Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

Lifestyle

Waarom we in coronatijd vaak zo’n kort lontje hebben (en wat je ertegen kunt doen)

coronatijd-kort-lontje.jpg

In het verkeer, op social media… Overal kom je agressieve types tegen. Alle stress rondom de coronacrisis helpt daar vast niet bij. Hoe komt het dat we zo snel boos worden? En hoe houd je je eigen korte lontje vooral in coronatijd in toom?

Journalist Sanne Kloosterboer keek voor Margriet eens goed naar al die boze mensen én naar zichzelf.

Agressief gedrag

Voor de kaartjesautomaat staat een rij. Kak, ik ben al aan de late kant, over vijf minuten vertrekt mijn trein. Ik kom aanstuiven en van de andere kant komt een man aanbenen. Net voor hem sluit ik aan. Daar neemt hij geen genoegen mee. Hij komt ongeveer tegen me aan staan (dit was pre-corona) en schreeuwt: “Ik was eerst!” Ik reageer niet. Hij zegt: “Ik was eerst en dat heb je heus wel gezien.” Ik begin nu te twijfelen. Hij lijkt het te voelen: “Oké, prima, als jij zo je leven wilt leiden, PRIMA.” Ik geef niet thuis en kijk hem ook niet meer aan. Ik haal mijn trein, maar het zit me niet lekker. Heb ik aan het einde misschien oneerlijk versneld om hem voor te zijn? Schoof ik misschien voor hem in de rij? Ik kom er niet helemaal uit.

Het korte lontje zien we vooral bij de ander. En wat zien we er veel! Het lijken er wel steeds meer te worden. Schelden in het verkeer is al bijna normaal. Hier in Amsterdam zie ik zelfs weleens een opgefokt type zijn auto uitkomen om tegen een andere verkeersdeelnemer te gaan schreeuwen, vaak met gebalde vuisten. Toen de scooters nog op het fietspad mochten was het ook vaak bal met de agressie. Die fietsers gingen te langzaam en dat leidde vaak tot gescheld. Een keer heb ik een scooterrijder een fietser van de weg zien duwen, ik zat toen op een terras. De fietser maakte een nare smak, haar teenslipper lag een meter verder. Ik ben een beetje bang voor agressie in het verkeer. Voor boze mensen in het algemeen. Je weet nooit hoe al die woede kan ontsporen.

Doelen

Waarom gaan mensen zo uit hun dak? Gezondheidspsycholoog Arie Dijkstra, verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen, legt het uit: “Ieder mens streeft bepaalde doelen na. Een doel kan bijvoorbeeld zijn: ‘Ik wil geld verdienen voor mijn gezin’. Maar ook: ‘Ik verdien respect’. Of: ‘Ik wil vrij zijn’.” Als je doel dan wordt gefrustreerd, moet je dat oplossen in je hoofd. Dijkstra geeft een voorbeeld: “Stel, je komt zonder mondkapje de tram in. De conducteur zegt dan dat je een mondkapje op moet en dat je anders niet mee mag. De conducteur beperkt jou in het bereiken van je doelen. Dan kun je een paar dingen doen. Als je zonder morren uitstapt, zien mensen dat je je op de kop laat zitten. Maar als je ‘klootzak’ zegt, of erger, de conducteur voor zijn kop slaat, zien mensen dat je niet met je laat sollen. Dan is als het ware de machtsbalans hersteld.” Hoe je reageert, hangt volgens Dijkstra af van de scripts die je in je hoofd hebt zitten. “Iedereen ontwikkelt zijn eigen gedragsscripts. De sociale norm die je meekrijgt speelt daarin een rol. Veel mensen hebben bijvoorbeeld helemaal geen agressief script.”

‘Houd je coronabek dicht’

De coronacrisis heeft ons nu niet bepaald milder en toleranter gemaakt. Was er in het prille begin nog een soort saamhorigheidsgevoel, waarin we de crisis met z’n allen te lijf zouden gaan, al snel stonden mensen lijnrecht tegenover elkaar. Ik zie discussies op bijvoorbeeld Facebook geregeld ontsporen. Zelf heb ik een aantal mensen ontvriend omdat ze maar complottheorieën bleven posten. Het was vooral de agressie waarmee dat gepaard ging, die me stoorde. Zo ontving een kennis een afbeelding van een grafsteen met haar naam erop: ‘Hier rust Esther, die niet kritisch nadacht’.

Kort lontje in coronatijd

Arie Dijkstra ziet ook dat de coronacrisis onze lontjes korter maakt. Dat heeft te maken met ons ‘werkgeheugen’, zoals dat heet. Dijkstra: “Het werkgeheugen heb je nodig om je gedrag te beheersen. Stress vermindert je werkgeheugencapaciteit, waardoor je sneller uit je slof schiet. Door de coronacrisis zijn we massaal een beetje gestrest: we zijn bang om besmet te raken, we maken ons zorgen om onze familie, we moeten steeds onze plannen bijstellen…” Maar, zegt Dijkstra hoopvol: “Als het maar lang genoeg duurt, went het weer.”

Wat maar niet went, zijn wat mij betreft de boze mensen op internet. Vooral anonieme toetsenbordhelden zijn een categorie apart als het om korte lontjes gaat. Lekker ongezien schelden vanuit de beslotenheid van je huis. Vooral vrouwen krijgen ervan langs en vooral het woord ‘hoer’ doet het dan goed. Mensen moeten ook vaak ‘terug naar hun eigen land’, bij voorkeur ‘in een lek rubberbootje’. Op een post van premier Mark Rutte op Instagram reageerde ene Corrie met: ‘Ik doe gewoon niet aan die shit maatregelen mee wand het is hierom dat alles faliat gaat door jou schuld corona vent had he nou je coronabek dicht moeten houden.’ Gezellig type, die Corrie…

Maar waarom zo boos?

Waar komt toch het idee vandaan dat dit soort gedrag oké is? Dat het in de haak is om iemand, die even niet oplet in het verkeer, of die niet snel genoeg gaat, de huid vol te schelden? En om maar het hele register van schuttingtaal open te trekken als je het ergens niet mee eens bent? Ik denk dat de oorsprong ligt in de jaren zestig en zeventig, de tijd waarin we ons van veel jukken hebben bevrijd. Mensen lieten zich niet meer inperken door kerk, autoriteit, strenge seksuele normen, enzovoorts. In die tijd is het idee ontstaan dat het goed is om al je gevoelens te uiten. Dat je gevoelens heel belangrijk zijn, dat elk klein ‘gevoeltje’ er heel erg toe doet en dus moet worden geventileerd. Je mag niks opkroppen, want dat is slecht voor je. Daar krijg je maar stress, maagzweren en andere ellende van.

Arie Dijkstra wijt de toegenomen korte lontjes vooral aan de ontzuiling en individualisering. “Tot in de jaren vijftig, zestig was je onderdeel van een collectief en binnen dat collectief heersten sterke sociale normen. Als je je daar niet aan hield, werd je gecorrigeerd. In een collectieve maatschappij heb je de ander sterker nodig en kun je het je minder veroorloven om je te misdragen.” Als je de ander minder nodig hebt, ga je volgens Dijkstra anders naar andere mensen kijken. “In de geïndividualiseerde samenleving krijgen kinderen in hun opvoeding ook vaker de boodschap mee: ik mag er zijn, ik ben goed en belangrijk, ik ben een uniek wezen.” En daar hoort bij dat je je moet kunnen uiten.

Boksbal

We willen natuurlijk niet terug naar de tijd dat iedereen alles maar voor zich moest houden. Dat je ‘flink moest zijn’ en alles maar moest slikken. Toch vind ik dat al dat geuit nogal wordt overschat. Zelfbeheersing lijkt geen belangrijke deugd meer, terwijl iedereen weet dat het enorm helpt als je niet alles meteen eruit gooit. Kinderen raken beschadigd als hun moeder al te vaak uit haar plaat gaat, liefdesrelaties zijn geen lang leven beschoren als je elkaar als boksbal gebruikt en vrienden haken af als je je ongenoegen op ze afreageert. Krop die gevoelens maar wel een beetje op, zou ik zeggen, laat ze even in je omgaan. Soms ben je gewoon met het verkeerde been uit bed gestapt of zat alles even tegen. Kunnen anderen niets aan doen.

Boze middelbare vrouw

Heb ik dan zelf nooit een kort lontje? Uh, jawel. Ik heb er, en dat is geen excuus, ook een beetje de leeftijd voor: 47. Een paar maanden geleden was ik bij de kaasboer. Ik wilde contactloos betalen, zoals iedereen nu doet, maar het apparaat vroeg om mijn pincode. In mijn hoofd speelde zich in sneltreinvaart het volgende scenario af: %&#*#$, MOET IK OOK NOG MIJN CODE INVOEREN. Geen idee waar die plotselinge onredelijkheid vandaan kwam en niemand die iets merkte, maar op weg naar huis heb ik mezelf streng toegesproken: ik wil niet zo’n boze middelbare vrouw worden. Dit is niet het pad dat ik op ga.

Ik denk namelijk dat de overgang iets doet met de persoonlijkheid van vrouwen. Hun hele leven worstelen ze met het idee dat ze aardig willen worden gevonden, en dus met grenzen, en ineens kunnen ze het. Ineens kunnen ze hun schouders ophalen over dingen waar ze vroeger van wakker lagen: dan vinden ze me maar niet aardig. Ineens kunnen ze zeggen: ‘Nee, dat doe ik niet, geen tijd voor, geen zin in.’ Maar omdat de natuur altijd wat bruut te werk gaat, komt dat er in de overgang eerst wat heftig uit, met veel emoties op ongepaste momenten. Toch denk ik dat je in hoge mate zelf kunt bepalen wat voor mens je bent en dat zelfbeheersing iets is waaraan je kunt werken.

‘Je kunt zelfbeheersing trainen’

Arie Dijkstra beaamt dat: “Je kunt je zelfbeheersing wel degelijk trainen, maar dan moet je het wel echt willen. En mensen willen het vaak pas als het echt is misgegaan.” Hoe doe je dat dan? Dijkstra: “Ga eerst eens na welke situaties het slechtste in je naar boven halen en analyseer die situaties: wordt de macht echt gerepareerd als je je laat gaan? Wordt je eer hersteld? Hoe is het voor de ander als je gaat schreeuwen? Sta je niet voor gek? Overweeg nieuwe gedragsopties. Die moet je dan wel trainen, zodat het automatisch gedrag wordt: als dat en dat gebeurt, doe ik zus en zo. Je zou er een app van kunnen maken met waarschuwingen.”

Wielrenners

Ik weet al een doelgroep voor die app, denk ik meteen: wielrenners. Die vormen een aparte categorie als het om korte lontjes gaat. Afgelopen zaterdag fietste ik naar mijn sportles. Ik week uit om over te steken en werd nog net niet van mijn fiets gereden door een wielrenner. ‘Puta!’ schreeuwde de man, ‘hoer’ in het Spaans. Nog natrillend van schrik kwam ik de sportles binnen.

Mijn eerste aanvaring met een wielrenner had ik toen ik een jaar of vijf was. We moesten een duinweggetje oversteken om op het strand te komen. Ik werd nog net niet geschept door een wielrenner die mijn moeder toevoegde: ‘Hou je kind bij je, kutwijf!’ Daarna volgden nog talloze bijna-aanrijdingen, de laatste jaren vooral met mannen die Tour de France’je spelen in de grote stad. Aan een wielrennende collega vroeg ik laatst: ‘Scheld jij dan ook zo veel?’ Hij reageerde fel: ‘Nee! Ik was een keer fietsen met een maat die begon te schelden. Vervolgens heb ik gezegd: ‘Nu stoppen.’ En toen: ‘Als je dit nog een keer doet ga ik nóóit meer met je fietsen.’’

Schelden

Ik heb boter op mijn hoofd, bedacht ik toen ik weer thuis was na mijn sportles. Ik moest denken aan de Canta die me in het donker bijna had klemgereden tegen een muur. ‘Kijk uit, mongool!’ had ik geroepen. Nee, dat was niet mijn beste moment. Een vrouw die me inhaalde had me nog fijntjes toegevoegd: ‘Dan hoef je toch niet meteen ‘mongool’ te zeggen?’ Waarom ik mongool riep? Van de schrik natuurlijk. Bij jezelf is het namelijk de schrik, bij de ander een kort lontje. Als het om ons gedrag gaat, en zeker om onze korte lontjes, hebben we allemaal boter op ons hoofd.

Bij de puta-wielrenner had ik teruggescholden: ‘Agressieve lul!’ En toen zijn maat een fractie van een seconde later langs zoefde: ‘En jij ook!’ Terwijl die er strikt genomen niets aan kon doen. Tegen een overjarige scheldende wielrenner heb ik weleens gezegd: ‘Ah man, ga toch tuinieren!’ Dat vond ik toen reuzegevat van mezelf. In het verkeer maak ik me geregeld schuldig aan passieve agressie: ‘Tuurlijk joh!’ als ik bijvoorbeeld word afgesneden.

Uitlokken

Korte lontjes lokken korte lontjes uit. Als de ander aan het schelden slaat, sta je, voor je er erg in hebt, terug te schelden. Is er een betere manier? Vast. Mijn zusje is bijvoorbeeld heel goed in de-escalerend optreden. Toen iemand haar eens de huid vol schold, omdat ze haar hond niet had aangelijnd, antwoordde ze vriendelijk: ‘Dank u wel voor uw zinnige advies.’ Ze genoot dan wel weer erg van de mond vol tanden van de vrouw.

Wat te doen tegen een kort lontje in coronatijd?

Wat te doen? Zoals Arie Dijkstra al zei: werken aan je zelfbeheersing. Dijkstra maakt daarbij wel onderscheid tussen terechte boosheid, je agressief voelen, en je agressief gedragen. “Boosheid als een ander je iets aandoet is volkomen normaal. Een agressief gevoel, waarbij je een ander pijn wilt doen, moet je leren beheersen en agressief gedrag is alleen gerechtvaardigd in geval van nood, als je bijvoorbeeld wordt aangevallen.”

Zo goed mogelijk proberen die gierput dicht te houden, dus. Hoe doe je dat? Ik denk door steeds te blijven beseffen dat de andere persoon ook een mens is met een leven. Door onszelf de vraag te stellen: zou ik zo willen worden behandeld? Als ík in de politiek zat, zou ik het dan fijn vinden als mensen zo tegen me tekeergingen? Vind ik het leuk om te worden uitgescholden in het verkeer? Om de middelvinger te krijgen? Als ik bij een helpdesk werkte en ik kon een probleem niet oplossen, zou ik dan onbeschoft willen worden behandeld? Nee, dus. Het is eigenlijk zo simpel: behandel anderen zoals je zelf wilt worden behandeld. Altijd en overal.

Artikelen van Margriet.nl ontvangen in je mailbox?
Schrijf je in via margriet.nl/nieuwsbrief.    

Dit artikel verscheen eerder in Margriet 2021-01. Dit nummer nabestellen? Dat kan via magazine.nl.

Tekst | Sanne Kloosterboer
Beeld | Getty Images

Ook interessant