Adriaan van Dis: ‘Met het stijgen der jaren word ik er niet milder op’

Deel dit artikel:

Zijn gevoeligheid en inlevingsvermogen voeden zijn schrijverschap, maar maken het leven er niet altijd even gemakkelijk op. Daar heeft Adriaan van Dis (70) iets op gevonden: mindfulness. “Ik eindig nog eens als zenboeddhist.”

Hij heeft opgezien tegen dit gesprek. Anders dan meestal het geval is, gaat zijn nieuwe boek In het buitengebied niet over Nederlands-Indië, Zuid- Afrika of over zijn familiegeschiedenis. Deze uit verschillende verhalen bestaande roman gaat over een schrijver die in zijn eentje ergens afgelegen in de provincie woont. Net als Adriaan van Dis zelf. Zijn hoofdpersoon is graag alleen, maar kampt tegelijkertijd met eenzaamheid en een obsessief verlangen naar de dood. Dat je als lezer toch geregeld in de lach schiet, is te danken aan de gedoseerde ironie waarmee de auteur voorkomt dat de thematiek je naar de keel vliegt. “Het is het verslag van een depressie. Over de ergste somberheid ben ik inmiddels heen. Anders had ik het boek niet kunnen schrijven. Wel heb ik er lang over nagedacht hoe ik het moest inkleden zonder dat het zelfbeklag of koket werd. Natuurlijk lijk ik op de hoofdpersoon, al heb ik zijn gewoontes en eigenaardigheden sterk uitvergroot. Net als hij heb ik een innerlijke criticus die ik de binnenstem noem. Waar ik ook ga of sta, die stem heeft voortdurend wat op of aan te merken. Als ik iets aardigs tegen iemand zeg, reageert hij meteen met: ‘Slijmerd!’ Als ik een mooie vrouw een compliment wil maken, trapt hij op de rem: ‘Niet doen! Straks vindt ze je een ouwe viezerik!’ Het lastige is dat hij vaak gelijk heeft, dus negeren kan ik hem niet. Inderdaad, dit zijn slechts onschuldige voorbeelden. Die binnenstem is ook verantwoordelijk voor de zelfmoordgedachtes van de hoofdpersoon.”

En nee, dat verlangen naar het einde is hem niet vreemd. Ooit ondernam hij zelfs een poging om uit het leven te stappen. Dat was op zijn zevenentwintigste. Dankzij jarenlange psychoanalyse kreeg hij zijn neurosen redelijk onder controle, maar een jaar of vier geleden liet hij zich wederom onder behandeling stellen. “Ik had Ik kom terug, het boek over mijn honderdjarige moeder die ook hevig naar de dood verlangde, net af toen ik werd overvallen door zwaarmoedigheid. Toen ik in die periode ergens in de Achterhoek op het perron zat waar de sneltreinen voorbijrazen, moest ik mezelf vastgrijpen aan de bank om niet onder die trein te springen. Je kunt iets doen tegen zulke impulsen. Er zijn medicamenten en methodes voor. Ik doe nu aan mindfulness. Terwijl ik een psychiater heb die niets moet hebben van zweverigheid, is dit toch iets wat helpt. Door concentratie en ademhalingsoefeningen kun je die vervelende kringgedachten verjagen. Mijn somberheid is niet weg, maar ik heb het beter onder controle. Ja, ik weet dat ze zeggen dat iemand die over zelfmoord praat het meestal niet doet, maar aan de andere kant: iemand die erover praat, verdiept zich vaak wel in de mogelijkheden. Zelf heb ik geen uitgewerkt plan klaarliggen, maar wel het idee dat als het ouderdomsverval echt toeslaat of mijn geld op is, het een uitweg kan zijn.”

‘Mijn vader overleed toen ik tien was, maar ook daarna had ik nog lang het zelfbeeld van een mier’

In In het buitengebied probeert de hoofdpersoon zijn eenzaamheid te verdrijven door de aanschaf van een beeldschoon Japans robotmeisje. Haar software is precies afgestemd op zijn persoonlijke interesses. Ze draagt gedichten voor, debiteert culinaire recepten en overtreft hem in encyclopedische kennis over tal van onderwerpen. Haar aanwezigheid levert hilarische taferelen op, maar maakt zijn eenzaamheid eerder schrijnender dan dat ze hem ervan verlost. “Nee, ik ben geen doemdenker. Die robots zijn de toekomst. We hebben er straks allemaal één. Ik herinner me nog dat Den Uyl op een bijeenkomst van het literaire tijdschrift De gids, zo rond 1970, een hartstochtelijk pleidooi hield tégen de computer. Nu zeg je: pure onwetendheid. Je tegen technologische vernieuwing verzetten is volkomen zinloos, het gaat sowieso gebeuren. En wat zijn we nu blij met onze computers, smartphones, tablets en noem maar op! Ik ben best nieuwsgierig naar al die ontwikkelingen. Zo’n robot kan dingen die wij zelf niet kunnen. Haarscherp zien in het donker bijvoorbeeld. Maar hoe lief ze er ook uit komen te zien, het blijven apparaten. Ze kunnen niet voelen zoals wij.” Of robots mensen van hun eenzaamheid kunnen verlossen, valt inderdaad nog te bezien. Maar ook andere mensen kunnen dat lang niet altijd. We voelen elkaar immers niet allemaal feilloos aan. Dat weet Adriaan van Dis zelf maar al te goed. “Ik lijd aan wat ik zelf hysterische empathie noem. Als iemand op de radio vertelt over een gebroken been, moet ik snel gaan zitten anders voel ik die breuk ook.” Zijn hypergevoeligheid en sterke inlevingsvermogen zijn een pré voor zijn schrijverschap, maar hebben hem ook vaak in de weg gezeten. Als jongen voldeed hij niet aan de verwachtingen van zijn door de oorlog getraumatiseerde vader. Die deed verwoede pogingen de gevoeligheid er bij zijn zoon uit terammen, in de hoop een stoere knul van hem te maken. Waarschijnlijk zonder te beseffen hoeveel schade hij daarmee aanrichtte. “Nog altijd krimp ik ineen als ik op straat, in een winkel of in de trein een grove, nare vader ruw tekeer hoor gaan tegen zijn zoon. Dan voel ík de pijn van dat doodongelukkige kind. Het liefst zou ik zo’n boerenhufter een pak op zijn sodemieter geven, maar ik kan niet vechten. Bovendien is zo’n man meestal een stuk forser dan ik. Zo’n foeterende vader beïnvloedt je gevoel van eigenwaarde. Mijn vader overleed toen ik tien was, maar ook daarna had ik nog lang het zelfbeeld van een mier. Mijn zelfvertrouwen groeide pas nadat ik op mijn zestiende hoofdredacteur werd van de schoolkrant. Overigens niet omdat ik schreef, maar omdat ik de meeste advertenties binnenhaalde. Ik manifesteerde me vooral uit de behoefte dat er van mij werd gehouden, maar het deed me goed te ontdekken dat ik iets kón. Tot op de dag van vandaag is het kind in mij sterk aanwezig. Ik kijk nog altijd om me heen met de blik van het jongetje uit Bergen aan Zee, dat alleen de duinen introk en zich verbeeldde Robinson Crusoë te zijn. Net als hij ben ik heel erg op mijn hoede. De angst om onverwacht op mijn donder te krijgen zit diep en bepaalt mijn levenshouding. Ik kan niet als een open wond door het leven, dus heb ik een façade nodig. Als een kameleon pas ik me aan mijn omgeving aan. Daarbij is de acteur in mij behulpzaam. Al jong voerde ik toneelstukjes op. Verkleed en geschminkt kon ik me verstoppen in een ander. Dat voelde veiliger dan wanneer ik mezelf was. In zekere zin doe ik dat als schrijver ook. Ik duik van de ene ‘ik’ in de andere.”

Tekst | Mieke van Wijk
Fotografie | Iris Planting
Styling | Nicolette Brøndsted

Lees ook:

Artikelen van Margriet.nl ontvangen in je mailbox? Schrijf je in op Margriet.nl/nieuwsbrief