Géza Weisz: ‘Als ik kinderen krijg, wil ik het net zo doen als mijn ouders’

Deel dit artikel:

Net als Boelie, de jongen die hij vertolkt in de verfilming van Het leven is vurrukkulluk, had Géza Weisz (31) geen haast met volwassen worden. Maar hij kocht een huis, nam een hond en taalt minder naar het nachtleven. Gaat hij zich nu toch settelen?

Al meteen na de verschijning van Het leven is vurrukkulluk in 1961, maakten schrijver Remco Campert en de met hem bevriende cineast Frans Weisz plannen om het boek te verfilmen. In de decennia erna fantaseerden ze over acteurs die hoofdpersonen Boelie en Mees konden vertolken, de twee jongens die op een zonnige dag in het Amsterdamse Vondelpark het mooie meisje Panda ontmoeten – het startpunt van een aaneenschakeling tragikomische gebeurtenissen, met als rode draad verlangen, liefde en seks. Namen als Kitty Courbois, Alex van Warmerdam en Van Kooten en De Bie passeerden de revue, maar de film kwam er nooit. Een paar jaar geleden werd het project nieuw leven ingeblazen en was al snel duidelijk wie de rol van Boelie moest gaan spelen: de zoon van regisseur Weisz: Géza. “Ik was blij dat ik geen auditie hoefde te doen,” zegt hij, bij een kop thee en met zijn hond Sjaan op schoot. “Toen ik nog op de toneelschool zat, heb ik eens auditie gedaan voor een film van mijn vader. Dat was een verschrikkelijke ervaring: het liep zo slecht dat ik huilend de castingruimte verliet. 
Als hij me nu weer had gevraagd te auditeren, had ik geweigerd. Hij weet wat ik kan, ik ben zijn zóón! Als íémand me goed kent, is hij het wel.”

Heb je nooit getwijfeld of je überhaupt in een film van je vader wilde spelen?
“Nee, dat leek mij meteen een mooie ervaring. Samenwerken met je vader heeft toch iets speciaals en ik vind hem een leuke man en een goede regisseur. Hij was er wel mee bezig hoe het op de buitenwereld zou overkomen dat hij zijn zoon de hoofdrol gaf, maar ik had daar geen moeite mee. Ik bén zijn zoon, dus het ís corrupt. Er is een grote kans dat ik deze rol niet had gekregen als Frans mijn vader niet was geweest. Als mensen er door een liefdevolle bril naar kijken, zullen ze denken: wauw, wat bijzonder dat een man al 55 jaar een bepaalde film wil maken en zijn eigen zoon uiteindelijk de hoofdrol speelt. Als je kwaad wilt, kun je zeggen: ‘Wat een vervelende man, die Frans, en dan heeft-ie ook nog zo’n vervelend, klein zoontje, dat in de reclame van mijn kabelmaatschappij speelt, terwijl mijn internet nooit werkt, en dan cast hij ’m ook nog in zijn eigen film! Daar ga ik niet heen.’” (lacht) “Weet je, dit is zo’n mooi project dat het voor mij niet meer kapot kan, wat mensen ook denken of recensenten schrijven. Het is de belangrijkste film uit mijn leven.”

Wat heb je tijdens het filmen van je vader geleerd?
“Als acteur had ik vóór deze film al veel van hem geleerd, omdat ik al mijn audities met hem voorbereidde. Ik vroeg dan of hij me, net als met een proefwerk vroeger, wilde overhoren. Zijn belangrijkste regieaanwijzing: acteer niet, want de camera ziet alles. Iets denken is genoeg, dat ziet de kijker al. Daardoor wordt het spel heel naturel. Mijn vader is voor acteurs zalig om mee te werken, omdat hij heel erg op het spel is gericht. Hij is minder geïnteresseerd in de techniek van het filmen, maar wil vooral verhalen vertellen. Hij is geobsedeerd door acteurs en kan sinds Het leven is vurrukkulluk niet meer stoppen met praten over Romy Louise Lauwers en Reinout Scholten van Aschat, die Panda en Mees spelen. Hij is totaal verliefd op ze.”

Op jou was hij dat natuurlijk al.
(grijnst) “Hij was al redelijk gek op me, ja.”

‘Ik hoop erg dat er op een dag een vrouw aan mijn zijde staat’

In de film heb je een seksscène met Anniek Pheifer. Was dat niet ongemakkelijk, onder vaders ogen?
“Die scène is gelukkig relatief preuts in vergelijking met wat Romy en Reinout met elkaar moesten doen. Ik heb gewoon een paar goede grappen gemaakt.Toen Anniek op me lag, zei ik: ‘Kijk pap, zo doe je dat, hier kun je nog wat van leren.’ Iedereen moest lachen en dat klaarde de lucht.”

Boelie is een verlegen schrijver, een denker. Hoe dicht staat hij bij je?
“Ik ben veel extraverter, maar wel ook een denker. Ik lees veel, houd van het woord. Mijn moeder is psychotherapeut, haar aanleg voor praten en luisteren herken ik in mezelf. Ik voer liever met vrienden in een restaurant gesprekken over het leven dan dat ik ergens ga dansen.”

Werd er vroeger thuis veel gepraat?
“Ja. Ik ben enig kind, dus zat meestal met alleen maar volwassenen aan tafel en deed al jong mee aan hun gesprekken. De wereld van mijn vader vond ik heel spannend, daar wilde ik alles over weten. Zijn film
 De inbreker, met Rijk de Gooijer in de hoofdrol, was mijn lievelingsfilm. Mijn vaders werk was veel spectaculairder dan de sombere mensen die bij mijn moeder kwamen praten. Terwijl ik het beroep van mijn moeder nu juist heel interessant vind.”

Hoe kijk je terug op je opvoeding?
“Met een warm gevoel. Mijn ouders waren nogal idolaat van me. Dat komt denk ik omdat ze mij zo laat hebben gekregen en ze allebei een vrij verdrietige jeugd hebben gehad. Mijn vader zat in de oorlog
 ondergedoken, terwijl zijn vader in Auschwitz werd omgebracht. Zijn moeder overleefde het kamp, maar was depressief en daardoor groeide mijn vader op in pleeggezinnen en een weeshuis. Mijn opa en oma van moederskant hebben ook een concentratiekamp overleefd, maar waren natuurlijk getekend en dat heeft mijn moeder ook gevormd. Mijn ouders hebben mij als een enorm groot geschenk ervaren en overstelpten me met liefde. Ik ben megablij met die stevige basis.”

Lees het hele interview met Géza Weisz in Margriet nr. 05. Je kunt het hele interview ook online lezen via Blendle.

Tekst | Bas Maliepaard
Fotografie | Iris Planting
Visagie | Thirza Waasdorp
Styling | Odette Simons

Lees ook

Artikelen van Margriet.nl ontvangen in je mailbox? Schrijf je in op margriet.nl/nieuwsbrief.

Redactie Margriet