Jolande Withuis groeide op in een communistisch gezin: ‘Emoties hoorden er niet bij’

Deel dit artikel:

Juliana-biografe Jolande Withuis (69) groeide op tijdens de Koude Oorlog, als dochter van een overtuigd communist. Over haar opvallende jeugd in een communistisch gezin schreef ze het boek Raadselvader. ‘Fotoalbums, feestjes, op een vast tijdstip met elkaar aan tafel gaan: dat vonden wij truttig.’

“Eén van de weinige levenslessen die mijn vader mij heeft gegeven was: ‘Zorg ervoor dat je in een café altijd met je gezicht naar de ingang gaat zitten en een tweede uitgang weet. Dan zie je wie er binnenkomt, kun je altijd wegkomen en kunnen ze je niet onverhoeds in de rug schieten.’”

Manier van denken

“Dat zei hij niet om mij de stuipen op het lijf te jagen, het was gewoon zijn manier van denken. Maar een kind vat elk woord heel letterlijk op, dus ik was wel degelijk bang. Als je zo’n raadselachtige vader had als ik, en opgroeit in een huis waarin een oorlogsklimaat heerst – ‘wij zijn in gevaar en iedereen is tegen ons’ – dan ga je alle tekenen lezen. Wat betekent dit, en waar is dat om?”

Geen vertrouwen

“Mijn vader was niet iemand die ik belde als er iets naars was gebeurd, of wanneer er een schilderij opgehangen moest worden. Hij was gewoon geen vader waar je in het dagelijks leven veel aan had. Toen hij stierf was hij 89 jaar. Hij heeft niet zwaar geleden, we zagen hem langzaam wegzakken en ’s nachts is hij in zijn slaap overleden. Niks dramatisch aan. Ik had alleen niet voorzien dat zijn dood zo’n klap zou zijn. Ik realiseerde me dat de kans dat ik hem iets over de oorlog en zijn keuze voor het communisme zou kunnen vragen definitief voorbij was.”

Oorlogsverleden

“Het enige dat ik over zijn oorlogsverleden had gehoord, was dat hij mogelijk had gespioneerd, en later in Duitsland in een kamp zou hebben gezeten. Verder niets. Als onderzoeker bij het NIOD (Instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies, red.) weet ik als geen ander dat in gezinnen met een oorlogstrauma wordt gezwegen. En toch lukte het mij niet om die pijnlijke muur te overbruggen. Elke voorzichtige vraag had in het verleden tot een grauw en een snauw geleid; er was in ons gezin sowieso een groot gebrek aan vertrouwelijkheid.”

Opgroeien in een communistisch gezin

“Mijn moeder had thuis de rol van energieke manager die ervoor zorgde dat alles op rolletjes liep. Dat deed ze vanaf het moment dat mijn vader, met wie ze in 1948 net was getrouwd, instortte. Naar een psychiater gaan vanwege een oorlogstrauma deed je in die tijd niet. Er was nog weinig kennis op dat gebied, en de opvatting ‘het is beter om daar niet over te praten’ is tekenend voor de jaren vijftig. Voor mijn moeder draaide het dan ook om de vraag: hoe houd ik mijn man overeind? Nou, met paardenbiefstuk en het er niet over hebben. Deksel erop en goed blijven aandrukken.

Na zijn dood heb ik in het archief van het NIOD gekeken wat ik over mijn vader kon vinden, en zijn BVD-dossier opgevraagd. Dat ik een boek over hem wilde schrijven wist ik, maar pas toen ik de biografie over Juliana af had, realiseerde ik me dat het niet specifiek over mijn vader zou moeten gaan, maar vooral over hoe ik ben opgegroeid als dochter in een communistisch gezin tijdens de Koude Oorlog.”

De buitenwereld was de vijand

“Ik heb altijd beseft dat het bij ons thuis anders was. Mijn broer en ik werden opgevoed met het idee dat de buitenwereld de vijand was. En dat wij op onze beurt zo door de buitenwereld werden gezien. Ik weet nog dat ik als meisje van vijf op een speelplaats een gat in mijn hoofd viel. Het bloedde ontzettend, maar het kwam niet eens in me op om iemand om hulp te vragen. Misschien was degene die ik aansprak wel van de PvdA! En die waren echt heel erg fout! Alsof de mensen die mij daar al bloedend zagen lopen, zouden denken: dat is een communistje, die gaan wij niet helpen.”

Alleen de hond werd geknuffeld

“Bij dat bewustzijn hoorde ook dat ik niet vertelde welke krant wij lazen, of waar mijn vader werkte. Niets zeggen, niets vertellen. ‘Wij houden ons met de wereld bezig. Met het hogere ideaal. Het écht belangrijke.’ Het uitdragen van deze waarden en alles in een politiek kader plaatsen, daar ging het om in ons gezin. Persoonlijke emoties hoorden daar niet bij. De enige die bij ons thuis werd aangeraakt en geknuffeld was de hond.”

 ‘Een goed kind huilt niet’

“Persoonlijke vriendschappen bestonden ook niet. Je had kameraden, want stel je voor dat een vriend van jou in conflict komt met de partij! Het persoonlijke werd zelfs als intens burgerlijk gezien. Mensen die fotoalbums bijhielden, die verjaardagsfeestjes vierden, die op een vast tijdstip met elkaar aan tafel gingen, vonden wij truttig. Mijn vader droeg ook graag de communistische opvatting uit dat het gezin een economische eenheid is met geen ander doel dan het kapitaal binnen de familie te houden. Dat is van oudsher ongetwijfeld waar, en koninklijke huwelijken werden vroeger om die strategische reden gesloten, maar het is raar om dat zo te veralgemeniseren. Het is een cynische visie waarin je alle persoonlijke emoties tot onzin verklaart.

Voor mij had het tot gevolg dat ik me al schaamde als ik moest huilen om een meisjesboek. Ik hoorde weleens van een vriendinnetje dat ze samen met haar moeder om een film had gesnotterd. ‘Oh, kan dat ook’, dacht ik dan. Het ging bij ons niet om verboden, ik werd juist heel vrij gelaten. De boodschap was meer indirect: een goed kind huilt niet om sentimentele dingen. Dag zeggen als mijn vader op reis ging werd al sentimenteel gevonden. Dat deed je dus niet.”

‘Vriendinnetjes vonden mij verwend’

“Vriendinnetjes die bij mij huiswerk kwamen maken, konden soms verschrikt op hun horloge kijken en roepen: al bijna zes uur, dan moeten we aan tafel! Belachelijk, vonden we dat. Dan pak je toch later wat te eten? Wij aten alleen op zaterdagavond samen. Er zat ook een zeker superioriteit-denken in: wij zijn beter, wij doen immers niet aan onzinnige, onbelangrijke en oppervlakkige dingen. Bij ons was alles op praktisch gericht, perfect geregeld door mijn moeder.

Zij stond ’s morgens vroeg op om kolen te scheppen zodat het huis warm was als wij wakker werden. Als mijn broer en ik uit school kwamen, waren onze kamers opgeruimd en schoongemaakt en stond het brood klaar zodat we meteen aan ons huiswerk konden beginnen. Vriendinnetjes vonden mij hierom zelfs verwend. Mijn broertje en ik hadden ieder een eigen slaapkamer, terwijl mijn ouders in twee achter elkaar geplaatste bedden in de woonkamer sliepen. Ik, over-ideologisch kind als ik was, concludeerde dat een tweepersoonsbed, zoals mijn keurig gereformeerde tante in Zutphen had, ‘reactionair’ was. Dat deden moderne mensen niet!”

‘Ik kon mijn geluk niet op’

“Maar als ik in de schoolvakanties aan die tante werd uitbesteed, kon ik mijn geluk niet op, zo heerlijk vond ik het daar. In Zutphen was ik niet de vijand, maar hoorde ik even bij de gewone mensen. Daar liep ik hand in hand met mijn tante – iets wat thuis met mijn vader of moeder ook al onbestaanbaar was – en kwamen we mensen tegen die zeiden: ‘Ha, een dochter van Berry, wat leuk!’ Dat vond ik zo fijn. Al voelde ik me ook daarover schuldig, dat ik zoiets doms zo prettig vond.”

Vergeten kind

“Een enkele keer nam mijn vader me mee naar een schaakevenement waar hij verslag van deed en twee keer is hij vergeten me weer mee terug te nemen. Dan kwam hij thuis in Amsterdam en vroeg mijn moeder: ‘Waar is Jola?’ ‘Oh? Had ik die dan bij me?’ Nou, Jola zat dus nog achter een glas limonade bij een schaaktoernooi in Wageningen. Een oom en tante uit Arnhem hebben me daar opgehaald en de volgende dag op de trein naar Amsterdam gezet. Mijn vader vond het hilarisch en ik schaterde alle keren dat het ter sprake kwam vrolijk mee; wat een leuke, ongebonden mensen zijn wij toch! Pas toen ik volwassen was, realiseerde ik me hoe erg dat eigenlijk was. Niet dat hij mij uit boosaardigheid was vergeten – mijn vader was dol op me – maar als hij niet met schaken bezig was, dan was het wel met de revolutie. En dan vergeet je je kind soms.”

Volledig ingestort

“Dit was mijn normaal. Een kind neemt het zoals het is. Maar er ontbrak een fundament van veiligheid. Ik heb het gymnasium gedaan en ging in mijn eerste studiejaren braaf naar partijbijeenkomsten van de CPN. Daar begonnen op een dag mijn paniekaanvallen, die uiteindelijk uitmondden in permanente angst. Ik durfde niet meer alleen te zijn, niet meer de straat op en rond mijn 22e ben ik volledig ingestort.

Bevrijd mens

“Het heeft een jarenlange psychoanalyse gekost om mijn angsten, en het scherm dat tussen mij en de rest van de wereld zat, weg te krijgen. Voordat ik überhaupt in staat was om een persoonlijke band met andere mensen op te bouwen, om te begrijpen dat je elkaar ook iets anders te vertellen kunt hebben dan wanneer de volgende demonstratie is. Die analyse en het feit dat ik mijn man ontmoette bij wie ik me vanaf het eerste moment volkomen veilig voelde, hebben me uiteindelijk gemaakt tot wie ik ben: een bevrijd mens.”

‘Over Stalin spraken we niet’

“In die tijd heb ik het communisme de rug toegekeerd. En toen in 1991 de CPN werd opgeheven, was ik dolblij. Maar een gespreksonderwerp tussen mijn vader en mij was het niet. Dat was gewoon niet mogelijk. Ook de naam Stalin is tussen ons nooit gevallen. Natuurlijk had ik graag willen weten wat de wetenschap dat Stalin een massamoordenaar was met hem heeft gedaan. Stalin, de leider die hij altijd had verheerlijkt? Dat was zijn geloof in alles, zijn hele levensperspectief. Dat is nogal wat. Nee, mijn vader zou Stalins daden zeker niet hebben vergoelijkt. Maar hij is wel communist gebleven. In zijn hoofd moet hij daar op een ingewikkelde manier toch een mouw aangepast hebben.”

Kijken naar de persoon

“Wat ik aan mijn opvoeding heb overgehouden is een flinke antenne – volgens sommigen overgevoeligheid – voor alles wat ruikt naar morele dwang, totalitair denken en fundamentalisme. Dat staat me allemaal intens tegen. Ik denk dat ik dat ook eerder ontwaar dan anderen. Aan linkse betweterij heb ik ook een enorme hekel. In mijn optiek zijn linkse mensen niet per definitie goed en rechtse mensen slecht; mijn ervaring is dat er heel veel aardige, beschaafde mensen aan de rechterkant zijn en dat er aan de linkerkant ook hele vervelende onverdraagzame mensen zitten. Ik deel mensen niet meer zo in, ik kijk liever naar het individu.”

‘Dag pa, ik ga’

“Mijn vader overleed in 2009. Hoewel ik niet wist dat hij die nacht zou sterven, besloot ik in de avond nog even bij hem langs te gaan. Hij begon vanuit het niets een stroom aan rijmen op te zeggen, variërend van zinnen over vuile fascisten tot iets absurdistisch over Almen, een dorp dichtbij Zutphen. Ik heb ze opgeschreven, pagina’s lang. Natuurlijk had ik diep vanbinnen liever een relatie tot hem gehad waarin het mogelijk was geweest mijn armen om hem heen te slaan. Maar zo’n relatie hadden wij niet. En zo ging het dus ook niet. Wat je er ook van kunt vinden, mijn vader bleef tot op het laatst volkomen authentiek. Toen ik wegging zei ik: ‘Dag pa, ik ga.’ En zijn laatste antwoord was, geestig als altijd: ‘Dat is de trap af.’”

Tekst | Heleen Spanjaard
Fotografie | Mariel Kolmschot

Dit interview verscheen eerder in Margriet 2018-50. Je kunt deze editie nabestellen via magazine.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

Artikelen van Margriet.nl ontvangen in je mailbox? Schrijf je in op margriet.nl/nieuwsbrief.