in haar oude Renault en keek op de klok. Ze had met Dirk afgesproken dat hij niet aan de kade op haar hoefde te wachten. Ze zou hem bellen als ze op de pont zat. Dirk kreeg gelijk, het werd opnieuw een mooie dag. Texel zou haar goeddoen. Ze had gezegd dat ze wat langer bleef, ze had hem wijsgemaakt dat ze behoefte had aan vakantie en dat ze na dit weekend op zoek zou gaan naar een vakantiehuisje. Dat ze daar voorlopig wilde gaan wonen had ze er niet bij gezegd. Het leek haar onder deze omstandigheden het beste om vandaaruit op freelance basis haar journalistieke werk weer op te pakken. Gelukkig had ze genoeg contacten. Ze zou de uitgeverij waar ze haar afspraak had afgezegd, opnieuw benaderen en ze had er alle vertrouwen in om snel weer aan het werk te kunnen.

Ze had het warm gekregen. Ze trok haar vest uit, knoopte de blouse die ze op haar spijkerbroek droeg wat verder open en sloot daarna de voordeur af. Eenmaal in haar auto, reed ze zonder om te kijken de oprit af naar de straatweg. Haar gedachten gleden naar Dirk, en hoe ze zich tegenover hem ging opstellen. Ze nam zich voor niets te zeggen over de situatie waarin ze was beland. Ook wilde ze niet te veel over Kees praten. Ze moest proberen er een ontspannen weekend van te maken. Dirk was altijd goed voor haar geweest, opdringerig en klef, dat dan weer wel, maar dat moest ze nu maar even dulden. Als ze het een beetje slim aanpakte, kon ze daar gebruik van maken.

Een paar uur later stond ze op de pont. Ze keek om zich heen naar de andere auto’s. Eigenlijk wilde ze naar boven om een broodje te halen. Ze moest naar de wc en met dit mooie weer was het op het buitendek heel aangenaam. Maar de laatste spullen die ze op de achterbank had gelegd – een beeldscherm en een printer – zagen er veel te uitnodigend uit voor dieven. Hoewel Dirk altijd zei dat mensen die naar het eiland kwamen te vertrouwen waren, besloot Laura daar maar niet van uit te gaan. Ze hield die plas wel op, en dat broodje, ach, haar maag was toch al gekrompen na al het verdriet, die hield het ook nog wel even vol.

Ze legde haar hoofd tegen de hoofdsteun en sloot haar ogen. Doemgedachten over Kees bestookten haar hoofd. De toekomst zonder hem met al die schulden, ze had er de afgelopen week menig keer bij stilgestaan, bij zijn ongeluk. Ze vond het maar moeilijk te geloven dat iemand als Kees kon verongelukken. Hoe goed ken je de mensen met wie je samenleeft, dacht ze, en daarbij moest ze weer aan de zelfmoord van Cindy denken.

Niet lang werden haar gedachten daardoor in beslag genomen. Bij het monotone geluid van de scheepsmotoren sukkelde ze al snel in slaap. Pas op het moment dat over de intercom de reizigers in het Duits welkom werden geheten op het eiland, schrok Laura wakker. De rij auto’s naast haar kwam langzaam in beweging. Eenmaal van de boot voegden zij zich samen tot een lange, blikken rups die zich stapvoets over het eiland verplaatste. Laura kneep haar ogen samen tegen de felle zon. Ze keek naar de lucht waaraan geen wolkje te zien was en slaakte een verlichte zucht. Dat zo typische eilandgevoel dat ze altijd ervoer zodra ze hier aan wal kwam, herinnerde haar aan de eerste keer dat ze hier samen met Kees was. De verliefde roes waarin ze toen verkeerde, gold niet alleen voor Kees maar ook voor het eiland. Hier voelde ze zich meteen thuis.

Nadat ze aan de telefoon tegen Dirk had gezegd een tijdje op Texel te willen blijven, een vakantie aan zee zou haar goeddoen na de dood van haar geliefde, stelde hij gelijk voor dat ze gebruik kon maken van zijn huisje. Hij was er toch maar af en toe. De meeste tijd woonde hij op de Veluwe waar hij voor Natuurmonumenten werkte.Ze had niet meteen ja gezegd, eerst maar eens kijken hoe dat huisje van Dirk eruitzag. Wat ze zich nog wist te herinneren, was het klein maar knus. Ze glimlachte bij die herinnering. Ze zakte wat verder weg in haar stoel. Ontspannen leunde ze achterover en liet het zijraampje zakken. Een zwoel briesje woei door haar haren naar binnen. Ze keek naar de schapen in de wei. Ze passeerde de dorpen Den Burg en De Koog, en naarmate ze verder doorreed naar het noorden werd het stiller om haar heen en was er nog nauwelijks verkeer op de weg.

De Lepelaarshut – zoals Dirk zijn dijkhuisje noemde – lag achter de dijk van de Waddenzee. Ze was er meerdere keren geweest. Het was een prachtige plek midden in de natuur. Een ideale roestplaats voor vogels. Dirks hut… ze keek op haar horloge en schrok. Ze had er niet meer aan gedacht om hem te bellen en te zeggen dat ze eraan kwam. Ze draaide haar auto de dijk op en haar lippen prevelden de naam van Kees. Dat deed ze vaker, dan brabbelde ze bezwerend zijn naam.

Dan vroeg ze hem om raad of schreeuwde en jankte ze, en gooide ze alles eruit wat haar dwarszat aan zijn dood. ‘Zie je waar ik nu ben?’ zei ze. ‘Op jouw geliefde eiland. Ik ben opweg naar hem, naar de man die jou menig keer dood wenste… heeft hij toch nog gewonnen. Verdikkeme, Kees, waarom laat je me zo achter? Met al die schulden en ik vraag het opnieuw: waarom weet ik niet wat er vlak voor je dood is gebeurd?’

Hoofdstuk 8

De voordeur stond een stukje open. Uit het slot stak een sleutel. Buiten op de vensterbank zat een grijze kat te spinnen in de zon. Zijn groene ogen waren op Laura gericht. Ze had zojuist haar auto ophet stukje verharde weg naast het dijkhuisje gezet. Over een uitgesleten graspad liep ze verder door de verwilderde tuin met voornamelijk helmgras en ezelsoor. Ze klopte op de deur, gaf er een zetje tegen en keek naar binnen. ‘Dirk? Hallo, ben je daar?’ Stilte.

Laura stapte over de drempel en stond meteen in een klein halletje dat naar de woonkamer leidde. Aan de wand naast de voordeur was een kapstok die vol hing met parka’s, sjaals, mutsen en fleece-truien. De deur naar de woonkamer stond op een kier. Laura liep naar binnen. Het rook muf en het was donker in huis. De gordijnen voor de schuifpui zaten dicht en op de eettafel stond nog een bord met etensresten. Een koffiebeker en een halfvolle fles wijn stonden ernaast. Op een lage, bruinhouten kast lagen tientallen vogelboeken, diverse camera’s en een telelens. Er stond een versleten, ribfluwelen bank bij het raam waarover een camouflagebroek met natte pijpen te drogen hing. Op een krant voor de bank stonden vuile kaplaarzen. Tegenover de open trap die naar een vide met een slaapkamer leidde, was een kachel. Eromheen lag wat hout en as in een dikke laag stof.

Laura was vergeten hoe slordig Dirk was. Het tegenovergestelde van de punctuele Kees. Ze liep nog iets verder door en keek naar opzij waar de keuken was, de deur zat dicht. Ze ging nog verder het huis in en toen ze een blik omhoog wierp op de vide, stapte ze meteen op de trap af. ‘Dirk? Ben je boven? Hallo, ik ben er…’ Stilte. Laura draaide zich om en terwijl ze terugliep naar het halletje, hoorde ze het motorgeronk van een jeep. Ze trok de voordeur open en op de drempel zag ze hoe Dirk zijn auto naast de hare parkeerde.

‘Je bent er!’ riep hij uit het zijraampje toen hij haar in de deuropening zag staan. Een grote glimlach verscheen op zijn gezicht. Hij stapte uit en met gespreide armen kwam hij op haar af. Voordat Laura kon reageren lag haar hoofd al tegen Dirks brede borst en drukte er een verrekijker pijnlijk tegen haar wang. Ze rook dezelfde muffe geur die in het huis hing en automatisch vergeleek ze Dirk alweer met Kees die wel tweemaal per dag onder de douche ging en zich daarna besprenkelde met een peperdure aftershave of eau de toilette die hij altijd in zijn tas bij zich had. Nadat ze zich met moeite had losgewurmd uit Dirks omhelzing, verontschuldigde hij zich. Niet voor de lompe manier waarop hij haar in zijn armen had genomen, maar dat hij de tijd was vergeten.

‘Ik wist dat je vandaag kwam, maar door die groenpootruiter vergat ik alles om me heen, sorry… Toen ik hem hoorde, dat geluidje, zo mooi hoog. Ik moest hem schieten… haha, en zoals je weet kun je nou eenmaal niet om zijn zanggeluid heen. Luister…’ Dirk bukte zich naar zijn rugzak die hij op de grond had gezet en haalde er een camera uit. Haastig zocht hij naar de juiste opname van een grijswitte vogel met een lange snavel op hoge poten. Enthousiast liet hij een video-opname zien.

Toen pas leek hij zich écht bewust van Laura’s aanwezigheid. ‘Je bent dun geworden,’ zei hij terwijl hij haar nauwkeurig in zich opnam. ‘Het misstaat je niet.’ Laura glimlachte, verlegen keek ze naar de camera in Dirks hand om aan zijn goedkeurende blik te ontsnappen.‘Mooie opname,’ zei ze. Ze had iets willen zeggen over haar rouwproces en dat ze daarom zo afgevallen was. Dat ze van verdriet amper kon eten, maar ze vond niet de juiste woorden. Bovendien hoefde ze niet te verwachten dat hij nu ineens medelijden met haar zou krijgen omdat haar man was verongelukt.

‘Ik heb wat dozen met spullen bij me,’ zei ze. Ze wees op haar auto. ‘Maar ik was net binnen en… ja, sorry, de deur stond open…’ ‘Altijd,’ zei Dirk. Een grote grijns verscheen op zijn gezicht. Pretogen die haar aankeken. ‘Poes moet naar binnen kunnen en hier op eiland is er niemand die bij je inbreekt.’ ‘Ik… eh, zag dat… je huis is al vol genoeg, dus… misschien moetik maar niet…’ ‘Onzin, ik heb hierachter nog een schuur en het is een mooie aanleiding om eens te gaan opruimen…’ Dirk veegde door zijn driedagenbaard. De pretogen werden ernstig. ‘Ik vind het fijn dat je er bent. Het is veel te lang geleden.’ Laura knikte. In de stilte die volgde stonden ze even afwachtend tegenover elkaar. Toen werd het ongemakkelijke moment verstoord door het luide gegak van een groep ganzen die boven hun hoofd voorbijtrok.

‘Lastpakken, zijn het,’ zei Dirk streng. Hij greep naar zijn verrekijker alsof hij de vogels daarmee uit de lucht ging verjagen. Laura voelde hoe zijn aandacht voor haar verslapte. Kees had zijn vliegtuigen, Dirk zijn vogels, mannen en hun stokpaardjes. Ze zuchtte. Intussen nam ze haar oude huisgenoot en vriend wat beter in zich op. In de paar jaar dat ze elkaar niet hadden gezien was zijn jongensachtige verschijning verdwenen. Hij had een flinke buikgekregen en de huid van zijn gezicht was gelooid door de zon en vele buitenlucht. Diepe rimpels rondom zijn ogen maakten hem een stuk ouder dan hij was. Hij mocht dan nog over borstelhaar beschikken, dat was inmiddels grijs gemêleerd. Net als zijn baard.

‘Ben je nog steeds alleen?’ Laura flapte het eruit. Ze had meteen spijt. Wat wilde ze zeggen met die vraag? Dat ze beschikbaar was? Dirk liet de verrelijker terugvallen op zijn borst. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes, en keek haar niet-begrijpend aan. ‘Kom, ik help je met uitladen,’ zei hij de vraag ontwijkend. Laura draaide zich om en liep voor Dirk uit naar haar auto. ‘Rij je nog steeds in die oude barrel?’ riep Dirk. ‘Gottegod, heeft die Gooise bal met al zijn poen nooit een betere auto voor zijn vrouwtje kunnen kopen?’ Laura lachte een beetje, hij moest eens weten… ze opende het portier en terwijl Dirk haar weekendtas eruit haalde, pakte Laura haar laptop van de achterbank.

Toen ze daarna achter Dirk aan liep bekroop haar een gevoel van onrust. Wat deed ze hier in godsnaam met al die spullen? Zo ver van haar huis… Háár huis? Nee, het huis van Kees. Daar waar ze over een halfjaar vermoedelijk niet meer woonde. Toen dat besef goed en wel tot haar doordrong voelde ze een beklemmende angst. Kees was dood, en tegelijkertijd leefde hij ongenadig voort in haar leven dat nog nooit zo ongewis was geweest als nu.

Hoofdstuk 9

Dirk zette de weekendtas op de ribfluwelen bank, hij pakte de laarzen op die daarvoor stonden en zette ze onder de eettafel. Hij veegde zijn handen af en stak ze daarna in de zakken van zijn afritsbroek. Een telefoon, een adapter en een groot zakmes kwamen tevoorschijn. Met enige precisie, als om zichzelf ervan te verzekeren niets te zijn vergeten, legde hij de spullen op de eettafel. Toen wendde hij zich tot Laura. Hij nam haar opnieuw in zich op. Vol medeleven keek hij haar aan. Zijn blik was zacht en betrokken. Haar oude, trouwe vriendmet wie ze zo vaak op pad was geweest en die ze langer kende dan Kees. Ze zag hoe hij zijn best deed om haar niet tegen zich aan te trekken en te troosten.

Er viel een lange stilte. Laura keek de kamer rond, nergens was een plekje onbenut gebleven. Wat moest Dirk wel niet denken van die spullen in haarauto, dat ze bij hem introk? Ze schraapte haar keel en wilde zeggen dat ze op doorreis was. ‘Je kunt gerust alles hier laten,’ zei Dirk, alsof hij haar paniekgedachten van zojuist had opgevangen. ‘Je kunt zelf ook blijven, voorlopig dan, totdat je iets anders vindt,’ voegde hij er snel en met een lach in zijn stem aan toe. ‘Hoelang heb je vakantie?’ Hij wachtte even op haar reactie.

Maar die bleef uit. Laura beet op haar lip, ze voelde tranen opwellen maar dwong zichzelf die in te houden. Ze wilde niet in het bijzijn van Dirk gaan janken. ‘Laura, je weet dat je voor mij nog steeds de ware bent. Ik maak me geen illusies, maar toch, je kunt me niet verbieden te blijven hopen dat jij en ik… wij…’ Weer wachtte Dirk even. Zijn ogen begonnen te glanzen. Laura voelde zich nog ongemakkelijker. Ging hij iets opbiechten? ‘Laat me gewoon lief voor je zijn. Ik zie hoe je lijdt, wil je niet vertellen wat er met hem is gebeurd? Was hij ziek? Kanker?’ Laura haalde haar schouders op. Ze schudde haar hoofd. De warmte in zijn stem deed haar smelten.

Herinneringen aan de tijd in Amsterdam en hun studentenhuis kwamen naar boven.Ze dacht aan hoe Dirk haar altijd had bijgestaan. Ze was zo verloren geweest na de dood van Cindy. En dan dat schuldgevoel dat de moeder van Cindy haar had aangepraat, ze was nog nooit zo onzeker geweest. Dirk was de enige die toen niet aan haar getwijfeld had. Hij had haar gestimuleerd om door te gaan met haar studie en met haar leven. Hij had haar meegenomen naar zijn ouders, naar zijn vrienden, naar het wad om vogels te spotten en telkens als zij weer eens een vriendje had, had hij haar met rust gelaten, geduld gehad en op haar gewacht.

‘Och, als je eens wist,’ zei ze. Haar stem brak. ‘Kom hier, meidje.’ Dirk pakte haar beet. Stevige handen die lomp en onhandig over haar rug wreven.Laura legde haar hoofd tegen de warme, brede borst. En hoewel de lichaamsgeur van Dirk haar niet kon opwinden, voelde zijn nabijheid vertrouwd. ‘Ik kan het nog steeds niet geloven,’ zei ze gesmoord. ‘Kees was een goede piloot, hij vloog in zijn eentje de hele wereld over, en nu is hij dood.’ Ze begon zacht te huilen.

Laura voelde de borstkas van Dirk onder haar hoofd op en neer gaan. Op het ritme van zijn ademhaling wreef hij nog sneller over haar rug. Laura maakte zich los uit de omhelzing. Ze droogde haar tranen en toen ze hem aankeek zag ze niet alleen medeleven in zijn blik maar ook woede. Die kwaadheid verwarde haar. Dirk moest dat aanvoelen, hij voelde alles aan, geen man die haar zo goed kende als Dirk. ‘Kees is neergestort in het IJsselmeer. Terwijl… het was prachtig weer, hij vertrok zoals altijd vanaf Teuge… hij zou hiernaartoe gaan. Maar de verkeerstoren ving halverwege de vlucht een signaal op dat hij problemen had. Daarna verdween hij van de radar. Er loopt nu een onderzoek naar de crash… en ik… ik ben bang dat hij…’

‘Wat?!’ schreeuwde Dirk. ‘Is die gek met zijn achterlijke capriolen uit de lucht gevallen? O, Laura, hoe kon hij je dit aandoen? Dat soort vliegtuigjes… verschrikkelijk…’ Laura slikte de brok in haar keel weg. Ze liet haar hoofd hangen, ze zuchtte. Dirk had gelijk. Hoe vaak had ze Kees niet gesmeekt om te stoppen met vliegen omdat ze bang was dat hij zou neerstorten, ettelijke malen. Telkens wuifde hij haar angst weg. Ze hief haar hoofd. En hoe zou Dirk reageren als hij wist dat Kees haar met schulden achterliet? Een warme gloed trok naar haar wangen. Ze had hier amper voet aan wal gezet of Dirk wist nu al dat Kees was verongelukt. Al die voornemens van haar om hem niet meteen alles te vertellen… waarom eigenlijk niet? Dirk was er tenminste nog, van hem kon ze op aan. ‘Kom, je hebt gelijk, laten we mijn auto maar uitladen. Ik denkdat ik wat langer blijf,’ zei ze.

Hoofdstuk 10

Dirk kon zijn vreugde niet op. Hij schoof wat boeken opzij, wierp de camouflagebroek op een van de stoelen bij de eettafel en deed dat ook met de weekendtas van Laura. Hij klopte de sierkussens op. Een stofwolk verspreidde zich door de ruimte. ‘Het spijt me dat ik zo uitviel over Kees,’ zei hij. ‘Hier, ga zitten.’ Hij sloeg met zijn vlakke hand op de zitting van de bank. Nog meer stof woei op. ‘Zal ik theezetten?’ ‘Nee, nee, eerst maar die dozen uit mijn auto, zeg maar waar ik ze kan laten,’ zei Laura.

Ze wilde niet langer over Kees praten. Het werd tijd om aan te pakken. Ze schoof een lok haar achter haar oor en stroopte de mouwen van haar blouse op. ‘Geen sprake van, als jij nou vast een drankje inschenkt, dan laad ik je auto uit. In de keuken vind je alles. Berenburger, jenever, bier, maar ook thee, zie maar. Gaan we daarna vis eten in Oudeschild. Ik denk dat je wel een maaltijd kan gebruiken. Ik ben zo klaar.’ ‘Oké, mij best.’ Dirk maakte zich uit de voeten.

Laura keek hem na en pakte toen haar telefoon. Er was nog geen bericht van haar accountant. Wel had ze een reactie gekregen op een sollicitatie bij een ouderenomroep. Ook was de uitgever nog geïnteresseerd in een gesprek. Dat gaf haar weer zelfvertrouwen. Ze stopte de telefoon weg en keek naar de keukendeur, dan nu eerst maar een drankje. Ze opende de deur… ‘Shit!’ Laura deinsde achteruit toen ze oog in oog stond met een grote geprepareerde reiger die haar vanaf het aanrecht glazig aanstaarde. Om de vogel heen stonden vuile koffiebekers en borden met aangekoekte etensresten. Het tweepits gasfornuis was zwartgeblakerd en glom van het vet.

Eenmaal van de eerste schrik bekomen, stapte Laura de keuken binnen. Op het volle aanrecht vond ze een waterkoker. Nadat ze die gevuld had en het water langzaam opwarmde, opende ze een vooreen de keukenkastjes op zoek naar thee en theeglazen. Alweer stuitte ze op dingen die je niet in een keuken verwachtte. Divers gereedschap waaronder een boormachine, nijptangen en vogelboeken vulden de planken. Nergens zag ze servies of glazen.

Ze schoof wat spullen aan de kant en achter een aangebroken blik kattenvoer, dat niet bepaald fris rook, stond een doosje met theezakjes. Ze reikte er voorzichtig naar maar desondanks viel er iets om. Het was een notitieboek met een harde kaft. Voordat ze het kon tegenhouden rolde het uit de kast, stuiterde op het aanrecht en belandde op de grond. Terwijl ze zich bukte om het op te rapen, hoorde ze Dirk binnenkomen. Hij zuchtte en steunde. Een zachte plof van dozen volgde.

‘Ik zet je spullen achter de bank, oké?’ Dirk klonk buiten adem. ‘Wat ben je allemaal van plan op Texel? Heb je je hele boekenkast leeggehaald?’ riep hij. De bank werd verschoven, dozen werden onder veel kabaal opgestapeld. Laura fronste, intussen had ze het notitieboek opgeraapt. Er waren wat kassabonnen en geeltjes uit gewaaid. Zonder daarop te kijken veegde ze alles snel weer bij elkaar. ‘Nog één keer lopen, en dan ben ik klaar,’ riep Dirk achter de keukendeur. ‘Is goed, ik ga theezetten…’

De telefoon van Dirk rinkelde. En terwijl hij opnam en weer naar buiten liep hoorde Laura hem op gedempte toon praten. Ze had nu alle bonnen en geeltjes weer in het notitieboek teruggelegd. En juist toen ze het wilde dichtslaan viel haar blik op een van de bonnen. Ze herkende het logo van het airportrestaurant. Het hield haar aandacht vast. Kees bewaarde ook altijd dit soort bonnen voor zijn administratie. Haar gezicht betrok bij die herinnering. Had de accountant van Kees hem niet kunnen waarschuwen voor het gat in zijn hand?

Ze staarde naar de bon waar alles in tweevoud opstond. Aan het bedrag te zien was er in het restaurant flink gegeten en gedronken. Die Dirk, zou hij dan eindelijk een liefje hebben? Laura gunde het hem zo. Ze draaide de bon om, achterop stond een telefoonnummer gekrabbeld zonder naam erbij. Laura gniffelde, het nummer van dat liefje? Tegelijk trok ze haar wenkbrauwen op, blijkbaar stond dat nummer niet in Dirk zijn telefoon. Nog een nieuwsgierige gedachte bekroop haar; Dirk ging met een liefje uit eten in het airportrestaurant? Dat leek haar de laatste plek op Texel waar hij zou afspreken. Zonder dat ze precies wist waarom, pakte ze haar telefoon en maakte een foto van het nummer.

‘Nee, ik zeg toch dat het nu niet uitkomt, ze is hier, ja… bij mij…’ Laura keek verschrikt om. Snel stopte ze de telefoon en de bon in haar zak en zette het notitieboek terug op de plank. Dirk verhief zijn stem tegen degene die hij aan de telefoon had. Hij klonk zwaar geïrriteerd. Ging het over haar? Vast en zeker. Zou dit zijn scharrel zijn? Wie anders? Zij wilde natuurlijk met Dirk afspreken. En terwijl hij hier met zijn oude huisgenote zat opgescheept mocht zij niet langskomen, arm mens.

Ondertussen borrelde het water in de waterkoker. ‘Verdomme, nee… jij luistert nu naar mij… ik wil het niet, hijis dood, is dat niet genoeg?’ Dirks stem schetterde vanuit de tuinnaar binnen.Laura’s hart leek even stil te staan. Dood? Wie is dood? De enige die zij kende en niet meer leefde was Kees. Maar… Ze greep zich vast aan het aanrecht, ze moest stoppen met zichzelf gek te maken. Niet alles hoefde meteen om Kees te gaan. Ze associeerde te veel, verbeeldde zich dingen. Dit gesprek ging niet over haar overleden echtgenoot. Er waren tientallen mensen die doodgingen, klaar; stoppen nu!

Ze pakte de theepot, vulde die met kokend water en liep de woonkamer in. Dirk kwam het halletje binnen. Hij droeg Laura’s beeldscherm onder zijn arm en zag er verhit uit. Zweetdruppeltjes parelden op zijn voorhoofd, hij leek mijlenver met zijn gedachten. Toen hij Laura zag staan stootte hij een verschrikte kreet uit. Zijn blik verstarde, zijn mond viel open en alsof er iets pijnlijks tot hem doordrong begonnen zijn ogen te glanzen. Meewarig staarde hij haar aan. ‘Gaat het, Dirk?’ vroeg Laura. ‘Ik hoorde je aan de telefoon… is er iets gebeurd… toch niets ernstigs…?’ ‘Nee… ja… nee, eh…’ Dirk zette het beeldscherm op tafel. ‘Ik eh… nee, het is niets. Niets wat met jou te maken heeft,’ zei hij zonder haar aan te kijken.

In de stilte die volgde klopte hij zijn handen af aan zijn broek. ‘Zo, mooi, dat is gebeurd. Jij kunt boven slapen, ik neem de slaapbank. Wil je dat ik alvast iets boven neerzet? Die zware weekendtas bijvoorbeeld?’ Met een zwaai zwierde hij de tas van de stoel en keerde zich om naar de trap. ‘Dan ga ik me even douchen,’ zei hij, waarna hij een spurt nam naar boven. Laura keek hem peinzend na. Er klopte iets niet. Hij mocht dan zeggen dat het telefoontje niets met haar te maken had, zij kende Dirk. Hoewel ze elkaar in geen jaren gezien hadden was één ding hetzelfde gebleven: Dirk kon absoluut niet liegen.

1991

De straatstenen van het stationsplein glanzen in de stromende regen. Verscholen onder hun paraplu’s haasten reizigers zich de grote hal van het Centraal Station binnen. De schemer heeft ingezet en langs de loodgrijze lucht jagen donkere onweerswolken voorbij. Laura zet haar capuchon op. Ze doet een stap opzij zodat ze niet tussen de stroom forensen belandt en haalt het briefje van Cindy uit haar zak. Ze leest het adres waar ze moet zijn en de tram die ze daarnaartoe kan nemen. Je kunt ook lopen, schrijft Cindy in haar briefje, dat is getypt.

Laura kent Cindy niet. Dirk daarentegen kent ze wel. Hij is een vriend van Paul en komt al jaren bij haar thuis over de vloer. Zijn ouders wonen in een fraai huis in Ermelo. Zijn vader is huisarts en zijn moeder werkt met bejaarden. Hij heeft ook nog een zusje die in het onderwijs zit en zelf studeert hij biologie. Dirk wil haar voorstellen als de nieuwe huisgenote in het studentenhuis waar Cindy de leiding heeft. Dirk vertelde dat er in het huis nog twee andere huisgenoten wonen. Job en Fransje. Job is kortgeleden uit de kast gekomen, hij is gestopt met zijn studie en werkt als etaleur bij de Bijenkorf. Fransje is volgens Dirk een stil meisje dat psychologie studeert. Cindy doet iets met kunst en is degene die er het langste woont.

Laura is blij dat Dirk een goed woordje voor haar heeft gedaan. Ze wil zo snel mogelijk het huis uit en het is niet makkelijk om een geschikte en betaalbare kamer in de grote stad te vinden. De regen slaat in haar gezicht als ze het plein op loopt in de richting van de tram. Nog verder duikt ze weg in haar regenjack. Lijn 4 rijdt net weg en de volgende tram die eraan komt, gaat niet de kant op waar zij naartoe moet. Dan maar lopen. Met dit stormachtige weer is het minder druk op straat dan normaal. De straten zijn verlaten en zelfs de zwervers die doorgaans rondom het stationsplein hangen hebben hun heil elders gezocht. Laura’s aandacht wordt door een groepje junkies getrokken dat bij de brugreling staat. ‘Je verdrinkt daar in die stad,’ had haar moeder onheilspellend gezegd toen ze vertrok. ‘Voor je het weet ben je weer thuis,’ had ze eraan toegevoegd.

Het arme mens wil Laura niet loslaten. Maar Laura is vastbesloten om hier te blijven. Haar ouderlijk huis met die rotbroers is minder veilig dan Amsterdam. Ze steekt de drukke straatweg over en volgt het voetpad langs de Beurs van Berlage. Bij een donkere, smalle steeg slaat ze rechtsaf de steeg in. Diepe plassen dwingen haar om langs de hoge muren van de huizen te lopen. Aan het einde van de steeg, en in het licht van een knipperende straatlantaarn, ziet ze een hek en een huisnummer oplichten. Ze houdt haar pas in en kijkt geschrokken omhoog langs de gevel van het verzakte huis dat aan alle kanten wordt gestut met houten palen. De regen is gestopt, maar uit de lekke dakgoot stroomt het water langs de muren. Moet ze hier gaan wonen, in deze bouwval?

Ze checkt nogmaals het briefje van Cindy waarop staat: einde van de steeg bij een hek. om zes uur gaat het hek op slot. de intercom zit rechts. Laura ziet achter het hek een gammel kastje met losse bedrading hangen. Een donkere gang leidt naar een deur. Weer schiet er twijfel door haarheen, opnieuwhoort ze de stem van haar moeder. Ze hoort nu ookvoetstappen de steeg in komen. Achter haar doemt een schim op, het is een lange gestalte wiens hoofd, net als het hare, verscholen gaat onder een capuchon.

De lange benen komen dichterbij. Het is een man. Laurahoort hem hoesten. Vlug steekt ze haar hand door de tralies van het hek. Meteen nadat ze opde bel gedrukt heeft schalt de bekende stem van Dirk door de steeg. ‘Wie is daar?’‘Hoi, ik ben het, Laura.’ Haar stem trilt. De intercom kraakt en Dirk is weg.Laura kijkt angstig naar de lange figuur die nu bijna bij haar is. Ze kan doorlopen en straks terugkomen… Nogmaals legt ze haar hand op de intercom en drukt op de bel.De man komt nu recht op haar af. Hij draagt een lichte regenjas die helemaal doorweekt is. Laura kan zijn gezicht niet zien.

Ze ademt snel en zet zich schrap. Terwijl ze haar rugzak strak tegen zichaan gedrukt houdt en op het punt staat om te gaan gillen, gaat er achter het hek aan het einde van de gang een deur open en roept Dirk haar naam. ‘Hé Laura, je kunt gewoon naar binnen. Het hek ziet niet op slot,’ roept hij. Laura duwt tegen de zware gietijzeren constructie. Zodra die in beweging komt, voelt ze nog net hoe de rijzige voetganger achter haar langsloopt.

Ze loopt de gang in, sluit het hek en kijkt achterom naar de man. Met grote stappen zigzagt hij om de plassen. Als hij de steeg uit is en zijn capuchon afzet, lijkt hij te voelen dat ze naar hem kijkt. Hij werpt een blik over zijn schouder. Laura kijkt hem verbaasd aan. In tegenstelling tot wat ze had verwacht, is het geen junkie of een onguur sujet dat haar wil beroven, maar een jongen van haar eigen leeftijd met lichte krullen en een vriendelijk gezicht. Opgelucht ademt ze uit. Zie je wel, ze hoeft niet bang te zijn. Het is goed dat ze thuis weg is. Dít wordt haar nieuwe thuis.

Hoofdstuk 11

Ze waren dronken. Stomdronken. Laura had in jaren niet zoveel alcohol verstouwd als vanavond, bier, wijn, limoncello, wodka… veel te veel wodka. Ze greep zich vast aan de reling van de steile trap die vanaf de bovengelegen kade naar de straatweg liep. De traptreden kantelden voor haar ogen, het leek alsof ze op een roltrap stapte. Met Kees werd ze nooit dronken. Kees was altijd matig geweest met alcohol. In tegenstelling tot veel andere piloten nam hij zijn job serieus. Nooit onder invloed in je kist stappen, was zijn motto. Toch was hij neergestort met zijn Cessna.

Laura keek omlaag, het voelde alsof ze nu zelf in een vliegtuigje zat dat elk moment kon crashen. ‘Weet je nog, wij samen naar Keerels?’ Dirk sprak met een dubbele tong. Slingerend kwam hij op haar af en sloeg zijn arm om haar middel. Laura begon te giechelen, ze stak haar hand uit en probeerde haar evenwicht te bewaren door steun te zoeken bij haar oude vriend.

‘Kerels? Wel… ke… ke… kerels?’ Ze hikte en haar stem sloeg over. Weer moest ze lachen. ‘Haha, nee, zei ik kérels?’ riep Dirk. Dirk kneep lachend in haar middel. Laura bood verzet en probeerde zijn hand weg te duwen om los te komen uit de greep. Maar verder dan wat slap aaien kwam ze niet. Ze moest nog meer grinniken. ‘Hou op! Ik kan niet tegen kietelen.’ Kronkelend en kirrend alseen schoolmeisje vlijde ze zich tegen Dirk aan.‘Ik bedoel… eh…’ Dirk verstevigde zijn greep, hij trok haar nog dichter naar zich toe. Zijn stem bulderde in haar oor en sneed door de stille nacht waarin alleen de klepperende touwen tegen de masten en de klotsende golven tegen de kade te horen waren.

‘Carels, ja, zo heette die kroeg. Carels. Je had er drie, weet je nog?’ Dirk fluisterde nu, teder en zacht klonk zijn stem. Laura voelde zijn adem langs haar wang glijden. Herinneringen aan haar nachtelijke tochten door Amsterdam doemden op voor haar ogen. Ze zag Cindy voor zich met wie ze naar de kroeg ging. Mooie Cindy, met het zwarte piekhaar en die donkerbruine ogen die je zo ondeugend konden aankijken. Cindy die veel te mager werd omdat ze zichzelf uithongerde nadat haar vriendje het had uitgemaakt… Cindy die alsmaar bleef ontkennen toen Laura ernaar vroeg, naar het ongeluk. Cindy daar, aan die haak van het plafond. Blauw, bungelend aan een touw…

‘Nee!’ Laura greep naar haar draaiende hoofd. ‘Carels… het nachtcafé…’ mompelde ze. Ze wachtte even en knipperde met haar ogen in een poging het beeld van Cindy te verdrijven. Ze keek weer naar Dirk. Heel ernstig nu, de lach op haar gezicht was weg. Haar mond viel open. Ontzet staarde ze hem aan. ‘Maar… was jij daar dan bij? Het was een ongeluk, hè? Geen opzet… Heb jij Cindy nog gesproken voordat ze het deed… Het wasniet mijn schuld, hè? Dat beweerde Cindy’s moeder. Maar ik hebhet niet gedaan, dat weet je toch?’

‘Huh? Ik begrijp je niet. Waar heb je het in godsnaam over? Waar was ik bij? Je bazelt dronkenmanspraat, kom, we gaan. Voorzichtig, we gaan de trap af naar mijn jeep. En dan leg ik je in mijn bedje. Je bent heel lief als je zo dronken bent, weet je dat?’ Dirk ademde snel. ‘Carels…’ herhaalde Laura. Ze sloot haar ogen, haar stem klonk rasperig en zwak. ‘Nee, we gaan niet naar Carels, we gaan naar mijn hut,’ zei Dirk. ‘Kom.’ Dirk gaf haar een kus op haar wang, dicht bij haar mond. Hij wachtte even op haar reactie. Ze opende haar ogen en keek hem aan. Hoewel hij net als zij ook niet meer vast op zijn benen stond, had de drank duidelijk minder invloed op hem. Ze aarzelde, gingen ze nu kussen? O, nee, dat niet! Ze stapte achteruit en verloor haar evenwicht.

‘Pas op!’ Dirk pakte haar pols. ‘Kom, leun op mij, anders val je van de trap,’ zei hij en trok haar voorzichtig verder mee naar beneden. ‘Kun je nog wel rijden?’ vroeg ze, nadat ze naast hem plaatsnam in de jeep. Dirk keek strak voor zich uit. Hij opende zijn mond en kuchte. Laura verwachtte dat hij weer iets zou ophalen over vroeger, over haar rit met Cindy na het feest in de Achterhoek. Maar Dirk startte gelukkig meteen de jeep en het oorverdovende motorgeronk dat daarop volgde, ontnam iedere mogelijkheid tot een vervolggesprek.

Laura zag op de klok dat het al ver na middernacht was toen ze Oudeschild uit reden. Alweer deed haar dat aan de nachtelijke tocht met Cindy denken. Op de Pontweg die het eiland doorkruiste was geen verkeer, net als toen… totdat… Laura drukte die gedachten weg. Dronkenmanspraat, zei Dirk net. Ze was dronken en daarom gooide ze dingen door elkaar. Ze tuurde over de donkere weilanden naar de horizon. Het licht van de vuurtoren walste over het eiland. Dirk slingerde over de weg, langs de vele rotondes en bochten die ze namen naar De Cocksdorp. Laura sloot haar ogen, van al dat draaien werd ze duizelig.

Draaien en dansen, Cindy danste door haar hoofd, helder en scherp. Ze had haar vast, ze droeg haar in haar armen. Cindy voelde koud, terwijl haar ogen wagenwijd openstonden. Ze kreeg haarniet los, ze hing daar maar aan die haak… rondjes walsend om haar as terwijl de muziek van Billie Holiday… Daar was weer dat moment op die mooie zonnige dag. Vlijmscherp trok het door Laura’s brein. De ramen van haar kamer stonden open en buiten koerden duiven. Cindy was de dag ervoor in een melancholische bui en ze luisterden naar oude jazz. Ze had die avond haar favoriete plaat opgezet. Ze hadden stickies gerookt en tegen elkaar aan gelegen op bed. Cindy mijmerde over de zin van het leven, wat bij Laura al snel diep filosofisch klonk. Dat gebeurde vaker, dan liet zij zich onder invloed van stuff en drank meeslepen in Cindy’s stemming.

Ze had toen beter op haar vriendin moeten letten en de signalen moeten herkennen. Want wat ze niet doorhad was dat Cindy depressief was. Zo erg, dat ze zelfmoord pleegde. En dat was háár schuld, beweerde Cindy’s moeder nadat ze een afscheidsbrief van haar dochter had gevonden. Laura had graag geweten wat er in die afscheidsbrief stond. Ze had die moeder ernaar moeten vragen, en anders had ze beter naar Cindy moeten luisteren. Misschien dat ze dan nog had geleefd? Zachtjes neuriede Laura het nummer van die plaat van Billy Holiday. ‘Strange fruit hanging…’ en een traan biggelde over haar wang.

Over Obsessie

De hoofdstukken hierboven zijn afkomstig uit het nieuwste boek van Jet van Vuuren: Obsessie. Na het verongelukken van haar man, een piloot, blijft Laura achter met een onverwacht grote schuldenlanst. Ze wordt gesteund door enkele huisgenoten uit haar studententijd. Maar hoe zuiver zijn hun motieven? Obsessie is een uitgave van Ambo|Anthos en kost 16,99 euro.

Winnen

Benieuwd hoe het verhaal verder gaat? Wij geven 15 exemplaren van Obsessie weg. Meedoen aan deze winactie kan hier. Benieuwd naar schrijfster Jet van Vuuren? Margriet interviewde haar. Dit lees je hier.

Nynke KooyEster Gebuis

Op alle verhalen van Margriet rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@margriet.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden