Bart Chabot: ‘Ik stuiter niet meer zo, ik zie meer wat ertoe doet’

Bart Chabot

Deel dit artikel:

Zes dingen tegelijk doet Bart Chabot (63) en de laatste jaren heeft hij nog meer haast gekregen. Zijn nieuwe doel? De ultieme roman schrijven, voordat het te laat is.

Weinig bekende schrijvers kunnen na veertig jaar in het vak een interview geven alsof het de eerste keer is. Bart Chabot wel. Een grapje met het baliepersoneel en op naar zijn vaste tafel in hotel Carlton Ambassador, om de hoek van zijn woning in de Haagse wijk Willemspark. Hij bestelt een dubbele cappuccino-cafeïnevrij.

Geen cafeïne meer? Ben je bezig met een nieuw regime?
“Ja het hart, hè.” Hij wijst op zijn borst en zegt: “Binnenkort hoor ik van de cardioloog of dit open moet. In december 2015 kreeg ik last van boezemfibrillatie. Ik kwam terug van vakantie. Twee dagen later had ik met Ronald Giphart een theateroptreden in Woerden. We moesten vier keer een half uurtje. Na de tweede set was ik al gesloopt. De volgende dag hadden we een diner op het strand. Ik moest het duin op fietsen, maar het lukte niet. Zelfs lopend kreeg ik die fiets het duin niet op. Mijn hart ging enorm tekeer. Terwijl ik in Zweden met Yolanda en de jongens heuvels op had gelopen, kampvuur gemaakt, geen punt. Thuis begon mijn hart weer te bonken. Behoorlijk eng, maar ik zei niks tegen Yolanda. Zij is arts. Voor je het weet belt ze het ziekenhuis. En ik heb met mijn hersentumor al te veel ziekenhuizen gezien. De volgende ochtend vroeg ik toch: ‘Kun je even voelen?’ Ze legde haar hand op mijn borst en na dertig seconden gaf ze haar mobiele telefoon: ‘Alsjeblieft, vertel het ziekenhuis maar wat 
er aan de hand is.’ Ik werd meteen opgenomen.”

Waarom heb je hartproblemen?
“Te grote inspanning, te veel stress, te weinig slaap. Ik ben altijd een drankman geweest, en een koffiemachine. Nu heb ik zo’n theedoos met allemaal smaakjes.”

Je optredens blaken van levenslust. Toch heb je stress?
“Ik sta stijf van de stress. Ik heb een musical geschreven, gedichten, en romans zijn mijn grote nieuwe werkterrein. Yolanda zei laatst: ‘We zijn samen, maar áls je er bent, zit je tot ’s avonds laat te werken. Je gaat niet in mijn vakantie werken!’ Dat vond ik verstandig. Niet stiekem een uur op de wc gaan zitten.” (lacht).

Het gezinsleven, doe je daar nog wat aan?
“Jawel, mijn zoons zijn alle vier het huis uit, maar ze komen elke week. Ik was een huisman avant la lettre. Mijn inkomen als dichter was onzeker. Yolanda zei: ‘Ik ga fulltime werken en jij doet de kinderen.’ Toen we gingen samenwonen, kon ik niet koken. Ze stapte binnen bij de groenteboer tegenover ons en zei: ‘Mijn man kan niet koken, kun jij hem iets leren?’ Simon antwoordde: ‘Kom maar langs om tien uur, dan ben ik terug van de veiling en maken we de groenten van de dag.’ Zo heb ik het geleerd, stap voor stap.”

Terug naar het ziekenhuis. Hoe lang moest je blijven?
“Vijf dagen. Ik kreeg een cardioversie, een soort stroomstoot. Afgelopen januari moest het weer.
 De cardioloog zei: ‘Je hebt nog meer problemen. Lekkende hartkleppen, verminderde pompfunctie,
 een sterk vergrote linkerboezem, een verwijde aorta, en een dichtslibbende longslagader.’”

In je boek Diepere lagen beschreef je dat je een andere man was geworden na de bestraling van je hersentumor in 2011. Hoe voel je je nu?
“Ik voel me oké. Maar ik ben moe. Mensen vragen soms aan Yolanda: ‘Is hij thuis ook zo druk?’ ‘Was hij maar wat drukker,’ zegt zij dan. Tijdens het werk ben ik in gedachten verzonken. Ik stuiter niet meer zo. Ik zie meer wat ertoe doet: mijn naasten, mijn vrienden.”

Waar ontmoette je Yolanda?
“In 1985, in jongerencentrum Buk Buk in Heiloo, waar ik optrad als punkdichter. Ik was broodmager en het zweet en speeksel vlogen in het rond. Haar broer organiseerde die avonden. Yolanda zei: ‘Die griezel blijft toch niet slapen?’ We zaten tot diep in de nacht te praten. Toen merkte ze dat ik eigenlijk een zachtmoedig persoon ben. Ze kwam uit de Leidse studentenwereld en dacht: hij valt nooit voor zo’n duffe student geneeskunde. En ik dacht: hier trapt zij nooit in. Zij wordt arts en heeft toekomst, en ik lig in de goot.”

Was het zo erg?
“Nou ja, ik had een drankprobleem van hier tot Tokio. Veel generatiegenoten liggen nu onder de grond, door de drugs. Zij belichaamde een volstrekt andere wereld. Zij had een trui aan. En een witte winterjas. Dat was 
in mijn kringen hoogst ongebruikelijk! Ik ben altijd gegaan voor vrouwen die anders zijn en sterk in hun schoenen staan. Ik vind elke dag samen nog bijzonder. Je vergroeit met elkaar, terwijl je volkomen eigen blijft. Ik ben chaotisch, intuïtief en snel afgeleid. Yolanda is secuur en consciëntieus.”

Zij is de moeder die jou in het gareel houdt?
“Ze heeft mij niet getemd, maar een fundament in mijn leven gelegd. Die drank heeft zij een tijdje aangezien, tot ik mezelf een delirium had gezopen. Ik kon niet meer bewegen. De oudste was net geboren. Ze zei: ‘Of de drank eruit of jij eruit. En die keus ga jij nú maken.’ Daarna heb ik twaalf jaar geen druppel gedronken.”

Wanneer begon je zo veel te drinken?
“In mijn militaire diensttijd werd ’s middags al geschonken. Ik kon niet tegen de strenge hiërarchie.
 Om mijn onlustgevoelens te dempen ging ik drinken.”

Je wilde jezelf verdoven?
“Als je drinkt, kun je uit jezelf weg. Het komt hierop neer: mijn jeugd zou ik niet graag overdoen. Zodanig dat… Nou ja… ik heb mezelf opnieuw uitgevonden.”

Je hebt dit vaker verteld. Maar wat ging daaraan vooraf?
“Ik was een druk kind en luisterde niet. Een dromer. Daar was thuis geen ruimte voor. Vaak fietste ik naar school, dacht mijn moeder, maar dan zat ik de hele 
dag in het fietsenhok. Dat leidde tot enorme conflicten met mijn ouders. Als zij twee weken naar Engeland 
op vakantie gingen werden mijn broer en ik ondergebracht bij familie. Want mijn ouders vonden kinderen meenemen geen vakantie. In het derde jaar werd 
ik van de hbs gestuurd. Ik bakte er geen moer van. Dat strekte zich voor mijn ouders uit tot het hele spectrum van wie ik was en wat ik deed. Er deugde niets van mij. Mijn vader kon ook fysiek worden…” (zucht) “Nou ja… Het waren andere tijden.
Ik vluchtte in boeken. In 1964 kwamen The Kinks op. Geweldig! Rock-’n-roll was uptempo, exuberant en extrovert. Dat sloot aan bij mijn levensritme. De teksten waren eenvoudig. Kwamen meteen binnen. Vandaar dat ik zelf nog steeds zo schrijf. Mijn vader werkte bij de veiligheidsdienst van buitenlandse zaken en werd later consul. Die wereld draait om ontvangsten en diners, terwijl ik juist naar binnen keerde. Het was een enorme generatiekloof.”

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit is een gedeelte uit het interview uit Margriet 2017-34. Dit nummer bestellen? Dat kan via magazine.nl. Je kunt het hele interview ook online lezen via Blendle.

Interview | Minou op den Velde
Fotografie | Marloes Bosch
Visagie en styling | Nicolette Brønsted
Met dank aan: beachclub raak

Lees ook:

Artikelen van Margriet.nl ontvangen in je mailbox? Schrijf je in op Margriet.nl/nieuwsbrief