null Beeld Getty Images
Beeld Getty Images

PREMIUM

Kort verhaal: de hond die naar het asiel moest

Een kort verhaal van Corine Hartman.

Het wil nog niet tot Eva doordringen. Ongelooflijk dat zoiets in hun dorp is gebeurd, werkelijk niet voor te stellen. Het is iets voor een grote stad als Amsterdam of Den Haag, waar buren elkaar vaak niet eens kennen, maar in de Achterhoek? Vorden? Hier letten de mensen op elkaar. Goed, sommigen willen weleens overdrijven, zodat het bijna het predicaat nieuwsgierig mag krijgen, of bemoeizuchtig. Maar liever dat, dan wat haar vriendin nu vertelde.

Zoals vaker na de lunch was Eva Romeijn met haar hond gaan wandelen. De oude schapendoes had als vanzelfsprekend de route door het centrum genomen, over het plein en langs de kerk, om uit te komen bij Rina’s huis. Daar bleef Bo op de oprit zitten, als om te zeggen dat hun bestemming was bereikt. Eva’s beste vriendin had altijd iets lekkers in huis, dat kon ook meespelen. En dus was ze achterom gelopen en had ze op de keukenruit getikt, waarop Rina wenkte: kom erin.

“Ik moet zo even naar de boerderij van Beenman,” kondigde Rina aan, nadat ze Bo een kauwstaafje had gegeven en even snel een paar stukken speelgoed van haar kleinkinderen van de grond had geraapt. “Wil je mee?”

“Beenman?”
“Heb je het nog niet gehoord?” vroeg Rina verbaasd.
“Wat dan?” zei Eva, die de afgelopen dagen geen mens had ­gesproken.
“Ik heb in het atelier zitten werken aan mijn winterlandschappen.”
“Voor je volgende expositie?”
Eva knikte.“Maar wat is er nou dat ik nog niet weet?”
“Gerardus Beenman. Je weet wel, Ger van de Wiersserbroek­weg met z’n jack russell. Hij is dood. Ger bedoel ik, niet de hond.”“Je bedoelt ’t Wiersserhof, toch? Die vervallen boerderij? Ze hadden vroeger kippen, ik haalde er weleens eieren.”
“Precies.”

Rina struikelde bijna over een loopfietsje, vloekte even en trok de oven open. “Kijk, een quiche voor Gers zoon Bram, die is daar nu, in het huis. Hij raakte lichtelijk in paniek over wat er allemaal voor een uitvaart geregeld moest worden, dus we willen hem helpen.”

Eva begreep niet goed waarom Rina een traan wegpinkte. ­Gerardus Beenman was de zeventig toch zeker al ruim gepasseerd; of ze hem goed kende, vroeg Eva, waarop Rina bijna fluisterend antwoordde, alsof het niet verder verteld mocht worden: “Hij heeft twee weken dood in de woonkamer gelegen, Eva, voor ze hem vonden.” Met een diepe frons tussen haar wenkbrauwen begon Rina alsnog grimmig te grijnzen. “Maar er wordt natuurlijk ook wel geroddeld,” zei ze, aluminiumfolie om de quiche vouwend.

Eva was onthutst. Zevenenvijftig jaar, bedacht ze, geboren en getogen in dit dorp, en er zijn heus wel memorabele voorvallen geweest. Ze denkt onmiddellijk aan de blikseminslag op het kerkhof met dramatische gevolgen. Maar dit?
“Nou, wil je er een horen?” vervolgde Rina, popelend van ­ongeduld.
“Wat horen?”
“Een roddel.” Rina’s ogen begonnen te glinsteren.
“Ja? Wordt er gezegd dat hij is vermoord?”
“Vermoord? Hoe kom je daar nou bij?”
“Weet ik veel, zijn grond grenst aan die van Landgoed Het Wiersse, waar dat golfresort moet komen? Hebben ze een ­hectare te weinig voor hole 18?”
Rina verzuchtte quasi-dramatisch dat Eva’s fantasie weer eens overuren draaide.
“Er worden mensen voor minder vermoord,” zei Eva.
“Misschien niet zozeer in ons dorp, maar toch.”
“Nee, dat is het niet.” Rina wapperde met haar handen, om Eva daarmee het zwijgen op te leggen. “Wil je het nog weten?”
“Ja, natuurlijk!”Rina laste een stilte in, ongetwijfeld om de spanning op te ­voeren, en dat lukte, want Eva drong aan. “Nou?”
“Het gaat om Beenmans hond,” zei Rina fluisterend, met naast Eva alleen een paar gespitste hondenoren. “De jack russell zou zijn baas zo ongeveer hebben opgegeten.” Ze knikte nadrukkelijk, als om haar woorden kracht bij te zetten.
“Getverderrie, zeg,” reageerde Eva weinig subtiel en met een vies gezicht.
“Ik zal een deken op de achterbank leggen voor Bo,” zei Rina, ineens gehaast. “Dan kan hij mee.”

null Beeld

En nu parkeert Rina haar Mini op de oprit van ’t Wiersserhof, Eva draait de raampjes open en geeft Bo nog even een aai voor ze uitstapt. Dat hij rustig aan moet doen is overbodig advies, hij ligt al te snurken, zich niet bewust van de jack russell die Eva denkt te horen, ergens achter de boerderij, opgesloten waarschijnlijk, anders was hij vast al komen aanstuiven.

Wat een vergane glorie, denkt Eva, de boerderij in zich opnemend, al die scheuren in de muren, verrotte kozijnen en een met klimop overwoekerde schuur die elk moment in elkaar dreigt te zakken. De schuurdeur staat open en Eva ziet een Porsche 911 staan. Uit de toon, lijkt het, maar een iets zorgvuldiger blik leert haar dat de oldtimer er niet uitziet alsof-ie nog de weg op kan.

“Kom je?” Rina belt vast aan.

Eva laat de schuur voor wat die is. Vroeger moet dit toch een prachtige en voorname boerderij zijn geweest, want het metselwerk is in ouderwets kruisverband gemaakt, en met knipvoegen. Haar vaders besluit zou vast luiden: platgooien. Eva’s vader had een bouwbedrijf, hij hoopte dat zijn enige dochter ooit de zaak zou overnemen. Als kind tekende Eva wel huizen, maar nog liever liep ze het bos in, of langs de Berkel, en tekende tot in het kleinste detail de kleurrijke struiken, planten en bomen.

Ze hoort in de gang voetstappen naderen. Dus daarbinnen heeft iemand twee weken dood gelegen. Het lijkt onwerkelijk, en met de vraag op haar lippen of niemand hem heeft gemist, beseft ze hoe overbodig die vraag is. Natuurlijk niet, ­anders had iemand wel aan de bel getrokken. Op hetzelfde moment wordt de deur geopend. Ze stellen zich voor, condoleren de zoon en Rina biedt aan een bakje troost te zetten. Bram glimlacht, en lijkt dat bakje helemaal niet nodig te hebben.

null Beeld

Rina snijdt een stuk quiche voor Bram af en die valt er gretig op aan, zijn vader had niks eetbaars in huis, zegt hij, en hij was vergeten wat mee te nemen. Hij eet met smaak en Eva herinnert zich hoe verdrietig ze was nadat haar vader was overleden, en dat ze jaren later evenveel tranen droogde toen haar moeder stierf. Haar vriendin legt uit dat ze namens de kerk komt, al wilde zijn vader daar niks meer van weten.

“We laten nooit iemand in de steek,” verzekert Rina hem, ­terwijl Bram nog een hap neemt. “En ik zal mijn best doen,” zegt ze, “een passend verhaal te maken voor de rouwdienst. Kun je me iets over hem vertellen?”

Eva laat haar blik rondgaan in de woonkamer, van de versleten vloerbedekking en een volle asbak die ooit zilverkleurig moet zijn geweest, naar de fauteuil met scheuren in de bekleding en ingedeukt zitvlak. Het interieur laat zich, net als de buitenkant, het best omschrijven als vergane glorie, en met lichte verbazing constateert ze dat een vlag met daarop een race­wagen dienstdoet als gordijn. Alles is smoezelig en het ruikt naar oud vuil en sigarettenrook.

Bram vertelt dat zijn vader alleen maar warmliep voor zijn Porsche en voor Rus, zijn jack russell. “Is dat de hond die we daarnet hoorden blaffen?” vraagt Rina, en Bram knikt. “Hij zit in de kippenren. Ik weet het, heel zielig, maar ik kan hem niet meer in mijn buurt verdragen, eh...” Hij slikt iets weg. “Ik trof hem in de keuken, peuzelend aan een van mijn vaders ogen.”

Eva negeert de veelzeggende blik van Rina.

“De kist moet dicht,” zegt Bram een beetje abrupt.

Rina legt een hand op zijn arm. “Het moet vreselijk zijn ­geweest, om je vader hier aan te treffen en dan nog wel op die manier.” Bram lijkt zich geen raad te weten met zo veel empathie en trekt zijn arm terug. “Je had het net over zijn liefde voor de Porsche?” gaat Rina verder. “Vertel gerust wat je kwijt wilt, Bram.”

Hij haalt zijn schouders op en fronst zijn wenkbrauwen. “Wat zal ik zeggen? Die oldtimer was zijn manier om contact te leggen met mensen, dat was wel typerend voor pa. Hij wilde meedoen aan rally’s, maar zat er vooral in z’n eentje aan te sleutelen.” Op Brams gezicht verschijnt ineens een glimlach. “O ja, en hij was natuurlijk wel gek op zijn kleindochter; als ik met Kim hier kwam, vergat hij zelfs z’n Porsche.”

“Ach, je hebt een meisje? Mijn dochter heeft een tweeling van diezelfde leeftijd, o, zo gezellig, dat kleine grut over de vloer!” Rina is al verliefd, begrijpt Eva, nog voor ze de foto ziet die Bram op Rina’s aandringen op zijn telefoon tevoorschijn ­tovert. “Wat een scheetje,” zegt Rina. “En je woont in… ­Zutphen, als ik me niet vergis?”

null Beeld

“Appartement zevenhoog, veel te klein voor drie, vind maar eens iets groters dat nog betaalbaar is,” zegt Bram, terwijl hij nog wat afbeeldingen laat zien van het meisje. Eva heeft meer oog voor de schamele inrichting van de kamer op de achtergrond en er bekruipt haar een ongemakkelijk gevoel. Ze verontschuldigt zich en staat op. “Even kijken of mijn hond in orde is,” mompelt ze. “Zo terug.”

Als ze via de achterdeur naar buiten wil gaan, ziet ze in de bijkeuken een verzameling gloednieuw speelgoed liggen met de prijskaartjes er nog aan, zoals een houten loopkar, een miniatuurbakfietsje en kleurrijke, pluchen knuffels.

Bo ligt nog relaxed op de achterbank, Eva geeft hem een kleine snack, belooft hem dat het niet lang meer duurt en gaat terug, de boerderij in, met tegenzin, al kan ze niet precies duiden waarom.

Als ze weer in de woonkamer komt, is Bram aan het vertellen dat zijn vader al langere tijd last had van zijn heup na een val in de badkamer.

“Kwam je vader nog weleens in het dorp?” informeert Rina.
“Het laatste jaar helemaal niet meer. Zijn boodschappen liet hij bezorgen. Dan werden ze bij de achterdeur gezet, pa wilde niemand binnen.”
“Wat zei de huisarts van die heup?” vraagt Eva.
“Niks. Pa wilde geen dokter. Hij viel van het ene mankement in het andere, en het hoefde voor hem allemaal niet meer.” Bram kijkt met vermoeide blik om zich heen. “Sorry, ik moet nog veel regelen, als u het niet erg vindt?” Hij staat op.
“Natuurlijk,” zegt Rina, zijn voorbeeld volgend. “De tijd vliegt.”
“Ik ben u heel dankbaar voor uw hulp.”
“Geen dank, hoor, daar zijn we nou juist voor.”
“En de hond?” vraagt Eva voordat Bram de deur dicht kan doen.
“O, ja, die wordt opgehaald, hij moet naar het asiel, ik wil hem niet, het kan ook niet, zevenhoog.”
“Ach,” zegt Rina.
Eva begrijpt het wel. Maar toch.

“Even kijken?’ oppert Rina als ze naar de auto lopen. Eva schudt haar hoofd. “Dan kan ik het niet over mijn hart verkrijgen hem opgesloten te laten en ik houd gewoon niet van jack russells. Sorry.”“Fair enough”’ zegt Rina. “Ik moet er ook niet aan denken. Die keffertjes.”

Eva kroelt een gapende Bo door zijn vacht en prijst hem voor zijn geduld. Wat was het eigenlijk dat ze voelde, toen Bram vertelde dat hij in een veel te klein appartement woont? Wantrouwen, ja, dat was het, en ze weet ook waarom: ze zag hem met een begerige blik naar buiten kijken. Dacht hij aan alle vierkante meters, en hoeveel die zouden opbrengen bij de ­verkoop?

null Beeld

Op de terugweg naar Rina’s huis zegt Eva een beetje plompverloren dat de vraag door haar hoofd spookt of zoonlief pa een handje geholpen zou kunnen hebben op weg naar het hiernamaals.

“Wat!?” reageert Rina, spontaan op de rem trappend.

“Leve de rustige Achterhoek,” zegt Eva, opgelucht dat er geen auto achter de Mini zat. “Je hoeft ons niet meteen de dood in te jagen, het was maar een gedachte.”

Rina kijkt alsnog in de spiegel. “Sorry,” zegt ze, “ik schrok me het apelazarus. Eva, je bent veel te veel alleen in dat atelier van je, ik geloof dat je daar vreemde fantasieën krijgt. Komt Jonah niet weer eens een tijdje hier?”

“Jonah zit al een paar weken voor National Geographic in Congo, hij is op zoek naar de uitstervende bosolifant. Blijkbaar laat die zich niet heel graag op de foto zetten.”

Rina heeft de motor afgezet op de stille, verlaten weg. “En waarom precies denkt mevrouw de eenzame kunstenaar dat Bram moordneigingen heeft ontwikkeld?”

“Wat ik al zei voor we ernaartoe gingen, dat golfresort, ­natuurlijk. Brams nood is hoog, zijn vader in de zeventig, die kon met wat pech nog wel tien jaar mee, maar nu kan zoonlief flink gaan cashen.”

Rina lijkt te aarzelen, maar haalt dan haar neus op. “Eva ­Romeijn, toen jij even naar buiten was, heb ik Bram gevraagd of hij plannen heeft de boerderij op te knappen om er te gaan wonen, en Bram antwoordde dat hij daar het geld niet voor heeft, dat er al langer sprake was van een mogelijke verkoop, en dat zijn vader dan wel oren had naar zo’n appartement op het golfresort.”

Eva schudt haar hoofd. “Een boer in een appartement? Van z’n lang-zal-ze-leven niet. Maak dat de kat wijs. Of de jack russell. En als ik me niet vergis neemt zoonlief alvast een voorschot op de erfenis door speelgoed te kopen voor de kleine Kim, en wat ik zag, leek me geen goedkoop spul.”

Als Eva bij de groenteman een salade heeft gekocht en met Bo terug naar haar cottage aan de rand van het dorp wandelt, ­besluit ze bij het kantoor van Asselman langs te gaan. Bo heeft hernieuwde energie na zijn middagslaapje en kuiert gemoedelijk met haar mee, terug het plein over, waar ze de gevel van Asselman & Partners in het zicht krijgt.

Marnix Asselman heeft tijd, zijn volgende afspraak is pas over een klein halfuur. “Heb je plannen die prachtige cottage van je te verkopen?” Eva schudt haar hoofd, en Marnix pleit voor zijn kantoor, mocht ze ooit van gedachten veranderen. “Niet dat ik hoop dat je vertrekt, natuurlijk,” verontschuldigt hij zich. “Wil je koffie? Thee?”

Even later zitten ze in zijn kantoor, praten een poosje over Eva’s schilderijen en de expositie in juni, de menukaart bij Bakker en over Marnix’ drukke werkzaamheden. Daar haakt Eva op in en ze informeert naar project Het Wiersse.

“We hebben een paar informatieavonden gehad,” vertelt ­Marnix, “en men is overwegend positief. Je was erbij, meen ik, begin december?”

“Dat wel, maar zijn er nog recente ontwikkelingen? Iets met de aankoop van grond?”

Bij Marnix valt het kwartje. “De boerderij van Beenman?” Eva knikt. “Dat is wel een bijzonder nare geschiedenis,” zegt hij peinzend.

“Vanmiddag was ik bij Beenmans zoon Bram op bezoek, samen met mijn vriendin die helpt bij de uitvaartdienst.”“Ik ben er ook even geweest,” zegt hij. “De zoon had me ­gebeld voor de verkoop van de boerderij.”“Had hij het daar al eerder met je over gehad? Samen met zijn vader?”Daar lijkt Marnix een moment over na te moeten denken, en zegt dan: “Nee, hoezo?”

Eva haalt haar schouders op. “Dat heb ik gehoord, maar het kan een roddel zijn, of hij is bij een andere makelaar geweest.” Ze lacht eventjes als Marnix daar wijselijk niet op ingaat. “Was zijn vriendin er trouwens bij,” vist Eva, “met het dochtertje, toen je daar was?”

“Nee, die twee heb ik niet gezien, het lijkt me eerlijk gezegd geen prettig huis om een kind in te laten rondkruipen.”

“Helemaal mee eens,” zegt ze, en rilt even bij de gedachte aan de bedompte geur en de sigarettenpeuken. “Kende je Ger Beenman?”

Marnix is even stil. “Nee, eigenlijk niet,” zegt hij dan. “Ik heb hem een enkele keer gezien, maar hij bemoeide zich niet erg met het sociale leven in het dorp.”
Eva knikt. “Volgens mij ook niet. Maar wat zei je, Bram wil dus verkopen?”
“Liefst zo snel mogelijk,” zegt Marnix.

Eva aarzelt nog even, maar besluit haar wantrouwen met hem te delen. “Zou iemand in staat zijn geweest,” zegt ze bedachtzaam, “de oude man zó te isoleren van alles en iedereen, dat hij wegkwijnt en sterft?”

Marnix kijkt haar verbaasd aan. “Wat zeg je nou? Suggereer je kwade opzet?” Eva knikt en bespeurt niet zozeer ongeloof bij de makelaar annex projectontwikkelaar, misschien eerder nieuwsgierigheid. “Waarom denk je dat?” vraagt hij.
“Waarom zeg je niet dat het een absurd idee is, zoals mijn vriendin?”

“Er gaan nogal wat roddels rond in het dorp,” antwoordt ­Marnix. “Beenmans kippen zouden een kopje kleiner zijn gemaakt, de oude man zou na een val last hebben gehad van zijn heup, waardoor hij niks meer kon en daarom niet meer verder wilde. Volgens Bram zelf, die ik ernaar vroeg, had zijn vader de laatste maanden zelfs geen interesse meer in zijn Porsche.”

Ze kijken elkaar aan, en Eva meent aan hem te zien dat hij ook zijn verdenkingen heeft. Dan kijkt hij op zijn horloge en Eva staat op. “Sorry, ik houd je van je werk,” zegt ze. “Bedankt voor je tijd.”
“Je koffie…” zegt hij, maar ze wuift zijn opmerking weg, pakt Bo’s riem en spoort de hond aan mee te gaan.
Op weg naar huis moet Eva vaststellen dat het bezoek aan Marnix haar niet heeft gerustgesteld, integendeel zelfs, en dat zit haar behoorlijk dwars.

null Beeld

De volgende dag neemt Eva zich voor hard aan het werk te gaan. De herfstlandschappen vragen ook nog aandacht, twee lagen op z’n minst voor meer dieptewerking, maar ze weet al wel dat deze serie, waarin uiteindelijk elk seizoen vertegenwoordigd zal zijn, tot haar beste werk gaat behoren. De fase van zoeken en twijfel is voorbij en ze houdt van wat er nu nog te doen is, de nuancering, het fijnere werk, tot elk schilderij over een tijdje ineens zó realistisch is, dat het lijkt alsof ze zo het doek in kan lopen.

Zo realistisch en concreet zijn haar onophoudelijke gedachten helaas niet, verre van zelfs. De dood van Ger Beenman houdt haar bezig, of vooral de manier waarop hij is gestorven. Ergens vermoedt ze dat Marnix Asselman meer weet dan hij vertelde, al kent ze hem niet zo goed; die aarzeling in zijn stem, af en toe, het zit Eva niet helemaal lekker. Heeft hij er financieel baat bij te zwijgen, hoopt hij op een goede deal met de zoon?

En waarom ook niet, denkt Eva, wat is daar mis mee? Marnix is een ondernemer, een zakenman, dit is zijn werk. En Bram wil de boerderij nu zo snel mogelijk verkopen, hij wil cashen. Dat zou hem alle vrijheid geven, en hij had haast, met een vriendin en een kind in een te klein appartement op zevenhoog. Wat als Bram na vaders val in de badkamer op het idee is gekomen hem een handje te helpen met een versneld overlijden?

Eva deelt haar wantrouwen die avond met haar vrienden, ­Winand en zijn vrouw Annemarie. Ze runnen galerie De verbeelding, en dat doen ze al zo’n vijfentwintig jaar. Ze hebben het tijdens een aperitief uitgebreid over de komende expositie van Eva’s werk, ze verheugen zich op de vernissage. Na een heerlijke lasagne, die gepaard gaat met verhalen over vakanties in Italië en bezoeken aan musea, begint Eva over Beenmans dood en haar twijfels over de oorzaak. Annemarie raakt geëmotioneerd bij de gedachte dat de oude Ger twee weken dood in zijn huis heeft gelegen. “Zo’n aardige man,” zegt ze.

Winand stelt voor een fles cognac te openen. “Volgens mij zijn we hier wel aan toe.” Hij schenkt drie glazen in. “Wisten jullie dat Engeland sinds 2018 een minister van Eenzaamheid heeft?” zegt hij, en knikt, als om dat feit kracht bij te zetten. “Communicatiemiddelen als internet en de smartphone,” vervolgt hij, “drijven mensen juist uit elkaar. En van eenzaamheid kun je echt ziek worden, je ziet dat ook bij gevangenen, je kunt er stress van krijgen, en dat kan allerlei mankementen opleveren. Maar onze overheid zal de ogen daar wel weer voor sluiten.”

Annemarie heft haar glas. “Op Beenman?”
“Ik proost liever op het leven,” zegt Winand. “Carpe diem.”
“Misschien is zijn dood een teken,” meent Annemarie, “dat we hier niet verschoond blijven van zulke trieste sterfgevallen. Dat we echt beter op onze dorpsgenoten moeten letten.”

“Maar wat als mijn vermoedens waar blijken?” Eva wacht nog even met proosten. “Wat als de zoon verantwoordelijk is voor zijn vaders dood, wat als hij de boerderij heeft gemeden terwijl hij wist dat zijn vader hulp nodig had?”

“Vermoedens zijn net zo veel waard als gebakken lucht, lieve schat,” zegt Winand. En dan, peinzend: “Misschien klink ik nu als een derderangs psych, maar zou het kunnen dat je weigert eenzaamheid als reden te zien voor een sterfgeval?”
“Waarom denk je dat?”

Eva herkent de blik die Annemarie haar echtgenoot toewerpt: pas op wat je zegt. “Bram was een goede zoon voor Ger,” zegt Winand, en hij schenkt zijn echtgenote een gulle lach, als om te zeggen dat ze zich geen zorgen hoeft te maken. “Ken je het verhaal over Brams moeder niet, Eva?” Nee, dat kent ze niet. “Ger is lang vrijgezel geweest,” vertelt Winand, “hij ging in die tijd regelmatig naar de hoeren, en op enig moment nam hij er een in huis. Ze was amper twintig, verslaafd en zwanger, volgens haar was het kind van hem, maar dat is geloof ik nooit uitgezocht, misschien wilde hij dat ook niet eens. Hij zorgde voor haar en zij gaf hem wat hij nodig had. Twee verloren zielen die elkaar hielpen. Ze kreeg een jongen, Bram, en toen de vrouw een jaar of wat later overleed aan een overdosis, adopteerde Ger het kind. Geloof me, die jongen was gek op Ger, als peuter al mee op de tractor, naar de markt, overal zag je ze samen.” Winand kijkt even in zijn glas, drinkt het dan in één teug leeg.

Hij benijdde Ger, beseft Eva, verbaasd maar ook weer niet, ze weet dat haar vrienden graag kinderen hadden gehad. Even voelt ze zelf het gemis, ook zij was er een keer dichtbij, totdat haar zwangerschap misliep.

Eva volgt Winands voorbeeld met de cognac. “Maar tussen Bram als peuter en de man nu, daar zit minstens twintig, vijfentwintig jaar tussen,” zegt ze, en ze voelt de alcohol in haar keel branden. “Bram klonk een beetje verbitterd, vond ik, toen hij het over zijn vader had, die kennelijk weinig belangstelling voor zijn enige zoon had. Ik wil maar zeggen, er kan veel veranderen in zo’n lange tijd.”

“Dat is waar.” Annemarie haalt even een hand door Winands grijze krullen. “Maar gelukkig hoeft dat niet altijd nadelig te zijn.” Daar proosten ze alsnog op.

null Beeld

Samen met haar vrienden zit Eva twee dagen later in een zaaltje met paarse bankjes en op doek gedrukte foto’s van kleurrijke bloemenvelden. Het is onverwacht druk in crematorium De Omarming, heel Vorden lijkt uitgelopen voor het afscheid van Gerardus Beenman. Het christelijke deel, althans, fluisterde Rina haar in, vlak voor ze het podium op ging.

Eva is trots op Rina, die de wens uitspreekt dat de overledene zijn rust mag vinden in een vredig hiernamaals, los van alle aardse zorgen. Ze is hiervoor geboren, bedenkt Eva, aandachtig luisterend naar Rina’s verhaal over Ger, die als peuter zwaar ziek was en maandenlang in quarantaine in het ziekenhuis lag. Hoe hij als kind een einzelgänger was en ook later moeite had met het aanknopen van relaties, maar toch geluk had gekend met Manon, de jonge vrouw die hij zo liefdevol in zijn huis opving en die hem een prachtige zoon schonk. Ja, zo kun je het ook verwoorden, denkt Eva, goed zo, Rina.

“We kunnen natuurlijk simpelweg concluderen dat Gers einde min of meer al besloten lag in zijn geïsoleerde leven,” zegt Rina, “maar misschien moeten we verder kijken dan een enkel leven. Misschien is eenzaamheid een symptoom of ziekte van onze tijd en moeten we onze ogen en oren openhouden om dat te herkennen, want alleen dan kunnen we het bestrijden. Het is ingewikkeld, want eenzaamheid zie je aan de oppervlakte niet, kan zelfs helemaal onzichtbaar zijn, en wordt dan pas achteraf opgemerkt. Zoals bij Ger Beenman.” Rina neemt een slokje water, laat haar blik kalm over het stille publiek gaan en zet haar glas weer neer.

Rina’s woorden komen bij Eva flink binnen, en vooral als ze herinneringen ophaalt aan Gers laatste moeilijke jaren, al noemt ze Bram nog wel als helpende hand, lijkt het alsof er iets zwaars in haar maag ligt. De tranen branden achter haar ogen en door diep adem te halen, probeert ze haar verdriet de baas te blijven. Annemarie legt haar hand op de hare, en Eva kijkt opzij, glimlacht. Het gaat wel, zegt ze met die lach.

“We zijn doorgaans erg gericht op zelfredzaamheid,” vertelt Rina verder. “We worden geacht onze eigen verantwoordelijkheid te nemen, een beroep doen op een ander wordt gezien als een zwakte. En zeg eerlijk, ga bij jezelf na, het is veel makkelijker om even een mailtje te sturen dan bij iemand op bezoek te gaan. Zeker als zo iemand ook nog niet de vrolijkste is en je geen enkele dankbaarheid hoeft te verwachten. Het is zijn eigen schuld, denken we, of: hij kan zelf toch ook weleens wat initiatief tonen? En: laat de familie er maar voor zorgen. Geldige redenen te over om niet te doen wat we eigenlijk hadden willen doen als we achteraf terugblikken.” Ze kijkt de zaal weer even in, haar blik dwaalt over de aanwezigen.

null Beeld

“Ik ben geen deskundige,” vervolgt ze dan, “maar er zijn ­onderzoeken die hebben uitgewezen dat eenzaamheid tegennatuurlijk is, als mens zijn we al sinds heel vroeger vertrouwd met relaties, met familie en vrienden, om te overleven. En wat ik ook las, is dat eenzaamheid wel degelijk dodelijk kan zijn.” Eva weet bijna zeker dat Rina’s blik de hare even zoekt, voor ze verdergaat. “Eenzaamheid is een reële doodsoorzaak, het schijnt zelfs zo te zijn dat fruitvliegjes die van elkaar worden gescheiden minder gezond zijn en eerder doodgaan dan soortgenoten die wel met anderen kunnen communiceren.” Ze glimlacht een beetje triest. “Dus eigenlijk, lieve mensen, wil ik u er graag van doordringen dat we elkaar allemaal nodig hebben. Kijk naar elkaar om, is mijn boodschap van deze dag, ter nagedachtenis aan Ger Beenman. Het lijkt mij een passend eerbetoon.”

Het moet toch waar zijn, beseft Eva, ze mag het niet langer ontkennen, ze heeft de mogelijkheid van een eenzame dood niet willen accepteren, maar die bestaat wel degelijk. Eenzaamheid is een reële doodsoorzaak. Eva kijkt Bram op de rug en zijn gebogen schouders onderstrepen die bittere conclusie.

Het aantal naasten om de hand te schudden is bedroevend weinig; naast Bram en zijn vriendin met de kleine Kim op de arm staan slechts twee wat oudere mensen. Een oom en tante, weet Rina te vertellen, die zich bij Eva, Winand en Annemarie heeft gevoegd en links en rechts complimenten in ontvangst heeft mogen nemen voor haar prachtige woorden. Eva ziet ook Marnix, maar hij verdwijnt meteen nadat hij de nabestaanden heeft gecondoleerd.

Als Eva Brams vriendin de hand heeft geschud, streelt ze de kleine Kim even over haar wang, die met rode koontjes nogal sip kijkt en begint te huilen.

“Ze zal opa wel missen,” zegt Eva, maar dat idee wuift de moeder weg. “Kim is moe,” zegt ze, “ze moet nodig naar bed. En ze kende opa amper, hoor. Bram nam haar liever niet mee naar de boerderij, het was er een vieze bende.”

Wat sneu, denkt Eva, en ze wenst de moeder nog veel sterkte.

Met z’n vieren drinken ze daarna koffie, al laat Eva de hare ­onberoerd, afwezig peinzend, het jonge stel met kind observerend dat een paar tafels verder zit en de indruk wekt liefst zo snel mogelijk weg te willen. Het meisje zit knikkebollend op moeders schoot, Eva bedenkt dat ze te klein is om herinneringen te hebben aan haar opa, en dan dringt het ineens tot haar door waarom haar gevoelens van wantrouwen helemaal niet onterecht waren.

null Beeld

Eenzaamheid is een reële doodsoorzaak. Terwijl Eva met Bo naar het dorp loopt voor een paar belegde broodjes, echoën de woorden in haar hoofd. Rina had gelijk met haar pleidooi naar elkaar om te kijken, haar verhaal was ook echt ontroerend, het stemt tot nadenken. Maar evengoed.

Als ze het kantoor van Asselman & Partners binnengaat, realiseert ze zich pas dat ze in feite hiervoor op pad is gegaan en niet om iets te eten te halen. Marnix Asselman lijkt niet eens verbaasd haar te zien, en nodigt haar uit voor een glas wijn bij café De Herberg. “Mijn werk voor vandaag zit erop,” zegt hij, “en eerlijk gezegd kan ik wel wat afleiding gebruiken om de uitvaartdienst uit mijn hoofd te krijgen.”
“Hier idem,” zegt Eva opgelucht.

Zodra ze beiden een slok hebben genomen van de stevige rioja, proostend op het leven, en Bo onder de tafel op een bot kauwt, valt Eva met de deur in huis en vraagt hoe hij nu denkt over Ger Beenmans dood. “Ik meende wat bedenkingen bij je te zien,” bekent ze, “toen ik eerder deze week bij je was.” Marnix kijkt in zijn glas wijn, lijkt te twijfelen. “Dat verhaal van Rina kwam echt wel binnen,” vervolgt ze als hij blijft zwijgen. “Ik heb mezelf serieus afgevraagd of ik uit schuldgevoel Beenmans dood door eenzaamheid niet wil of kan accepteren.”

“Dat begrijp ik,” zegt hij. “En ik proef een ‘maar’.”
“Het komt door Bram en wat hij heeft gezegd. Over de bezoeken aan zijn vader, met die kleine.”

Eva ziet een trilling rond Marnix’ mondhoek, ze verwacht dat hij zijn hoofd zal schudden en zeggen dat ze ongelijk heeft. Maar dat doet hij niet, de mondhoek gaat omhoog in een zure grijns.

null Beeld

“Jij weet het ook,” zegt Eva, verrast en toch ook weer niet. “Wat ben ik daar blij om.” Ze veert energiek op. “Bram vertelde me dat zijn vader dol was op de kleine Kim, maar zijn vriendin liet vallen dat het meisje vrijwel nooit bij opa kwam.”

“Het ging de zoon om de verkoop van de boerderij. Om de ­erfenis.”
“Precies! Er waren helemaal geen gezellige familiebezoekjes. Ik wist het, toen ik in de woonkamer van Beenman zat! Ik zag geen speelgoed, helemaal niks voor een kleintje, terwijl ik bij mijn vriendin, die regelmatig oppast op van dat kleine grut, struikel over de kinderspullen. Maar er lag wel gloednieuw speelgoed in de bijkeuken.”

Marnix neemt een slok wijn, zet behoedzaam zijn glas neer. “Het scenario dat Bram zijn vader van alles en iedereen heeft geïsoleerd, lijkt me heel plausibel, ik heb hetzelfde gedacht, maar het is niet te bewijzen.”

“Misschien was dit al wel aan de hand sinds Brams vriendin zwanger was, wat denk jij? Een veel te klein appartement, en vader zit daar in z’n eentje op een hectare grond.”

“Bewijs, Eva,” herhaalt Marnix. “Ik denk inderdaad dat je ­gelijk hebt, maar we kunnen er niets mee.”

Ze wil niet horen wat hij zegt, tenminste niet alles, alleen dat hij hetzelfde heeft gedacht, zie je wel. “We moeten iets doen,” zegt ze. “Marnix, we hebben het hier over moord, of tenminste dood door schuld, of nalatigheid, of hoe je het ook noemt, in elk geval een misdaad!”

Hij schudt zijn hoofd. “Je luistert niet, Eva. We hebben geen bewijs.”

“De kippen,” zegt ze. “Ger die zogenaamd geen doktersbezoek wenste… en een zoon die liegt en zijn vader laat creperen, een jaar, of weet ik veel hoelang, toewerkt naar zijn dood. Zie je het niet?”

“Ja, ik zie het wel,” zegt Marnix geduldig. “Maar het heeft geen zin.”
“Een doorgewinterde rechercheur zou Bram vast wel kunnen verleiden tot een bekentenis, toch?”

“Er is geen reden hem te verhoren, Eva, geloof me, ik heb ­informatie ingewonnen, ik heb Bram zelfs onder druk gezet, en die houdt vol dat hij voor zijn vader heeft gezorgd. Hij was in tranen toen ik vroeg of zijn vader de kleine Kim ooit wel heeft gezien. Of ik wel wist hoeveel pijn het deed, als je vader geen enkele interesse meer toonde in een ander, zelfs niet in zijn eigen kind of kleinkind. Misschien zit daar ook wel een kern van waarheid in, ik durf het niet te zeggen. Eva, je moet het van je afzetten.”

Marnix bestelt nog twee glazen wijn en ze praten verder over Bram en zijn vader. Dan dringt het tot Eva door: haar hoop op hulp van Marnix kan bij het oud vuil. Even voelt ze boosheid opkomen, maar ze weet dat hij gelijk heeft. Met een diepe zucht legt ze zich erbij neer, aait Bo en zegt dat het tijd wordt op te stappen. Nog een glas wijn en ze zal Bram een kopje kleiner willen maken.

Voor de ingang van het café nemen ze afscheid, met het voornemen samen nog eens een glas te drinken. Eva wil weglopen, als Marnix haar bij de arm pakt. “Wacht even,” zegt hij, lijkt zich een moment te bedenken, en Eva overweegt hem gerust te stellen, te zeggen dat ze geen rare dingen zal doen, dat ze heus wel heel thuiskomt.

“Het is…” zegt Marnix aarzelend, “ik mag er officieel niet over praten, beroepsgeheim en zo, maar… kun je zwijgen?” Eva legt een hand op haar hart en drukt haar lippen demonstratief op elkaar.

“Morgen heb ik een afspraak met Bram vanwege zijn wens de boerderij te verkopen,” zegt Marnix, nu zonder aarzeling. “Hij verwacht daar uiteraard nogal wat van.” Eva meent een glinstering in zijn ogen te zien en haar hart begint sneller te kloppen. Zie je wel, zie je wel! “Er is een vriend van me,” gaat hij verder, “een heel goede vriend mag ik wel zeggen, die op het gemeentehuis werkt. Op een bepaalde afdeling. Die heeft ­geregeld dat Beenmans huis een monument is geworden.”
“Een monument? Echt? Wat mooi.”

“Dat vond Beenman ook. Zijn kleine bijdrage aan ons dorp, noemde hij het, en hij gaf mij volmacht om het allemaal te ­regelen. Misschien, denk ik nu, achteraf bezien, was dat rond de tijd dat hij merkte dat Brams interesse meer uitging naar het huis dan naar hemzelf, en dat hij zijn kleindochter niet of amper te zien zou krijgen.”

“En ik neem aan dat dit slecht nieuws betekent voor Bram?” Marnix glimlacht. “Doorgaans gaat zo’n bouwval voor een symbolisch bedrag over naar een rijke liefhebber die geld ­genoeg heeft om het in oude staat te herstellen.”

“Dankjewel. Hier ga ik geloof ik heel erg van genieten,” zegt Eva. “Zelfs in mijn eentje.” Voor het eerst sinds ze zich met Bo naar Marnix begaf kan ze weer lachen, en dat voelt fantastisch. “En dat glas wijn gaan we zeker binnenkort drinken.” Bij de herinnering aan Beenman, die twee weken dood in zijn boerderij lag, betrekt Eva’s gezicht. “We moeten dan tenminste proosten op Ger Beenman, Marnix,” verzucht ze. “Uiteindelijk denk ik dat Rina met haar verhaal over eenzaamheid toch heel erg gelijk had, en dat is een bijzonder trieste conclusie.”

null Beeld

Corine Hartman (57)

Corine Hartman is bekend van onder andere de Jessica Haider-serie en de IJsselmoorden-trilogie. Haar werk werd meermaals genomineerd voor de Gouden Strop en ze won tweemaal de Hebban-award.In februari verscheen haar nieuwe thriller: De dode die niet werd gemist, een moordmysterie in de Achterhoek. Met ook hierin kunstschilder Eva Romeijn als hoofd­personage. Eva krijgt een mooie opdracht van haar buurman, baron Frederick van Zonnewoud. Als hij vervolgens van de aardbodem lijkt te zijn verdwenen, raakt ze ervan overtuigd dat er iets gruwelijks is gebeurd, al deelt geen van haar vrienden die angst. Eva gaat op zoek naar de waarheid, maar of dat wel zo verstandig is..?

Lees ook:
Word jij dé nieuwe thrillerauteur van Nederland?

Corine HartmanGetty Images

Op alle verhalen van Margriet rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@margriet.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden