Fidan Ekiz: ‘Ik kom uit een gezin waarin veel wordt gelachen en gedanst’

Deel dit artikel:

Van nature is journaliste en documentairemaakster Fidan Ekiz (39) een echte levensgenieter. Is dol op mooie kleding en weet alles over celebrity’s. Maar de laatste tijd kan ze echt wakker liggen van de maatschappelijke 
spanningen in ons land. 

De grote interviews die journaliste Fidan Ekiz afgelopen zomer aan kranten en 
tijdschriften gaf, zijn niet op één hand te tellen. “Ik was een soort testbeeld, hè?” lacht ze, als ook wij op het terras in haar woonplaats Rotterdam hebben afgesproken voor een gesprek. “Volgens mij 
dachten de media: de echte celebrity’s 
zijn op vakantie, laten we dan Fidan maar interviewen.” Maar dat is natuurlijk niet de reden. 
Fidan valt op. Door haar sprankelende verschijning – we vroegen haar niet voor niets voor deze modeshoot in Margriet – maar vooral door haar bevlogenheid en uitgesproken mening in wat wel het 
‘minderhedendebat’ wordt genoemd. Ekiz is van Turkse komaf, getrouwd met een Hollandse domineeszoon, moeder 
van een driejarige zoon en een van de 
opvallendste stemmen in het debat over de vluchtelingenstroom, het moslim-
terrorisme en de positie van allochtonen in Nederland. Als documentairemaakster en tafeldame bij De wereld draait door neemt ze geen blad voor de mond in de vaak felle discussies. Ze oogst bewondering, maar zeker ook kritiek, bijvoorbeeld toen ze na de aanslag op het Franse weekblad Charlie Hebdo moslims opriep om zich hardop uit te spreken tegen terreur. Dat namen veel moslims, ook vrienden en bekenden van Fidan, haar niet in dank af. Want waarom zouden zij zich als 
vreedzame gelovigen openlijk moeten distantiëren van een stel gekken dat met hun religie aan de haal gaat? Fidan, dochter van een gastarbeider, werkte als Turkije-correspondente voor regionale kranten en RTL Nieuws en was redacteur van Pauw & Witteman. Sinds ze in 2010 de documentairereeks Veerboot naar Holland maakte, over haar eigen 
familiegeschiedenis, is de manier waarop ze journalistiek bedrijft steeds persoonlijker geworden. Ook in haar essay Hoe lang nog zwijgen, dat deze maand ter gelegenheid van de Maand van de Geschiedenis verschijnt, verweeft ze het verhaal van haar eigen afkomst met haar visie op het Nederland van nu.

Je schrijft dat het je zwaar valt om als 
journalist emotioneel op afstand te blijven sinds je moeder bent geworden van Ferran (3). Hoe komt dat?
“Het onderwerp waar ik me als journalist de laatste tijd vooral mee bezighoud, is het verharde klimaat ten opzichte van buitenlanders, en met name moslims. Dat kan ik niet los zien van mijn eigen familie. Als ik terugkijk, zie ik de weg die mijn vader heeft afgelegd. Als ik vooruitkijk de weg die Ferran nog moet gaan. Hij is half-Turks, ik weet niet hoe zijn toekomst in dit land er zal uitzien. Als moeder wil je je kind beschermen, hè? Het debat over vluchtelingen en moslims is verhufterd, mensen luisteren niet meer naar elkaar en zijn alleen nog maar bezig met het halen van hun gelijk. Je bent vóór of tégen. Ik mis de nuance. De mensen die wél willen luisteren en genuanceerd nadenken, laten zich nauwelijks horen.”

Of krijgen die gewoon te weinig het woord in de media?
“De berichtgeving is inderdaad eenzijdig. Maar ik denk dat genuanceerde mensen ook bang zijn om weggezet te worden als politiek correct, naïef of juist als xenofoob en racist. Als ik bij DWDD iets positiefs 
zeg over asielzoekers, gaan ze op Twitter meteen los: of ik niet snap dat we allemaal IS-strijders binnenhalen… Mensen gaan er onmiddellijk van uit dat ik ervoor ben om vluchtelingen zonder screening toe te laten. Dat is helemaal niet zo, maar dat betekent toch niet dat ik niks positiefs over vluchtelingen mag zeggen? Andersom gebeurt het trouwens ook. Als ik kritisch ben over moslims, word ik voor islamofoob uitgemaakt.”

Toch weerhouden die reacties je er niet van om je in de discussie te blijven mengen.
“Blijkbaar heb ik sterk het gevoel dat ik iets kan veranderen in dit land. Ik krijg gelukkig ook veel positieve reacties: ‘Dit 
is een eyeopener, zo had ik het nog niet bekeken.’ Als ik bij één iemand de hardheid kan weghalen of blik kan nuanceren, is dat het al waard. Ik houd van Nederland en wil niet kwijtraken waar wij voor staan. Er zijn veel Nederlanders die 
denken: ik laat dit land niet kaalvreten door al die vluchtelingen of kapotmaken door moslimterrorisme. Dat voel ik ook. Dat is de ironie van de huidige situatie: Henk en Ingrid zijn bang dat hun kinderen hun eigen identiteit niet kunnen behouden, maar Fatima en Mohamed net zo goed! Ik ben Fatima waarschijnlijk, of Ingrid, of allebei. Mijn vader, die keihard voor dit land heeft gewerkt en mij 
gebracht heeft waar ik nu ben, wordt door buurtbewoners aangezien voor IS-terrorist, omdat hij moslim is. Dat maakt mij heel verdrietig. Maar ik word óók 
verdrietig van Turkse Nederlanders die zich homofoob of antisemitisch uitlaten of Nederland de rug toekeren en een leider als Erdogan, die niks op lijkt te hebben met democratie, verheerlijken. Ik móét dan van me laten horen.”

Jouw vader kwam in de jaren zeventig naar Nederland om hier als lasser bij een Rotterdamse scheepswerf te gaan werken en stichtte een gezin in Rozenburg. Hoe zag je jeugd eruit?
“Wat ik destijds heel normaal vond, is achteraf een heel opmerkelijke jeugd 
geweest. Ik vulde op mijn dertiende al 
belastingformulieren in voor mijn ouders, die de taal niet machtig waren. Ik ben daardoor helemaal getraumatiseerd op administratief gebied, ik kan geen formulieren meer zien! Mijn zus en ik vertaalden ook tv-programma’s van Sonja Barend en Mies Bouwman, het NOS Journaal met Joop van Zijl en we moesten mee naar de dokter als mijn ouders iets hadden.”

Zei je dan niet: ‘Mam, je moet zélf Nederlands leren?’
“Mijn moeder was analfabeet, dus het was geen kwestie van ‘even een taalcursusje doen’. En het beleid in Nederland was er toen op gericht dat gastarbeiders weer zouden terugkeren naar het land van 
herkomst. Er werd geen moeite gedaan ze te laten integreren. Als kind wist ik niet beter, het was voor ons logisch dat wij vertaalden. We werden er ook niet op 
aangesproken dat het niet normaal was. Mijn leerkracht vroeg me niet waarom 
ik met mijn moeder meekwam naar de ouderavond. Die zei: ‘Fidan, je moet beter opletten in de klas, je bent een dromer.’ En dan moest ik dat vertalen! Volgens 
mij sjoemelde ik weleens. Ik kan er nu 
om lachen, maar het is heel goed dat we 
buitenlanders tegenwoordig zo snel 
mogelijk Nederlands leren.”

interview: bas maliepaard
fotografie: karlien van der geest

Dit is een gedeelte uit het interview met Fidan Ekiz. Het volledige interview lees je in Margriet 42-2016. Dit nummer nabestellen? Dat kan bij Tijdschrift365.nl of koop het artikel ‘Ik kom uit een gezin waarin veel wordt gelachen en gedanst’ op Blendle.

Lees ook:
– Anita Witzier: ‘Een column schrijven is toneelspelen met letters op de vierkante centimeter’
– Anneke Blok: ‘Ik denk dat ik blijf doorspelen tot ik erbij neerval’
Alexander Pechtold: ‘Mijn kinderen zeggen soms: je zit hier niet in de Tweede Kamer’

Artikelen van Margriet.nl ontvangen in je mailbox? Schrijf je in op Margriet.nl/nieuwsbrief

Redactie Margriet