Slachtoffers van slachtoffers van de oorlog, zó gaat Marjan daarmee om

Deel dit artikel:

Journaliste Marjan van den Berg is getrouwd en heeft drie dochters en twee kleinkinderen.

“Jouw broertje moest altijd rennen voor je vader.” Ze vertelt het 
met een glimlach. Het is een herinnering aan heel vroeger, aan een generatie die de kinderen met harde hand opvoedde. Hoewel niet
 altijd zo hard als mijn vader. Ze kijkt me even onderzoekend aan of haar mededeling mij geen zeer doet. Ik glimlach terug. Dat kan ik
 gelukkig. Mijn broer kan er niet om glimlachen. Nog steeds niet. 
Na zo veel jaar. Hij heeft zó onder die vader geleden, dat het hem voor de rest van zijn leven tekende. Hij is de enige niet.

Ze zijn kinderen van vaders die een klap kregen van de oorlog.
 De mijne was dienstplichtig bij het uitbreken ervan. De oorlog 
onderbrak zijn diensttijd, dus die moest hij na 1945 uitdienen.
De Nederlandse regering zond hem naar een opleiding in Schotland om zo een steentje bij te dragen aan het middenkader van het leger. Inmiddels had hij een gezin. Mijn broer is van 1943 en mijn zus van 1945. Na die opleiding werd hij uitgezonden naar Indonesië. Drie jaar lang nam hij deel aan de politionele acties. In 1949 keerde hij terug naar Nederland. Hij was geen gezellige lieve jonge man meer.
 Geen grapjes makende papa. Hij lag midden in de nacht in dekking achter zijn bed, omdat hij droomde van een hinderlaag. Hij eiste van zijn twee jonge kinderen absolute discipline. En van zijn vrouw ook. Tegenwoordig zou hij de diagnose PTSS krijgen, vermoed ik. Hij zou worden begeleid en psychische hulp krijgen. Maar dat bestond toen allemaal niet.
“Jouw broertje vluchtte vaak naar zolder,” vertelt ze. “Dan ging hij boven op het luik zitten. Dat kreeg je vader niet open.” We zien het samen even voor ons. Dat magere joch dat daar zit te bibberen.
 Want vroeg of laat moet je toch weer van die zolder af.

Ze vertelt hoe de buurt fluisterde dat mijn vader de directeur van de woningbouw had bedreigd. Zijn moeder was een paar dagen voor zijn thuiskomst overleden. Zijn gezin woonde bij haar in, maar als de hoofdbewoner overlijdt, sta je op straat. Pap stapte het kantoor 
binnen, richtte zijn dienstpistool op het voorhoofd van de directeur en vroeg: “Wie moet hier zijn huis uit?”

Hij niet. Want toen ik in 1955 werd geboren, woonden we daar nog steeds. En ik heb ook weleens moeten rennen, maar nooit zo hard als mijn broer. In de loop der jaren kreeg ik veel brieven van generatiegenoten met dezelfde geschiedenis. De meesten van hen hebben 
verdrietige herinneringen aan een vader die was geknoeid door de tijd. Mijn zusje is er niet meer. Mijn broer wil er niet over praten.
 Dus ik houd mijn mond maar. Elk jaar twee minuten, minstens. 
Ik zwijg en denk aan mijn pap. Aan mijn mam. Mijn zus. Mijn broer. Slachtoffers van slachtoffers van de oorlog.

Deze column is afkomstig uit Margriet 2018-18. Je kunt deze editie nabestellen via Magazine.nl.

Foto | Ester Gebuis

Lees ook andere columns van Marjan
Marjan vertelt over haar goede voornemens, en hoe ze die elk jaar weer uitstelt’’
Marjan vertelt over haar ervaring in Rome: ‘Dit dier had voor mij niet hoeven sterven.’’
Dít vindt Marjan van de moeders op basisscholen

Artikelen van Margriet.nl ontvangen in je mailbox? Schrijf je in op Margriet.nl/nieuwsbrief